Julio Espinosa Guerra
werd in 1974 in Santiago de Chile (Chili) geboren. Hij verblijft sinds 2001 in
Spanje. Hij publiceerde de verzenbundels La soledad del encuentro
(Mosquito, 1999), Las metamorfosis de un animal sin paraíso (El árbol
espiral, 2004, Premio Villa de Leganés) en de roman El día que fue ayer
(Mago Editores, finalista del premio Herralde 2006). Gedichten van hem
verschenen in verschillende tijdschriften en bloemlezingen in Spanje, Chili,
Mexico, Guatemala en de Verenigde Staten. Hij leidt het poëzietijdschrift
Heterogénea en is verbonden aan de schrijfschool
.
INCERTIDUMBRE
Certidumbre del pájaro que muere en la carrera
hacia el infinito
del hombre haciéndose viejo para dormir
del río que no
es el mismo río
de bóvedas sin luna
de la luz que capturan los ojos en la
aurora.
Certidumbre de regiones que dan miedo
de historias que nos
persiguen
de gente sola fumando en la penumbra
de la mujer enferma
de
otro día que levantará los cuerpos
de la manzana cayendo hacia el
vacío.
Certidumbre del viajero que se marcha para volver
de la ciudad
y su locura
del vino rojo acabado entre amigos
de que hubo algún
comienzo
del caudal que avanza que llega al mar.
Certidumbre del
aullido que augura desgracia
de nuevos corderos que serán llevados al
matadero
de pasajes solitarios
de bares abiertos a la medianoche
de
niños jugando en cementerios
de no poder nombrarlo
todo.
ONZEKERHEID
Zekerheid van de vogel die sterft op weg naar het
oneindige
van de man die zich oud voordoet om te slapen
van de rivier die
niet dezelfde rivier is
van zolderingen zonder maan
van het licht dat de
ogen opvangen in de morgen.
Zekerheid van streken die angstig
maken
van geschiedenissen die ons achtervolgen
van mensen die alleen in
het schemerdonker roken
van de zieke vrouw
van de volgende dag die de
lichamen zal doen opstaan
van de appel die naar de leegte
valt.
Zekerheid van de reiziger die weggaat om terug te keren
van de
stad en haar waanzin
van de rode wijn onder vrienden opgedronken
van wat
een of ander begin had
van de watermassa die doorstroomt die de zee
bereikt.
Zekerheid van het gehuil dat onheil voorspelt
van nieuwe
lammeren die naar de slachtbank zullen geleid worden
van eenzame doodlopende
straten
van cafés die om middernacht open zijn
van kinderen die op
begraafplaatsen spelen
van niet alles te kunnen noemen.
EPITAFIO
Me
he quedado con hambre en la piel:
no alcancé a caminar esta tierra
el
polvo me negó su paraíso
y aún así intenté volar:
alcé los brazos hacia el
dios que no vive
y sonreí
mientras el barro recorría mi rostro.
(De “La soledad del encuentro”)
GRAFSCHRIFT
Met honger in mijn huid blijf
ik achter:
ik kwam er niet toe deze aarde te doorkruisen
het stof weigerde
mij zijn paradijs
en zo probeerde ik nog te vliegen:
ik stak mijn armen
omhoog naar de god die niet bestaat
en glimlachte
terwijl de modder over
mijn gezicht liep.
VOZ TERCERA
No puedo descansar en esta habitación.
Mi lecho
ya sin mujer
se presenta como la mano abierta
del verdugo
el cubo mágico del destino
que muestra sus caras a la
desdicha:
aquel viejo salón de las apuestas
que convoca a los
cuerpos
como el dios de la fecundidad.
Me atormentan los rostros que
reflejan los cristales:
mujeres corriendo hacia el sepulcro
fantasmas del
paraíso.
El dolor es una escama de hielo
atravesándome
verticalmente.
Todas las carreteras desembocan en esta
habitación
todos los caminantes se dan cita
alrededor de esta mesa
negra.
Soy esclavo de las imágenes del sueño
de la felicidad
inalcanzable que proyectan las fotografías:
un desterrado en las minas de
diamantes
que frente a sus ojos
ve la falsa destrucción de
Sodoma.
DERDE STEM
Uitrusten kan ik in deze kamer niet.
Mijn
bed
reeds zonder vrouw
ziet eruit als de open hand van de beul
de
magische kubus van het noodlot
dat aan het ongeluk zijn gezichten
toont:
dat oude salon van weddenschappen
dat gelijk de god van de
vruchtbaarheid
de lichamen samenroept.
Mij kwellen de gezichten die de
ruiten weerspiegelen
vrouwen die naar de graftombe hollen
spookbeelden van
het paradijs.
De pijn is een ijsscherf
die verticaal door mij heen
gaat.
Alle wegen monden uit in deze kamer
alle reizigers komen
bijeen
rond deze zwarte tafel.
Ik ben slaaf van de beelden uit de
droom
van het onbereikbare geluk dat foto’s uitstralen:
een balling in de
diamantmijnen
die vlak voor zijn ogen
de namaakverwoesting van Sodom
ziet.
VOZ DÉCIMA
Te veo leyendo sobre mi cama
mientras escucho cómo
caen los pelos de los gatos
sobre la alfombra del primer
piso.
Comprendo entonces
que el silencio se creó para escuchar tu
voz
y las frazadas
para que tu peso quede en ellas.
Mirándote
es
fácil pensar que algo queda tras la sombra
que las cosas siguen
ahí
intactas
aunque las cubra el olvido
y que pronto
para las
sillas
seguirás creciendo en el pasamanos de la escalera
y hasta en mi
voz
aunque mi cuerpo
sólo sea una pisada más en el
jardín.
Observando cómo hilvanas tus palabras
estoy segura de que
somos y morimos en las cosas
y que poco sirve hablar sobre humanidad y
existencia.
Algún día
sólo quedará tu tibieza en la página de un
libro
y absorbida por la madera
la tiza con que marcaste tu
nombre:
será de noche
y mis ojos verán la moneda del tiempo sobre
ellos.
No es difícil creer eso ahora
que te has quedado en
silencio
para escucharte a ti mismo
en esta habitación donde los objetos
hablan
y el polvo no mata el recuerdo
sino que lo guarda en su
profundidad
esperando que el viento lo reviva.
Pero todo no pasa de
ser una ilusión
porque sabemos que las canciones no dicen la verdad
aunque
siempre las recordemos
y que sólo los viejos que lloran con un poema
saben
de la guerra y del amor.
Mas, a pesar de eso
seguirás aquí
en ese
mismo rincón de mi cama
clavando tus ojos en otro mundo.
Es
cierto
el silencio se creó para escuchar tu voz
lo sé ahora que los gatos
se han quedado dormidos
porque todavía siento tu tibieza
tu peso
tus
palabras desmigajándose
cuando abro aquel libro
te busco
y no encuentro
nada.
TIENDE STEM
Ik zie je zitten lezen op mijn
bed
terwijl ik hoor hoe de haren van de katten
op het tapijt van de eerste
verdieping vallen.
Op dat ogenblik versta ik
dat de stilte ontstond om
naar je stem te luisteren
en wollen dekens
om je gewicht daarin na te
laten.
Als ik naar je kijk
is het makkelijk om denken dat iets achter
de schaduw zit
dat de dingen hier voortgaan
ongeschonden
hoewel
vergetelheid ze toedekt
en dat je plots
voor de stoelen
verder zal
groeien in de leuning van de trap
en zelfs in mijn stem
hoewel mijn
lichaam
alleen een stap meer in de tuin is.
Bij het aandachtig toezien
hoe jij je woorden rijgt
ben ik er zeker van dat wij leven en sterven in de
dingen
en dat praten over menselijkheid en bestaan weinig
helpt.
Ooit
blijft alleen je warmte op de bladzijde van een boek
en
door het hout verteerd
het krijt waarmee je je naam noteerde:
het zal
nacht zijn
en mijn ogen zullen de munt van de tijd boven hen zien.
Het
is niet moeilijk dat te geloven
nu je stil bent geworden
om naar jezelf te
luisteren
in deze kamer waar de voorwerpen spreken
en het stof de
herinnering niet doodt
maar ze in zijn diepte bewaart
in de hoop dat de
wind haar doet herleven.
Maar niets houdt op een illusie te zijn
want
we weten dat liederen niet de waarheid zeggen
hoewel we ze altijd
onthouden
en dat alleen oude mensen die bij een gedicht wenen
weet hebben
van oorlog en van liefde.
Maar ondanks dat
zul je hier blijven
in deze zelfde hoek van mijn
bed
met je ogen op een andere wereld gevestigd.
Het is zeker
de
stilte ontstond om naar je stem te luisteren
ik weet het nu de katten in
slaap zijn gevallen
want nog altijd voel ik je warmte
je gewicht
je
woorden die aan het verkruimelen zijn
als ik dat boek opendoe
ik zoek
je
maar vinden doe ik niets.
