Bernardo Atxaga werd in 1951 geboren als José Irzu Garmendia in Asteasu, Guipúzcoa, in Spaans Baskenland. Hij studeerde economie aan de Universiteit van Bilbao en filosofie aan de Universiteit van Barcelona. Hij behoort tot de generatie schrijvers die in plaats van in het Spaans in het Baskisch (Euskera) begonnen te publiceren. Van zijn hand verschenen gedichten, romans en kinderboeken. Zijn prijswinnende boek De zoon van de accordeonist verscheen in 1995 bij Nijgh & Van Ditmar in een vertaling van Johanna Vuyk-Bosdriesz. De hier opgenomen gedichten werden in 1997 gepubliceerd in Kruispunt nr. 172, in een vertaling van Bob de Nijs (Kees Klok).
Wintergedicht
Zo kwam er een einde aan de elfde maand, november,
met het gekrijs van wilde eenden
die naar het zuiden vertrokken.
En jij keek omhoog om te zeggen:
als ik vleugels had, zou ik er werk van maken
om nieuwe werelden te zoeken,
ik zou ook mijn tenten opslaan
op een strand vol met gele vlaggen;
misschien zou ik dan de tijd beter weten te gebruiken,
misschien zou ik dan voor altijd
de muren en de mensen van deze stad vergeten.
En denk eraan: ik heb je alleen maar gevraagd:
waarom zijn we zo ongelukkig?
Als hij nu eens een maand later gestorven was,
zou hij de sneeuw nog gezien hebben
in onze tuin.
We waren nog aan het praten
toen de sombere engelen
die hem hadden meegevoerd,
ook nog eens de namiddag hebben meegepakt.
Zo kwam er een einde aan de elfde maand, november,
met het gekrijs van de wilde eenden
die naar het zuiden vertrokken.
Negukoa
Holaxe amaitu zen hamaikagarren hilabetea, hazila:
Hegora zihoazen basa antzerren kantuarekin.
Eta jarri zinen zeruari begira, eta esan zenidan:
Hegorik banu, ni ere saiatuko nintzateke
Lur berrien bila, jasoko nuke neure kanpamendua
Bandera beilegiz seinalatutako kostan;
Hobeto egin dezan denborak bere lana,
Ahantz nadin betirako
Hiri honetako murraila eta jendeaz.
Eta oroit zaitez, nik galdera bakarra egin nizun:
Zergatik ote gara hain zorionik gabeko?
Sikira apur bat beranduago hil izan balitzaigu
Ikusiko zukeen edurra atarian pausatzen.
Eta bien bitartean, aingeru ilunak etorri,
eta eraman egin zuten arratsaldea bera ere.
Holaxe amaitu zen hamaikagarren hilabetea, hazila:
Hegora zihoazen basa antzerren kantuarekin.
Over het zand
Zand is de meest naamloze aarde,
van zand zijn de zuilen van het onparadijs.
En de lucht van planeet Aarde:
van zand,
Uranus
en ook Venus:
van zand.
Zand uitstotend trekt het hart
zand aan. Zand.
Maar niet alleen zand.
Samen met het zand ook de wezenlijke traan
en een glas vol bloed.
Tussen het zand: ook jullie, kapotte
horloges, vergeelde
brieven, lilliputachtig
woordenboek, verroest
schild uit Sparta;
Ook jullie komen.
Maar iedere avond gaat alles weer verloren
zoals jij, of zoals het licht.
Iedere avond blijft er niets anders over dan zand
onder een wreedaardige maan. Zand.
Zand is de meest naamloze aarde,
van zand zijn de zuilen van het onparadijs.
Harearena
Harea lurrik anonimoena,
Hareaz eginak desparadisoaren zutabeak.
Eta Lurra planetaren aidea ere
Hareazkoa,
Hareazkoak sateliteak,
Urano,
Venus ere,
Harearena.
Harea egotziz bihotzek,
Harea erakarriz. Harea.
Baina ez harea bakarrik.
Harearekin batera malko esentziala
Eta odol bete ontzi bat.
Eta harearen artean zuek ere, gutun
Horituak, erloju
Hautsiak,
Hiztegi liliputiarra,
Espartako eskutu herdoildua;
Ba zatozte zuek ere.
Baina arratsero galduz doa guztia,
Zu edo argia bezala;
Gauero ez da harea baino geratzen
Hargi krudelaren azpian. Harea.
Harea lurrik anonimoena,
Hareaz eginak desparadisoaren zutabeak.
De stad
De stad trekt de uitgerafelde kleren aan van de herfst;
de motregen en het roestverdriet
zijn haar linten en sluiers,
en de maan sterft
als zij in de laaghangende nevel wegvlucht als een
roodkopmerel in de warreling van de sneeuw;
en vanaf de oude brug (waar lang geleden
de Vlaamse gezanten ontscheepten),
bekijkt de krantenverkoopster de rivier
als een woordenboek met onbekende woorden;
en het licht van de proletarische keukens opent bressen
in de vestingmuren, de bedelaars stapelen karton op
dat de meeuwen wel graag hadden gewild voor hun nesten;
de treinen lijden aan geheugenverlies tegenover
het fatum van de sporen, ze vertrekken als ontheemden.
En wat verderop de stationsspots,
de dronkaards, het schreeuwerige straatvegersgeel,
en nog een brug, hoeren, aan alles komt een eind.
Naast het park kletsen taxichauffeurs over de dode bokser
die om het hoekje ging zoals de rebab en de straatzangers.
De tijd is een broos brokaat
van donkere avondschemeringen.
Herdoilarena
Herdoilaren tristeziarekin batera,
ziutate honen soinekoa udazkenetan lanbroa da;
eta bere sabaia laino baso bat,
non bizi den ilargiaren badezpadako agonia.
Eta kalatxorien habi eskaleen sakelak,
eta sukalde proletarioaren argi urdinskak
murrail erraldoiaren begi gauero;
zubi zaharrenetatik
ibaiari so berripaper saltzailea
hitz ezezagunen hiztegi bati bezala;
bus txofer batzu bozeolari hilaz mintzatzen;
apatridak bailiren trenak
memoria karrilen fatalitatean galduz;
denboraren oihal xinglea arratsezkoa soilik;
arrabita baldarren nostalgia kantoietan,
eta haruntzago moskorrak,
kale garbitzailearen beilegi bizia,
beste zubi bat, prostitutak.
© Bernardo Atxaga; vertaling: Bob de Nijs
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties