Isaac Rosenberg werd in 1890 geboren als kind van arme Russisch-joodse immigranten in Londen. Hij groeide op in het Londense East End. Hij had een uitgesproken talent voor tekenen en volgde avondlessen aan de Art School van het Birkbeck College. Vanwege het mildere klimaat en zijn wankele gezondheid vertrok hij naar Zuid-Afrika, waar hij trachtte als portretschilder aan de kost te komen. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keerde hij in 1915 terug naar Engeland, om als vrijwilliger dienst te nemen in het Britse leger. Hij publiceerde een dichtbundeltje onder de titel Youth, dat zeer gewaardeerd werd door dichters als T.S. Eliot en Ezra Pound. Ware hij niet in 1918 gesneuveld, dan was hij volgens sommige critici zeer waarschijnlijk uitgegroeid tot een van de grote dichters van de 20e eeuw. De onderstaande gedichten van Rosenberg werden vertaald door J. Eijkelboom voor de bloemlezing De War Poets, in 2002 uitgegeven door Wagner & Van Santen. (Kees Klok)
De dag breekt aan in de loopgraven
Het donker kruimelt weg -
Het is weer dezelfde oude druïde de Tijd,
alleen springt er een levend ding over mijn hand -
een rare sardonische rat -
als ik de klaproos van de borstwering pluk
om achter mijn oor te steken.
Gekke rat, ze zouden je neerschieten als ze wisten
van je cosmopolitische sympathieën
(en God mag weten welke antipathieën).
Nu je deze Engelse hand hebt aangeraakt
zul je al gauw hetzelfde doen bij een Duitse -
ongetwijfeld, als je er zin in hebt
het slapende groen tussen ons over te steken.
Het lijkt of je innerlijk grijnst als je sterke
ogen, fraaie ledematen, hooghartige atleten passeert,
met minder kans op leven dan jij,
onderhevig aan de nukken van het moorden,
liggend in het ingewand van de aarde,
de verscheurde velden van Frankrijk.
Wat zie je in onze ogen
bij het krijsende vlammende ijzer
gesmeten door stille hemels?
Welk sidderen – welk verbijsterd hart?
Klaprozen die wortelen in mensenaderen
vallen neer, verwelken zelfs;
maar de mijne in mijn oor is veilig,
alleen een beetje wit van het stof.
Break of Day in the Trenches
The darkness crumbles away -
It is the same old druid Time as ever.
Only a live thing leaps my hand -
A queer sardonic rat -
As I pull the parapet's poppy
To stick behind my ear.
Droll rat, they would shoot you if they knew
Your cosmopolitan sympathies
(And God knows what antipathies).
Now you have touched this English hand
You will do the same to a German -
Soon, no doubt, if it be your pleasure
To cross the sleeping green between.
It seems you inwardly grin as you pass
Strong eyes, fine limbs, haughty athletes
Less chanced than you for life,
Bonds to the whims of murder,
Sprawled in the bowels of the earth,
The torn fields of France.
What do you see in our eyes
At the shrieking iron flame
Hurled through still heavens?
What quaver – what heart aghast?
Poppies whose roots are in man's veins
Drop, and are ever dropping;
But mine in my ear is safe,
Just a little white with the dust.
Luizenjacht
Spiernaakt en glinsterend
gillend van schrille pret. Grijnzende
koppen en razende ledematen
wervelen over de vloer die brandt.
Vanwege een shirt dat wemelt van ongedierte
dat gindse soldaat van zijn strot afscheurde,
met vloeken waar een god voor terug zou deinzen,
maar niet de luizen.
En meteen stond het shirt in brand
boven de kaars die hij had aangestoken.
Toen sprongen we allemaal op en kleedden ons uit
om op het luizengebroed te jagen.
Meteen was het één groot gewemel
als een pantomime van duivels.
Zie de gapende silhouetten,
zie de brabbelende schaduwen
vermengd met de beproefde wapens aan de wand.
Zie gekromde reuzenvingers
die plukken aan puik vlees
om puike kleinheid te verpletteren.
Zie de vrolijke leden en verhitte Hooglanddans
omdat een luis met toverkracht
uit rust die dolle pret tevoorschijn bracht
toen onze oren al half sliepen
bij de donkere muziek die er kwam
uit de trompet van de Slaap.
Louse Hunting
Nudes, stark and glistening,
Yelling in lurid glee. Grinning faces
And raging limbs
Whirl over the floor on fire;
For a shirt verminously busy
Yon soldier tore from his throat
With oaths
Godhead might shrink at, but not the lice,
And soon the shirt was aflare
Over the candle he'd lit while we lay.
Then we all sprang up and stript
To hunt the verminous brood.
Soon like a demons' pantomime
This plunge was raging.
See the silhouettes agape,
See the gibbering shadows
Mixed with the baffled arms on the wall.
See gargantuan hooked fingers
Pluck in supreme flesh
To smutch supreme littleness.
See the merry limbs in that Highland fling
Because some wizard vermin willed
To charm from quiet this revel
When our ears were half lulled
By the dark music
Blown from Sleep's trumpet.
Augustus 1914
Wat wordt er in onze levens verbrand
in het vuur van dit gebeuren?
De goede graanschuur van het hart?
Het vele dat we gaan betreuren?
Drie levens heeft één leven -
ijzer, honing, goud.
Het goud, de honing weg -
wat blijft is hard en koud.
Van ijzer zijn onze levens
dwars door onze jeugd heen gegoten.
Verbrande strook in rijpe velden,
in mooie mond een tand gebroken.
August 1914
What in our lives is burnt
In the fire of this?
The heart's dear granary?
The much we shall miss?
Three lives hath one life -
Iron, honey, gold.
The gold, the honey gone -
Left is the hard and cold.
Iron are our lives
Molten right through our youth.
A burnt space through ripe fields
A fair mouth's broken tooth.
Isaac Rosenberg
Vertaling: J. Eijkelboom

Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
WTF
Geplaatst door: die Lorelei | 17-9-09 om 17:32