LA VOZ DE UN FIGURANTE
Tras las
cámaras
en el luminoso pero frío pasillo de los extras
cinematográficos
donde todos somos uno y uno, todos
-como un D’Artagnan
con alzheimer
repitiendo insidioso la triste musiquilla-
nos pasamos la
vida esperando la llamada del director de orquesta
para pasearnos por el
plató como perros sin rostro
corriendo tras el hueso de plástico con “sabor a
carne verdadera”
que nos permite vislumbrar de refilón
por cuatro
pesos
desde nuestra incómoda pero verdadera posición
del ayudante del
ayudante del ayudante del protagonista
el paraíso del éxito y la fama
y
seguir soñando
aquí abajo
en la caverna
en el pasillo
con nuestros 5
minutos
esos que no existen
esos que siempre le tocan a otro
esos que
todos los lunes nos repite nuestro jefe
serán nuestra salvación
nuestra
recompensa
por haber representado nuestro papel sin chistar
e ir al
sacrificio
con una sonrisa eterna en los labios.
DE STEM VAN EEN FIGURANT
Achter de camera’s
in de helverlichte maar koude gang van de
filmfiguranten
waar we allen men en iemand zijn, allen
- zoals een
D’Artagnan met Alzheimer
die verraderlijk het trieste deuntje herhaalt
-
brengen wij ons leven door al wachtend op het telefoontje van de
orkestdirigent
om over het plateau te wandelen gelijk honden zonder
gezicht
aan het hollen achter het plasticbeen met “natuurlijke
vleessmaak”
dat ons zou toelaten om voor vier pesos
vanuit ons
ongemakkelijke maar heuse standpunt
van de assistent van de assistent van de
assistent van de protagonist
zijdelings een blik op te vangen van
het
paradijs van het succes en de roem
en om verder te dromen
hier
beneden
in de spelonk
in de gang
over onze 5 minuten
degene die niet
bestaan
degene die altijd aan anderen toevallen
degene waarvan de baas
elke maandag ons herhaalt
dat ze onze redding zullen zijn
onze
beloning
om zonder tegensputteren onze rol te hebben gespeeld
en om met
een eeuwige glimlach op de lippen
naar de offerbank te
gaan.
EPÍLOGO
- y se dieron cuenta de que estaban desnudos
-
¿Has visto a los ancianos en las plazas de Lisboa?
¿Has
escuchado el murmullo que guardan sus huesos
y la luz en las opacas aguas del
Tajo
que ya no se distingue de sus frentes?
¿Puedes comprender que
cada piedra de sus veredas
y cada miga tirada a las palomas
no son ni sus
piedras ni sus migas
sino cada uno de los sueños
que cada uno de sus
muertos
regaló a la ciudad?
¿Sientes lo que yo
cuando uno de ellos
abre su mano
y deja caer una estela de luz
a pesar del hambre?
¿Te
has atrevido a observar sus ojos
aquellos por los que pasan las
gaviotas
trayendo y llevando a las almas
de un lado al otro del gran
río?
¿Has despertado
sintiendo la necesidad
de ir a tirar
migas
y contar las piedras
en las plazas de Lisboa?
(De “Las metamorfosis de un animal sin paraíso”)
EPILOOG
- En ze gaven er zich rekenschap van dat ze naakt waren -
Heb je de bejaarden gezien op de pleinen van Lissabon?
Heb je het murmelen gehoord dat hun botten
bewaren
en het licht in het ondoorzichtige water van de Taag
dat je niet
meer van hun voorhoofden onderscheidt?
Kun je begrijpen dat elke steen
van hun voetpaden
en elke kruimel die ze voor de duiven strooiden
niet hun
steentjes en niet hun kruimels zijn
maar elk van de dromen
die elk van hun
doden
aan de stad cadeau gaf?
Voel je wat ik voel
als één van hen
zijn hand opent
en een lichtbaan laat neerstromen
ondanks zijn
honger?
Heb je hun ogen durven bekijken
degene waarin de meeuwen
voorbijtrekken
die de zielen opnemen en meevoeren
van de ene naar de
andere kant van de grote rivier?
Ben je wakker geworden
met het gevoel
dat het nodig is
om kruimels te gaan strooien
en de stenen te tellen
op
de pleinen van Lissabon?
Deze verzen van Julio Espinosa Guerra zijn vertaald door Fa Claes.
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties