De boom
Kijk de boom.
Eenzaam staat hij, naakt
in de koude, geelbleke ochtend van maart
een scherpe rand van bevroren sneeuw
om zijn voet.
De andere bomen hier op het land
staan ineengedoken in hun stijve naalden
geborgen in hun winterslaap.
Deze ene is anders.
Want deze ene is naakt
verwacht bladeren.
De knoppen liggen als druppels
vlak achter iedere tak.
Behoedzaam en aandachtig, roerloos
staat de boom en draagt zijn schat
met om zich heen een huid
als van parels, van wortel tot kruin.
Kom niet dichterbij.
Een poosje nog moet het hier stil zijn,
moet niemand hier nog ontwaken,
maar dan, dan –
Daarom ligt deze zachte glans
als een gelukkige droom
over het slapende leven.
Al wat op aarde knoppen draagt
en zijn voltooiing nadert
heeft die glans om zich heen
van wachten en zwijgen en droom.
Vreemd om die boom te hebben gezien.
Goed om die boom te zijn geweest
- nog te zijn, een ochtend nog.
Uit: Treet (De boom, 1947)
Treet
Sjå treet.
Einsamt står det, nakent
i kaldt, gulbleikt mars-gry
med skarp kant av skaresnø
kring foten.
Dei andre tre her på sletta
står samansigne i stivt bar
og sov trygt i sin vinter.
Men dette er annleis enn dei.
For dette aleine er nakent
og ventar lauv.
Knuppane ligg alt som dropar
teit etter kvar ein kvist.
Varsamt og vàkt, urørleg
står treet og ber sin skatt
med veikt skin som av perler
kring seg frå rot til topp.
Gå ikkje nærare.
Stilt skal det vere her enno,
ingen må vakne her enno,
men snart, snart--
derfor ligg dette mjuke skimmer
vàrt som ein lykkeleg draum
over det sovande liv.
Alt på vår jord ber knuppar
og veit si fullbyrding nær,
har dette skimmeret kring seg
av venting og togn og draum.
Så rart å ha sett det treet.
Så godt å ha vore det treet
- og vere det, enno ein morgon.
Gelukkige handen
Gelukkige handen!
De hele dag in beweging
met bezigheden die alleen maar
wachten op hen.
Dienen aan de grondvesten van het leven mogen zij.
De handen brengen het brood voort,
delen aan hongerige monden, van gedekte tafels.
Stof glijdt door ze heen en wordt tot kleding,
kleding glijdt door ze heen, wordt schoon en glad,
wikkelt zich fris geurend om onze leden,
ligt op tafel en bed en licht wit op.
Vlekken, stof en vuil worden weggewreven,
de handen willen dat alles om hen heen blinkt.
Gelukkige handen –
leven in water, pakken hout,
ijzer en allerlei soorten metaal,
koud en warm,
ontsteken de kaarsen, maken warmte.
Raken bloemen aan, alles wat groeit,
aaien een dier over zijn vacht,
binden een plant op die dreigt te bezwijken,
houden een dierbaar boek vast.
Heel de dag zijn de handen vol.
En 's avonds komen ze
met nieuwe geschenken:
doeken, water,
strijken kussens glad,
koesteren behoedzaam de huid en
zachte haren van een kind,
een geliefd gezicht
met vermoeide trekken.
En als het nacht is
slapen ze in het donker in
stil en warm
samen met twee andere stille en warme handen.
Gelukkige handen.
Eens zal het heerlijk zijn
om voor goed te mogen rusten.
Uit: Lykkelege hender (Gelukkige handen, 1936)
Lykkelege hender
Lykkelege hender!
Frå gjerning til gjerning som ligg og ventar
berre på dei
går dei dagen lang.
Tene ved livsens grunnkjelder får dei.
Hendene skaper brød,
deler ut føde ved dekte bord, til svoltne munnar.
Tøy glir igjennom dei, blir til klær,
klær glir igjennom dei, blir reine og glatte,
sveiper seg angande kring lemmene våre,
ligg og lyser kvitt over bord og seng.
Flekker og støv kverv under hendene,
dei vil at alt ikring dei skal skine.
Lykkelege hender -
vatn lever dei i, og tek i tre,
i jønn og i mangt slags metall,
kaldt og varmt,
kveiker lys, gjer opp varme.
Blomar får dei røre ved, og alt som skal vekse,
stryke eit dyr over pelsen,
stø opp ei plante som held på bognar,
halde vårt kring ei kosteleg bok.
Heile dagen er hendene fulle.
Og kvelden kjem til dei
med nye gåver:
klær, vatn,
puter å glatte,
eit barns fine hud og mjuke hår
å røre varleg,
eit elska andlet
med trøytte drag.
Og når natta er der
søv dei inn i mørkret
stille og varme
hos to andre stille og varme hender.
Lykkelege hender.
Ein gang skal det bli sælt
å få kvile for godt.
Bruidsbede
Och, laat me kort
mijn krans nog dragen,
scheur niet al mijn sluier,
mijn witte sluier, kapot!
Nog schitteren de lichten
en gloeien de rozen -
och liefste, laat me een uur
nog dansen in het wit!
Ja, laat me een uur
nog licht en vrolijk
van arm tot arm gaan
- ik eindig in de jouwe!
Een uur nog kun je me
jong en vrij laten zijn
deze laatste avond
nu de nacht al van jou is!
Uit: Morgonen (De ochtend, 1930)
Brurebønn
Å lat meg bere kransen
enno ei lita stund,
og riv kje enno sløret,
mitt kvite slør, i sund!
Enn strålar alle lamper bjart
og alle roser glør -
å kjære, lat meg danse enn
ein time i mitt slør!
Ja unn meg enn ein time
å førast lett og blidt
frå bryst til bryst i dansen
- eg stoggar snart ved ditt!
Ein time kan du unne meg
å vera ung og fri
av denne siste kvelden
når natta all er di!
Woorden over het hek
Jij loopt tot mijn binnenste hek
en ik loop tot aan dat van jou.
Daarbinnen is elk van ons eenzaam.
en zal dat ook altijd zijn.
Nooit verder dan tot aan het hek,
was de wet die ons tweeën gold.
Of het zelden of vaak was, dat samenzijn
gaf ons rust en vertrouwen.
En als jij er eens een dag niet zou staan
maak ik makkelijk rechtsomkeert
als ik even naar je huis heb staan kijken
en heb gedacht: daar woon jij.
Zolang ik weet dat je af en toe komt
zoals nu over het knerpende grind
blij glimlachend als je mij hier ziet staan,
heb ik een thuis in mijn huis.
Uit: I ein annan skog (In een ander bos, 1955)
Ord over grind
Du går fram til mi inste grind
og eg går òg fram til di.
Innanfor den er kvar av oss einsam,
og det skal vi alltid bli.
Aldri trenge seg lenger fram,
var lova som galdt oss to.
Anten vi møttest titt eller sjeldan
var møtet tillit og ro.
Står du der ikkje ein dag eg kjem
fell det meg lett å snu
når eg har stått litt og sett mol huset
og tenkt på at der bur du.
Så lenge eg veit du vil kome i blant
som no over knastrande grus
og smile glad når du ser meg stå her,
skal eg ha ein heim i mitt hus.
Halldis Moren Vesaas (1907-1995)
Vertaling: Janke Klok
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Wat ontroerend mooi
Dat vertaald werk zo mooi kan zijn.
Groot compliment voor Janke Klok
.
Geplaatst door: Agnes Voogt | 18-1-10 om 13:24
mooi gedaan, dochter
Geplaatst door: f.a.klok. | 19-1-10 om 15:47
Ik kan me niet voorstellen dat het in het Noors nog mooier klinkt dan in het Nederlands.
Mooi!
Hennie
Geplaatst door: Hennie | 22-1-10 om 21:35
Mooie teksten, Janke, ik kende deze dichter nog niet. Echt sterke beelden gebruikt ze, echt Scandinavisch ook, lijfelijk, natuurlijk, jouw vertaling brengt dat ook over.
Ik heb wel een vraag over het eerste gedicht. Ik ben wel beter thuis in Bokmal dan in Nytnorsk, maar heb toch de indruk dat er nogal een verschil is in het origineel en jouw tekst:
Alt på vår jord ber knuppar
og veit si fullbyrding nær,
har dette skimmeret kring seg
av venting og togn og draum.
Mij lijkt, dat daar staat:
Alles op onze aarde draagt knoppen,
en weet dat zijn voltooiing nadert,
heeft die glans om zich heen
van wachten en zwijgen en droom.
Dat maakt het nog omvattender. Zelfs de naaldbomen hebben dan nog hoop... Of mis ik iets?
Geplaatst door: roel bosch, http://roelbosch.web-log.nl/ | 24-1-10 om 17:39