Colofon

Onder redactie van Chrétien Breukers en Ton van 't Hof. Vaste medewerkers: Fa Claes en Kees Klok. Reacties onder eigen naam of dichterspseudoniem zijn zeer welkom. Anonieme of niet ter zake doende reacties worden verwijderd.

Elders

Pageviews



Sinds 21 augustus 2005

Vertaalde poëzie

11-5-08

Marcelo Rioseco

Marcelo Rioseco werd in 1967 in Concepción (Chili) geboren. Hij is ingenieur. Aan de Universidad del Bío-Bío stond hij aan het hoofd van de Afdeling Extensión. Werkte actief mee aan het  televisieprogramma La belleza de pensar waarin meer dan 150 Zuid-Amerikaanse auteurs en intellectuelen werden geïnterviewd. Bekend zijn van hem de dichtbundel Ludovicos o la aristocracia del universo (Premio de Poesía Revista de Libros del diario El Mercurio, 1994), de verhalenbundel El cazador y otros relatos en - in samenwerking met de Chileense dichter Armando Roa Vial - de vertaalbundel THIS BE THE VERSE. 25 poetas de habla inglesa (2002). Werk van hem verscheen in verschillende publicaties en tijdschriften. Hij woont sinds 2007 in Pittsburgh, Pennsylvania, USA.


GROET AAN DE LEGENDE VAN MORGEN

Ludovicus
energie van bijeengevoegde kraters
stormwind en ijzerelement van oorlog
voor je figuur projecteert het licht zijn lot en zwicht het wonder
niemand kan zich vijand noemen van je muziek
je werd ontzaglijk geboren
en nog ontzaglijker zul je moeten sterven
omdat in je longen alle zuurstof van de wereld gaat
en aan je hart komt de meerring van de ultieme impuls toe

Je bent gelijk aan oceanen van hese stem
aan bossen en hun aroma’s van trotse bomen
aan ganse rivieren, archipels
schiereiland of vulkanische rots
je gelijkt op alles wat leeft
alsof je hart een bijzonder atoom verdicht

En ik steek mijn hand naar je uit en groet je oude bedevaartgang
ik drink op je onstandvastigheid
ik zegen de onverantwoordelijkheid die je zoveel schoonheid heeft geschonken
ik verklaar je tot substantie van het wonderbaarlijke
materie en smeltkroes van de parallelle poëzie
Welke eeuwige onrust staat je bij
gelijk het groeien van het korstmos of scholen vissen zonder rust
die gelijken op kudden buffels in razende draf
ik kijk toe op het halsstarrige levensrad
maak de buik van de zaden open
op weg naar sterren en van daaruit naar het oneindige

Welk belang heeft het dat de blinde mens de drang om
boven alle realiteit te staan niet begrijpt
Ik stem in met je sprong met open vleugel
en dat is meer dan het inzicht
Ik knoop me vast aan de kruisen van de kathedralen
en gelijk een goddelijk element
rijs je aan alle kanten op om me mee te voeren

Oh! Ludovicus
monnik-soldaat van de toekomst
zoon van de aarde en zijn eigen tegenstrijdige zwerver
de blik van je ogen doorbreekt de hindernis
en luchtig als niet één
knoopt eeuwige arenden aan je oogleden
Wat kun je doen tenzij je kwellen met de dwazen
Ludovicus
ik ken deze engel die aan de schitterende donder verbonden is
kolos
vijand van ankers en hun gewicht aan stille dood
Ik ken het eenzame hart dat niet ophoudt te vechten

Ik drink op je gezondheid, mystieke kameraad
Aan alle kanten verschijnen onverwachten uit jou
het zwaard blinkt
Nooit een wapenstilstand, een overgave
dat noem ik gekkenwerk, loszinnigheid, wandaad
en uit mijn standpunt van bevoordeeld toeschouwer
applaudisseer ik, applaudisseer ik
zo leeft de geëxalteerde geest
gelijkend op het woeste veulen met de onvaste
bliksem
en zelfs zo, blootgesteld aan vorstelijke stormen
met dromen binnen handbereik
bevat zijn sterrenarchitectuur de magneet van de wereld
levend en meer levend
met ontploffingen in de borst
historisch en absoluut
gericht naar de toekomst van het licht
Zo, Ludovicus
Zo voor altijd


SALUDO A LA LEYENDA DEL MAÑANA

Ludovicos
energía de cráteres concentrados
vendaval y férreo elemento de guerra
A tu figura la luz proyecta su destino y cede el milagro
no hay quien pueda declararse enemigo de tu música
naciste inmenso
y más inmenso habrás de morir
porque en tus pulmones entra todo el oxígeno del mundo
y a tu corazón corresponde la argolla del impulso último

Eres igual a océanos de ronca voz
a bosques y sus perfumes de árboles orgullosos
a ríos enteros, archipiélagos
península o roca volcánica
te pareces a todo lo que vive
como si tu corazón concentrara un átomo especial

Yo tiendo mi mano hacia ti y saludo tu viejo peregrinar
brindo por tu inconstancia
bendigo la irresponsabilidad que te ha dado tanta belleza
te proclamo la sustancia de lo maravilloso
materia y crisol de la poesía paralela
Qué perpetua inquietud te asiste
como el crecimiento del liquen o cardúmenes sin sosiego
semejante a manadas de búfalos en trote furioso
te observo en la rueda obstinada de la vida
abriéndole el vientre a las semillas
yendo por estrellas y desde allí al infinito

Qué puede importar si el hombre ciego no comprende
el deseo de estar por sobre toda realidad
Yo me adhiero a tu salto de ala abierta
y eso es más que el entendimiento
Me anudo a las cruces de las catedrales
e igual a un elemento divino
desde todas partes surges llevándome

¡Ah! Ludovicos
monje guerrero del porvenir
hijo de la tierra y su propio vagabundo contradictorio
la mirada de tus ojos traspasa el obstáculo
y aérea como ninguna
anuda águilas eternas a tus párpados
Qué puedes hacer sino atormentarte con los necios
Ludovicos
sé ese ángel aliado al trueno resplandeciente
coloso
enemigo de las anclas y su peso de muerte silenciosa
Sé el solitario corazón que no cesa de luchar

Yo bebo a tu salud, camarada místico
Por todas partes te salen imprevistos
brilla la espada
Nunca un armisticio, una rendición
a eso llamo locura, insensatez, desmán
y desde mi posición de espectador favorecido
aplaudo, aplaudo
así vive el espíritu exaltado
similar al potro embravecido con el relámpago
vacilante
y aún así, arrojado a regias tormentas
con sueños al alcance de la mano
su arquitectura estelar comprende el imán del mundo
vivo y más vivo
con explosiones en el pecho
histórico y absoluto
vuelto hacia el porvenir de la luz
Así, Ludovicos
Así por siempre.


LUDOVICUS
ARCHITECT VAN DE ONDERGRONDSE BEDDINGEN

Zoals de engelen spreek ik uitsluitend in verzen
de woorden komen tot me
op dezelfde wijze als uitgestrekte vlakten over de blik
ieder gedicht explodeert in mijn handen vóór het ontstaat
en laat me dan duizend verliefde zonnen na
die mijn ogen dopen met sterrenlicht

Ik ben deze en gene en die andere
de lanterfanter van alle mooie middagen
Ik kom voort uit de zeestroom die het natuurlijke koestert

Welke kleur zou een valscherm moeten hebben
om uit de hemel te springen
bij het uitdelen van kamperfoelie aan de dromerige vogels?
Hoe heet de komeet die de honingvrouwen doet wenen
wanneer hij het firmament doorkruist al schrijvend
“zul je me ooit beminnen?”

Kus me
ik heb zo naar je liefdeskussen gewacht
Ik sterf en voel de dood in mij
Mijn gezicht is veranderd in de spiegel van het universum
Op zonnige januarimiddagen
komen  zwaluwen van mijn schouders drinken
De boeren konden niet op tegen mijn zwaard van pluimen
mijn vijanden waren afgunstig op het dynamiet van mijn gedachten
Al mijn kameraden zijn dood of gaan geboren worden

Ik was de architect van de ondergrondse beddingen
de tekenaar van de morgen

Het kruis van de tijd weerklinkt nog edelmoedig
ik sta niet toe dat de dood hymnen van droefheid aanheft
en lagunes zonder bodem
dode vissen
een leegte van afgrond en zwart haar

Kom als je mijn dorstige werveling kunt verdragen
kom als je het gewicht van mijn geschiedenis kunt torsen

Hier op de laatste trede van de hemel
vraag ik me af
hoe ik door de wereld kan gaan terwijl ik vlinders
betover
en met suikeren woorden de planeten een naam geef

Ik houd van de tegenstelling als van mezelf

Alleen een dichter kun je beschuldigen
van honderd terzelfder tijd uitgevoerde tegenstrijdige handelingen

Ik loop door de wereld door elkaar geschud door een magische razernij
mijn bewijzen willen de wereld verleiden
noem mijn stem
goochelaar van de verrukte regenboog
ontdekker van de nectar van avondschemering in de lente

Je moet alleen geloven in het licht
Schoonheid is een persoonlijke aangelegenheid.


LUDOVICOS
ARQUITECTO DE LOS CAUCES SUBTERRÁNEOS

Como los ángeles sólo hablo en versos
las palabras me vienen
igual a llanuras extendidas sobre la mirada
cada poema me explota en las manos antes de nacer
dejándome mil soles enamorados
que bautizan mis ojos con luces de estrellas

Soy éste y aquel y ese otro
el holgazán de todas las tardes hermosas
Provengo de la corriente marítima que anida lo natural

¿De qué color sería necesario un paracaídas
para lanzarse desde el cielo
repartiendo madreselvas a los pájaros soñadores?
¿Cómo se llama el cometa que hace llorar a las mujeres de miel
cuando cruza el firmamento escribiendo
“me amarás algún día”?

Bésame
he aguardado tanto tus besos de amor
Yo muero y en mí siento la muerte
Mi rostro se ha transformado en el espejo del universo
En las tardes asoleadas de enero
las golondrinas vienen a beber de mis hombros
Los villanos no pudieron contra mi espada de plumas
mis enemigos envidiaron la dinamita de mis pensamientos
Todos mis camaradas están muertos o van a nacer

Fui el arquitecto de los cauces subterráneos
el dibujante de la mañana

La cruz del tiempo resuena generosa aún
no permito que la muerte entone himnos de tristeza
y lagunas sin fondo
peces muertos
un vacío de abismo y negra cabellera

Ven si puedes cargar mi remolino sediento
ven si puedes llevar el peso de mi historia

Aquí en el último peldaño del cielo
me pregunto
cómo puedo ir por el mundo embrujando mariposas
nombrando a los planetas con palabras de azúcar

Amo a la contradicción como a mí mismo

Sólo a un poeta se le puede culpar
de cien actos contradictorios ejecutados simultáneamente

Ando por el mundo sacudido por un mágico frenesí
mis pruebas quieren seducir al mundo
llama a mi voz
prestidigitador del arco iris encantado
descubridor del néctar de atardeceres primaverales

No hay que creer sino en la luz
La belleza es un asunto particular.


LUDOVICUS
INGEWIJDE IN DE ASTRONAUTICA VAN HET ONZICHTBARE
(Fragmenten)

Nu
aanwezig en voor het leven
in deze show met een enkel lichtend en convergerend punt
vindt Ludovicus de vergelijking van het toeval
vertaalt haar
plaatst zijn oog in het oog van het universum
en beide zoenen elkaar met het onomkeerbaar besef van het mysterie

Ludovicus in volmaakte meditatiehouding
opent zijn lichtend oog en het hele universum gaat er doorheen
een enkele trilling, een enkele klank
dan verschijnt de onafgebroken geheime zeegang

Ik zie een diepe omloop van zeevogel
het regent munten van doorzichtige en nog fluviatiele suiker
de tijd smelt tot hendeltjes van bloembladen
lente, liefde, alle sporen
gebeuren hier tussen het loof van open blaren
boven de woestijn en de holten van de stenen
draagt de beschonken atlas vlechten van duizendjarige druif
aan de wereldsokkel bevestigd

Alle beelden zijn één beeld
ik kan hier zijn en ginder
en nergens mijn gelaat herkennen
Ik leef in door de tijd geteisterde steen
in de schors van de duizendjarige boom ben ik zelfs meer mens
atoom, evolutie, licht, energievelden
ik richt me tot het zwervende dier
tot de vogels en hun verborgen nesten
ik ben het en in mij krijgen de dingen zin
O, wereldgenie, schoonheid
ieder ding omstrengelt de liefde van het universum en vliegt
en zo wordt het luchtig en dromerig
heerser over de oncontroleerbare hoogte van het enige
De materie ontbinden!

Ludovicus voelt de overeenkomst met ieder geschapen wezen aan
zijn visioenen zijn een vlammende stip:

Ik zie honingeieren

spiegels van gesmolten ogen in een schitterende straling
koraal van papavers
blinde haaien die zich voortslepen over de zanderige grond van de stranden
In de ongeschonden letter trilt het woord
frequentie van het absolute, een enkele uiting, zuiverheid
Het visioen verbrokkelt
dan zie ik de herfstblaas van de Atlantische walvis
en tot mijn verbijstering komt zwarte droefheid opzetten
een wriemelende toast van een bijenkoningin.


LUDOVICOS
INICIADO EN LA ASTRONAUTICA DE LO INVISIBLE
(Fragmentos)

Ahora
presente e inamovible
en el espectáculo de un solo punto luminoso y convergente
Ludovicos encuentra la ecuación del azar
la traduce
coloca su ojo en el ojo del universo
y ambos se besan en la comprensión irreversible del misterio

Ludovicos en posición de meditación perfecta
abre su ojo luminoso y por él pasa el universo todo
una sola vibración, un solo sonido
aparece entonces la continua marejada secreta

Veo una órbita de ave marítima y profunda
llueven monedas de azúcar transparente y fluvial aun
el tiempo se derrite en manecillas de pétalos
primavera, amor, todos los rastros
suceden aquí entre follajes de hojas abiertas
sobre el desierto y las oquedades de las piedras
trenzas de uva milenaria sujetas al pedestal del mundo
carga el atlas borracho
Veo al hijo irrespetuoso del crepúsculo
trazando los perfiles de una ciencia secreta

Una imagen son todas las imágenes
puedo estar aquí y allá
y en ninguna parte reconocer mi rostro
Vivo en la piedra azotada por el tiempo
en la corteza del árbol milenario ya soy más hombre
átomo, evolución, luz, campos de energía
me dirijo al animal errante
a las aves y sus nidos ocultos
soy yo y en mí las cosas adquieren sentido
Oh, genio del mundo, belleza
cada cosa se enlaza al amor del universo y vuela
y así se es aéreo y soñador
dueño de la altura incontrolable de lo único
¡Disolver la materia!

Ludovicos intuye el acuerdo de todo ser creado
sus visiones son un punto llameante:

Veo huevos de miel

espejos de ojos derretidos en un fulgor espléndido
coral de amapolas
tiburones ciegos arrastrándose en el arenal de las playas
En la letra incólume vibra la palabra
frecuencia de lo absoluto, una sola manifestación, pureza
La visión se fragmenta
entonces veo la vejiga otoñal de la ballena atlántica
y acuden a mi estupor tristezas negras
un hormigueante brindis de abeja reina.


Marcelo Rioseco
Vertaling Fa Claes

20-4-08

Leo Lobos

Leo Lobos

Leo Lobos (Santiago de Chile, 1966) is dichter, vertaler en visueel kunstenaar. Hij studeerde Spaans, filosofie, bibliotheekwezen en communicatie. Zijn bekendste werken zijn: Cartas de más abajo (1992), +Poesía (1995), Ángeles eléctricos (1997), Nueva York en un poeta (2000), Marnay (2003), Devagar (2003), Turbosílabas. Poesía Reunida (1986-2003), en Un sin nombre (2006). Hij is activist voor de mensenrechten en het milieu en is lid van de CODEJU (Comisión Chilena Pro-Derechos Juveniles). Hij vertaalde en illustreerde werk van Braziliaanse auteurs, onder andere Roberto Piva, Claudio Willer, Helena Ortiz, Tarso de Melo, Tanussi Cardoso, Hilda Hilst en Claudio Aguiar. In 2006 was hij co-producer van de documentaire HILDA HILST. Casa do sol Viva in DVD-formaat, samen met de Braziliaanse dichteres Cristiane Grando. (Fa Claes)

"op onontwarbare manier
gaan in de poëzie
inspiratie en berekening samen"

Octavio Paz

"En ik zing en ik zing”
Vinicius de Moraes

POËZIE

ik zal toelaten dat in mij
het ritme sterft
het gebaar
de stem
dit nieuwe mysterie
deze scherpe hekserij
bestaan
meer, meer en meer
redeloosheid om te schrijven

ik zal toelaten dat in mij
deze aanwezigheid sterft
de zee, de hemel die ik ken
de wind met zijn vogels
deze stenen toren
dit veld met witte wolken
die zich uitstrekken
onder
de vlucht
van een eenzaam voorrecht


"en la poesía se combinan,
de manera inextricable,
la inspiración y el cálculo"

Octavio Paz

"E cantei e cantei"
Vinicius de Moraes

POESÍA

dejaré que muera en mí
el ritmo
el gesto
la voz
este nuevo misterio
este agudo sortilegio
existencia
más, más y más
sinrazón para escribir

dejaré que muera en mí
esta presencia
el mar, el cielo que conozco
el viento con sus aves
esta torre de piedra
este campo de nubes blancas
que se extienden
bajo
el vuelo
de un solitario privilegio


VINGERSCHRIFT OP DE PLAYA DEL FRANCÉS GEVONDEN

Op zoek naar toeristen om het vitale verlies te overleven
leren de kinderen op de Playa del Francés
ver van school
nieuwe talen en gewoontes

twee, drie, vijf kwartjes moeten ze meebrengen
naar hun vaderzonen als een dagelijkse
bijdrage voor het middagmaal

dan

gaan en komen ze door het zand
zoals allen, ze worden nat en lachen
onder rondtrekkende venters
en blinde badgasten die ons begeleiden en leiden

ze zijn

reddingsplanken

in
deze
onze
eigen
schipbreuk


DIGITOSCRITO ENCONTRADO EN LA PLAYA DEL FRANCÉS

en busca de turistas para sobrevivir a la pérdida vital
los niños de la playa del francés alejados de la escuela
aprenden
idiomas y costumbres nuevas

dos, tres, cinco reales deben llevar
a sus padres-hijos como una cuota
diaria para el almuerzo

entonces

van y vienen en la arena
como todos, se mojan y ríen
entre vendedores ambulantes
y bañistas ciegos nos acompañan y guían

son

tablas de salvación

en
éste
nuestro
propio
naufragio


"Het leven is bruggen bouwen over stromen die voorbijgaan"
Gottfried Benn

EXCUUS VOOR EEN IRREËEL SCHAAP

vergeef me schaap
maar de woorden
verhuizen
een voor een
naar het grote boek

ook sterven ze zoals
wij
beetje bij beetje
zoals de mens
die je onzichtbare wol knipt
en die onvermoeibaar elke nacht weeft
om
zijn
fantasieën
te koesteren


"La vida es construir puentes sobre corrientes, que pasan"
Gottfried Benn

DISCULPA PARA UNA OVEJA IRREAL

perdóname oveja
pero las palabras
transmigran
una a una
al gran libro

mueren como nosotros
también
gota a gota
como el hombre
que corta tu lana invisible
y que cada noche teje incansablemente
para
abrigar
sus
fantasías


WOORDEN VAN VERSCHILLENDE KUDDEN

eerst
verloor hij het woord hand
de landkaart
de richting
de wind
daarna verloor hij het zwart en het rood
het blauw, het groen
het geel
de wolken van as
en al de tijd van de wereld
woorden
van verschillende kudden
kwamen elkaar tegen
bij deze zonnestand
in
het
midden
van
een
heldere
nevel

voor hem was
alles een
buitenlandse stad


PALABRAS DE REBAÑOS DIFERENTES

primero
perdió la palabra mano
el mapa
la dirección
el viento
luego perdió el negro y el rojo
el azul, el verde
el amarillo
las nubes de ceniza
y todo el tiempo del mundo
palabras
de rebaños diferentes
se encontraban
a esa altura del sol
en
el
centro
de
una
niebla
luminosa

para él todo
era ciudad
extranjera


DRIE VROUWEN, EEN PIANO, EEN KAT EN EEN STORM

voor Alexandra Keim

Het is moeilijk om een vogel te zijn
en tegen de storm in over het litteken
van de Aarde te vliegen
beter is het om als een kat altijd
bedacht te zijn op de gloeiende kolen
dicht bij de schouw
en om te luisteren
altijd bedachtzaam te luisteren
naar drie verschillende talen die
een taal spreken die terzelfder tijd boeiend
terzelfder tijd mysterieus en gekend is
om te horen en te lopen in hun muziek
in hun klaartes en eigen
en universele schaduwen
om te fotograferen
slechts gedurende een seconde
met de blik hun profielen te fotograferen
indien mogelijk
te drijven
binnen
in de kamer
gelijk
een vogel
in
de
storm


TRES MUJERES, UN PIANO, UN GATO,
Y UNA TORMENTA

a Alexandra Keim

Es difícil ser un pájaro
y volar contra la tormenta sobre
la cicatriz de la Tierra
mejor es como un gato estar
siempre atento a las brasas
cerca de la chimenea
y escuchar
siempre atento escuchar
a tres lenguas diferentes hablar
un idioma a la vez fascinante
a la vez misterioso y conocido
oír e ir en su música
en sus luces y propias
y universales sombras
fotografiar
por tan solo un segundo
fotografiar con la mirada sus perfiles
de ser posible
flotar
dentro
de la sala
como
un pájaro
en
la
tormenta


EEN BEZOEK AAN HET ZOÖLOGISCHE SPOOK

"Vrij van ziekte zelfs midden in de ziekte"
Yagyu Munenori

Ik heb zoveel hondenpoep gezien
in de straten van Parijs dat ik voorzichtig
moet lopen in de nacht
het is me dan alsof ik spoken
van jongens en meisjes meen te horen
lachen in de rij voor de ingang van
de zoo die hier voor hen oprijst:
een stoet witte olifanten steekt
het plein van het Louvre over terwijl ze
de draak steken met kunstwerken en overblijfselen
van buitenaardse archeologieën, giraffen
rennen over de Champs-Elysées die
de kerstverlichting opeten die aan de bomen
groeit, walvissen, dolfijnen,
wilde eenden zwemmen op de Seine
en slikken verrast toeristen binnen
die flashes ontsteken in hun neusgaten
leeuwen copuleren hongerig
over de daken gelijk kristallen
relikwieën van een ophanden zijnde stad...
Dronken nijlpaarden komen klem te zitten in haar
kronkelige straten, in haar triomfbogen,
in haar beroemde toren...
Verwarde galerijhouders
rennen achter vrijlopende carrousel-
paarden die in hun flank een gouden ster
dragen gegraveerd...
Zwermen tropische vogels bedekken de maan
met plasticpluimen die
modieus geklede beren wegblazen
met nucleaire ventilators vanaf
wereldbollen die afwisselend omhoog-
en omlaaggaan langs onzichtbare trappen
die blinde arenden meebrengen
vanaf Notre Dame...

Wolkenklokken beladen met
menselijke parfums regenen
aan het einde van de nacht
over de zoo van bloed en
in de ogen van een kat wordt alles
wijselijk
zonlicht
en Parijs
Parijs
is
een ander ding.


UNA VISITA AL ZOOLÓGICO FANTASMA

"Libre de la enfermedad aun en medio de la enfermedad"
Yagyu Munenori

He visto tanta mierda de perro
en las calles de París que debo
caminar con cuidado en la noche
es cuando me parece entonces
escuchar a niños y niñas fantasmas
reír en la fila a la entrada del
zoológico que para ellos aquí se levanta:
un desfile de elefantes blancos cruza
la plaza del Louvre haciendo
malabares con obras de arte y restos
de arqueologías extraterrestres, jirafas
corren por los Campos Elíseos comiendo
las luces navideñas que crecen en
sus árboles, ballenas, delfines,
patos salvajes nadan por el Sena
tragando turistas desprevenidos
que encienden flashes en sus narices
leones copulan hambrientos
sobre los tejados como reliquias
de cristal de una ciudad inminente...
Hipopótamos ebrios se atascan en sus
calles serpenteantes, en sus arcos triunfales,
en su torre famosa...
Galeristas confusos
corren tras caballos libres de
carrusel que llevan grabada una estrella
de oro en su flanco...
Bandadas de aves tropicales cubren la luna
de plumas de plástico que
osos vestidos a la moda soplan
con ventiladores nucleares desde
globos que intermitentes suben
y bajan por escaleras invisibles
que águilas ciegas traen
desde Notre Dame...

Campanas-nubes cargadas de
perfumes humanos llueven
al final de esta noche sobre
el zoológico de plasma y todo
vuelve en los ojos de un gato
sabiamente
a ser luz solar
y París
París
es
otro día.


Leo Lobos
Vertaling Fa Claes

13-4-08

Michalis Pasiardis

De Cypriotische dichter Michalis Pasiardis (1941) werd geboren in Tseri. Hij maakte culturele programma’s voor de Cypriotische radio en publiceerde zestien dichtbundels, waarvan de eerste, Piïmata in 1962 uitkwam. Zijn recentste bundel, Tetrasticha, verscheen in 1999. De gedichten 'Vermist' en 'Het voorjaar' komen uit O dromos tis piïsis B’ (1976). 'Lidrastraat' werd gekozen uit Pente kykli (1981). Voor zijn bundels Dia-stásis (1972) en Párodos (1983) ontving hij de Cypriotische Staatsprijs voor poëzie. (Kees Klok)


  Lidrastraat

           I

Lidrastraat
lange straat
eenrichtingstraat
die nergens heen leidt
of
beter

naar de groene lijn.

           II

Ik zal deze straat nemen
die nergens heen
leidt
of
die andere tijden

doet terugkeren!

           III

Straat
met je oude
demonstraties
de moorden
in je zijstraten

de vrijheid
waarover we alleen maar lazen
in de kranten.

           IV

Deze straat
die zich heeft opgerold
als een slang

en ons giftig
in de hiel
beet.

           V (1963)

Mijn oude mitraillist
in de
Lidrastraat

die rende om op tijd te zijn

waarvoor?

           VI

De groene lijn
doorsnijdt je
de groene lijn
verwondt je;

en het gescheurde
overhemd
van de gesneuvelde landgenoot.

           VII

Nu delen meisjes
water rond
aan wie geen dorst hebben

nu delen ze
glimlachen uit
aan wie onverschillig
voorbijlopen.


  Vermist

Dromen blijven dromen,
maar jij niet,
in de hoek hangt nog steeds je warmte,
voor de spiegel ligt nog je kam
met een pluk van je haar,
onze deur wacht ’s middags
op jouw schaduw die verkoeling zoekt,
ik heb, als altijd, het eten klaar
en het raam voor je openstaan.
Dromen blijven dromen,
maar jij niet,
daarom schrik ik ’s nachts wakker en huil
omdat jij in de droom voorkomt
en ik je niet kan vinden.

Daarom schrik ik ’s nachts wakker en huil...

(Dat zei de vrouw in haar monoloog;
een meisje van tweeëntwintig dat dag en nacht
wacht op de terugkeer van haar man.)


  Het voorjaar

Het voorjaar - dat opfladderde in de droom
en in het water tot bloei kwam
zoals een bloem in een vaas.
Het voorjaar - met zijn zwarte wortels
in de grond van onze vaderen.


Michalis Pasiardis
Vertaling: Stella Timonidou & Kees Klok

6-4-08

Charis Vlavianós

Vlavianos

De Griekse dichter Charis Vlavianós (Rome, 1957) is hoofdredacteur van het toonaangevende literaire tijdschrift Poiisi. Hij studeerde economie en filosofie te Bristol en politieke wetenschappen en geschiedenis in Oxford, waar hij ook promoveerde. Hij was in 2000 te gast op Poetry International in Rotterdam. Naast dichter is hij vertaler van onder andere Walt Whitman, John Ashberry en Zbigniew Herbert. Onlangs verscheen bij uitgeverij Ta Grammata in Groningen Na het einde van de schoonheid, een uitgebreide keuze uit zijn poëzie, vertaald en ingeleid door Hero Hokwerda. De onderstaande gedichten zijn afkomstig uit deze publicatie. (Kees Klok)


        BIECHT

De dood
vliegt laag over haar bed.
Zelf kan ze hem niet meer zien.
Maar de vrouw die haar bijstaat ziet hem
en slaat haar ogen neer.
Ze zijn alleen in de kamer.

De vrouw buigt zich over het gezicht,
om de adem te voelen, zich te vergewissen.
Met een vers watje
bevochtigt ze telkens de bleke lippen.

Alles is voorbij.
Maar de vrouw blijft
- zolang ze nog niet weg hoeft
van de drukbezette verpleegsters -
haar hun geliefde sprookje vertellen
(over het knappe meisje enz.
dat na jarenlange omzwervingen enz.
ten slotte beland is in de krachtige omhelzing enz. enz.),
ze blijft,
met weglating- het is ook al over middernacht, trouwens –
van alle vreselijke episodes
(maar die wel een zekere zin verlenen
aan de wanhopige smeekbeden van de heldin),
ze blijft
met dezelfde vaste, lieve stem
haar in het oor fluisteren
(hoe vaak eigenlijk nog?)
het enige verhaal dat ze kent,
het enige verhaal dat ze kan vertellen;

als een moeder die haar kleine dochter in slaap probeert te sussen
- haar kleine dode moeder.


        ROOD/ZWART

Ik ben het kind
dat thuis in de keuken
zijn ouders ruzie ziet maken,
hoe de vader de moeder een klap geeft
en de moeder de watermeloen van het marmeren aanrecht grijpt
en met kracht op de grond smijt,
en hoe die in tweeën splijt
en het sap over de witte tegeltjes loopt.

Ik ben de man
die terugdenkt aan die hete augustusdag,
terugdenkt aan de blik van de moeder
op het ogenblik dat de vader zijn hand hief,
terugdenkt aan haar rood aangelopen gezicht,
de plof, het gesnik, het geschreeuw, het gedreig,
die terugdenkt en - met het potlood van het kind
dat geen weet had, geen weet zou kunnen hebben
van het goedkope melodrama waarin het weldra
de hoofdrol zou spelen - schrijft:

            Bolronde Boeddha
            in lotuszit op tafel.
            Bolronde Boeddha
            in stukken op de grond.
            Ik eet de glimlach op,
            en spuug de tanden uit.


        FIN DE SIÈCLE, MAL DE SIÈCLE

                                    Alle dichters zijn joden
                                    Marina Tsvetajeva, 'Gedicht van het einde'

'Ik ben te jong geboren
in een wereld die al oud was,'
schrijf ik op mijn beurt
terwijl ook ik afscheid neem
van mijn eigen verlamde eeuw
die zich nu ten einde sleept.
Onder haar barbaarse Pompeji's
(Theresienstadt, Treblinka, Timisoara),
naast de verbrijzelde schedels van andersgezinden,
liggen de hoge filosofenladders begraven,
de zonnige dichterwroegingen.

Ik weet dat het lichaam ongeduldig is,
dat het brein tevergeefs tracht
te ontsnappen uit dit kleurloos,
ondeelbaar heden.
Dat de hete tranen der poésie
opdrogen voor ze zich goed en wel hebben gevormd.

                    Maar ik heb liefgehad,
ben liefgehad.

Bij me heb ik jullie,
de lichtende gezichten van mijn leven.
Ik heb geen behoefte aan meer melodramatische stappen,
vriendschapseden,
loopgraafbekentenissen.
Vanaf dit vaste punt
dat ik tot standpunt verkozen heb,
zal ik zien hoe de nieuwe messlassen ten hemel stijgen,
hoe het duister om mij heen zich verdicht.


        TATE GALLERY

                                onder de waakzame blik van R.W.

De trouwe wachter van de kunst
(Indiër uit Bombay,
thans inwoner van Oost-Londen,
die terugverlangt naar de Iron Lady
‘want sorry hoor, maar het land gaat naar de bliksem’)
kijkt vol trots
naar zijn nieuwe witte plastic stappers.
Nu zal hij vrijelijk
de hele dag toezicht kunnen houden
in de grote zaal van de Iste verdieping
zonder haar ook maar enigszins tot last te zijn,
de broze balletdanseres van Monsieur Degas
die op dit ogenblik
een moeilijke pirouette inzet
op zijn strak gewonden tulband.

Voilà!
En dan te bedenken
dat de grote leermeester
(wat hij al niet gedaan heeft voor het gilde
en voor de arme Toulouse),
die vereerder van het vrouwelijk lichaam
dat hij als geen ander bezong,
eens een zeldzame El Greco
gekocht had
- niet (gelukkig niet) de Heilige Petrus -
en daar zijn hele leven geen afstand van deed.
Ja zelfs, zoals zijn nauwste vrienden getuigen,
had hij hem altijd naast zijn smeedijzeren bed
tegen de wand staan,
en wanneer hij ging slapen
koos hij die uit - pas autre! -
om zijn dure broeken overheen te hangen.


        CARNAVALSMAANDAG

Het huidig ogenblik
                                 afgesneden
van zijn onvervalste verleden
                                 afgesneden
van zijn uitgewiste toekomst
(in het besef van zijn innerlijke volheid)
wendt ten slotte zijn transparant gezicht
naar de waarheid.

God
terugverlangend nog
naar de schone dagen van de val
(toen de tweedimensionale eerstgeschapenen
verstrikt in hun noodlottige
tijdloze rol
toekeken hoe de barmhartige Vader
zorgeloos hun ondergang regisseerde)
verlaat zwijgend het toneel.

De ziel
vrij nu
- veelkleurige vlieger
vakkundig uitgebalanceerd –
rijst zegevierend op
                                   ten hemel.


Charis Vlavianós
Vertaling: Hero Hokwerda

23-3-08

Yuri Pérez

Yuri Perez

Yuri Pérez werd in 1966 in San Bernardo, Chili, geboren. Hij is één van de meest representatieve dichters van zijn generatie. Vooral bekend zijn de bundels Mala yerba, Antología registrada, Cumbia en Ceremonia del Cristo blanco. Teksten van hem verschenen in alle belangrijke tijdschriften en bloemlezingen van Chili. Tweemaal werd zijn werk bekroond met de literatuurprijs van zijn geboortestad. Hem werd de studiebeurs van de Neruda-stichting en de studiebeurs Fondart van het Ministerie van Opvoeding toegekend. (Fa Claes)


VAARWEL  MY  LOVE

De dag waarop ik rot zonder het juiste te hebben gezegd
Bij het licht van mausoleumkleurige kaarsen
Zul je mijn pestkeel komen aanraken
Met de droefenis van een mooie weduwe

Je zult mijn naam in je mond willen oppoetsen
En de eeuwige betovering van de dood ontdekken
In de grafkuil waar de doden elkaar ophitsen
Zul je de nieuwe dikte van mijn bloed proberen te raden

Je zult de graven van je verwanten gaan bekijken
Voor wie ik nooit iets betekende
En van wie ik niet meer wist dan dit.

Je zult me zoeken in het gegons van de vliegen
En moe van dat te proberen zul je onder de mooiste
Rozenstruik van de begraafplaats gaan liggen

Vanuit de grond met de hongerige wormen
Zal ik je het mooiste Russische gedicht lezen
Ik zal slapen
En je zult blij zijn dat je me hebt verloren


ADIÓS  MY  LOVE

El día que me pudra sin haber dicho lo justo
A la luz de velas color mausoleo
Vendrás a tocar mi garganta de peste
Con la tristeza de una viuda hermosa

Querrás pulir mi nombre en tu boca
Y descubrir el eterno embrujo de la muerte
En la fosa donde los muertos se excitan
Intentarás adivinar el nuevo espesor de mi sangre

Irás a contemplar las tumbas de tus parientes
A los que nunca importé
Y de los cuales no supe más que eso

Me buscarás entre el zumbido de las moscas
Y te echarás cansada de intentarlo
Bajo el rosal más bello del cementerio

Desde la tierra de gusanos hambrientos
Leeré para ti el mejor poema ruso
Dormiré
Y te alegrarás de haberme perdido

(Uit Cartas del interno)


DRONKEN  SCHRIJF  IK  SLECHTER

Er ontbreken gedichten - ik praat in mijn eentje -
De genialiteit verstopt zich op ieder ogenblik
Mijn uiterste ervaringen met het woord
Zijn liggende koeien, zonder luzerne of mest

Ik heb in mijn taal doornen van rozen
Overjarige bloedkorsten, infecties
Metaforen geplagieerd van symbolistische dichters
Van wie ik sommige troebele vertalingen meezeul

Zoals Martín Vargas zijn handschoenen aan de haak hing
Na voor de zesde wereldtitel vlieggewichten te hebben gevochten
Moet ik misschien van het slagveld wegvluchten

Ik dacht dat alles zwart of wit was
Maar hier sta ik zonder het ene te zijn of het andere
Op de rand van een volledige mislukking
Die niets te zien heeft met de initiële fantasie


BORRACHO  ESCRIBO  PEOR

Faltan poemas -comento a solas-
La genialidad se oculta a cada instante
Mis experiencias límites con la palabra
Son vacas echadas, sin alfalfa ni estiércol

Tengo en la lengua espinas de rosas
Costras de sangre añeja, infecciones
Metáforas plagiadas a poetas simbolistas
De los cuales cargo ciertas traducciones turbias

Así como Martín Vargas cuelga los guantes
Tras haber disputado el sexto título mundial de los mosca
Quizá deba huir del campo de batalla

Yo pensé que todo era blanco o negro
Pero heme aquí sin ser lo uno ni lo otro
A la altura de un perfecto desastre
Que nada tiene que ver con la fantasía inicial

(Uit Mala Yerba)


DESKTOP  PUBLISHING

Je zangen zijn een eindeloze oude lap, een paar lieve beesten - je weet het,
      Pérez -
De uitgevers zien in jou niet het talent waar je mee te koop loopt als je je
      bedrinkt
Ten hoogste publiceerden ze kleine gedichten van geringe literaire waarde
in universitaire tijdschriften, in vage bloemlezingen
Je bent verdwaald, alleen, gelijk een slechtgezinde en goddeloze oude vrouw

Overgeleverd aan desktop publishing loop je de trappen van de officiële
      gebouwen op en af
Je piepklein braakliggend imperium, je zwakke triomf
Je komt altijd op je vertrekpunt uit, met verlies van verbazing, geërgerd
Je gaat op de pleinen zitten om de lage kont van magere en blonde vrouwen te
      taxeren

Je slechte gedichten zijn het populairst onder je vrienden, arbeiders, bewakers
Zij bewonderen je eigenaardig gratis schrijverswerk, de schoonheid van de
      vriendschap
Dan keer je naar je saaie oefening terug, bitter, koppig
Je ontdekt het oog van de naaktslak die in alle vroegte naar de wasbak
      terugkeert

Altijd waren er betere generaties dan de jouwe - zeg je tegen jezelf - betere
      treffers
In de onzekere wereld van dichter in mineur zit je te klagen als een verdrietig
      kind
Over de taal, de anafoor, de onnauwkeurigheid van het adjectief, de toon, het
      werkwoord
Zonder uitgever, zonder professionele toekomst in de letteren, zonder vrede en
      zonder geld voor de verlichting


AUTOEDICIÓN

Tus cantos son un infinito trapo viejo, unas dulces bestias –lo sabes, Pérez-
Los editores no ven en ti el talento del que presumes cuando te emborrachas
A lo sumo te han publicado en revistas universitarias, en vagas antologías
Pequeños poemas de escaso valor literario
Estás desorientado, solo, como una anciana malhumorada y atea

Entregado a la autoedición, subes y bajas las escaleras de los edificios públicos
Tu diminuto imperio baldío, tu débil victoria
Siempre terminas en el punto de partida, con pérdida de asombro, molesto
Te sientas en las plazas a tasar el hondo culo de mujeres flacas y rubias

Tus malos poemas son los más populares entre tus amigos, obreros, vigilantes
Ellos admiran tu curioso trabajo de escritor al gratis, la belleza de la amistad
Entonces vuelves a tu tedioso ejercicio, amargo, tieso
Descubres el ojo de la babosa que regresa de madrugada al lavamanos

Siempre hubo mejores generaciones que la tuya -te dices- mayores aciertos
En el precario mundo de poeta de tono menor te lamentas, como niño triste
Del lenguaje, de la anáfora, de la imprecisión del adjetivo, del tono, del verbo
Sin editor, sin futuro profesional en las letras, sin paz ni plata para la luz

(Uit Cumbia)


MAGERE  VROUWEN

Je vindt het leuk om de lage kont van de mageren te beloeren
Om in die kruik de vreemde Europese erfenis te ontdekken
Er zit iets ziekelijks in deze derdewereldse fixatie
Een uitputtend werk, aangenaam, poëtisch, verdorven

Een bank wordt overvallen, een motorrijder botst tegen een bakkerswinkel
De verkoopster van chuchufli’s huilt, een bus davert,
De Republiek brandt
Maar jij interesseert je voor het beloeren van de mageren hun kont

In de rij voor de apotheken, bij het trappen klimmen, in de kiosken
Achter de winkelruiten van de lingeriezaken, in de klinieken
In de krottenwijken
verstrekt de kont van de mageren een beetje licht van goedheid aan de
      omgeving

Dan springen de stenen van het ene gebouw naar het andere
De auto’s laten hun stofschoenen stoppen voor de secretariaten
De bedelaars vluchten met hun orthopedische benen
Dan bekrachtig je de geldigheid van de zonde


FLACAS

Te gusta observar el hondo culo de las flacas
Descubrir en esa vasija la extraña herencia europea
Hay algo enfermo en esa fijación tercermundista
Un trabajo agotador, dulce, poético, malvado

Asaltan un banco, choca una motocicleta contra una panadería
Llora la vendedora de cuchuflíes, patea una guagua
Arde la República
Pero a ti te importa observar el culo de las flacas

En la cola de las farmacias, subiendo las escaleras, en los kioscos
Detrás de las vitrinas de las lencerías, en los hospitales
En las barracas
El culo de las flacas otorga al ambiente una pequeña luz de bondad

Entonces las piedras saltan de un edificio a otro
Los automóviles detienen sus zapatos de polvo frente a las comisarías
Los mendigos huyen con sus piernas ortopédicas
Entonces ratificas la vigencia del pecado

(Uit Cumbia)


EERSTE  TUIN

Ik vertrek gelukkig en ontredderd
In jou was ik de slechtste worm uit de rivier
Ik verwedde de ouderloosheid van het hart, koe en bries
Op de fatale vampierzangen in de populieren

Ik ken je naam en het fatale risico van je bloed
Onze kwade zoen spuwde tussen wilde violieren
Geluk en ongeluk
Daarom verheug ik me onder deze schrikbarende storm

Ik ben in jou tot de onoverkomelijke regen van de dolk
Anderen dan ik of betere bloembladen van zieke zoetheid
Zullen je taille verheffen onder gieren en papavers
En zullen hun verse urine achterlaten onder de nissen van je patio.

Alleen ik heb je bemind met onvermoeibare droefheid
De razernij van de rijm op de maan uitgestrooid op het gezicht van de dood
De ton met bloed die de mug meesleept tot aan het graf
Veroordelen mij tot de brandstapel en tot de dodelijke verveling van de
      bruggen

Ik ben de onomkoopbare Yuri Richard, je ruggengraat van as en zout
Kom in dit gedicht als een vinger sneeuw op het water
Kom naar het stof van de tuin, naar het ijs van het dorp
Zoals een dichter binnengaat in de ongenade van de taal


PRIMER  JARDÍN

Me voy feliz y desquiciado
Fui en ti el peor de los gusanos del río
Aposté la orfandad del corazón, vaca y brisa
A los fatales cantos de los vampiros en los álamos

Sé tu nombre y el riesgo fatal de tu sangre
Nuestro beso malo escupió entre alhelíes bárbaros
Dicha y desgracia
Por eso me alegro bajo esta horrorosa tormenta

Estoy en ti hasta la inevitable lluvia del puñal
Otros como yo o mejores pétalos de dulzura enferma
Levantarán tu cintura entre buitres y amapolas
Y dejarán bajo los nichos la orina fresca de tu patio

Sólo yo te he amado con infatigable tristeza
La furia de la escarcha sobre la luna echada en la faz de la muerte
El tonel de sangre que arrastra el mosquito hasta la tumba
Me condenan a la hoguera y al aburrimiento mortal de los puentes

Soy el insobornable Yuri Richard, tu espina de ceniza y sal
Entra en este poema como un dedo de nieve al agua
Ven al polvo del jardín, al hielo del pueblo
Como entra un poeta a la desgracia del lenguaje

(Uit Cumbia)

Yuri Pérez
Vertaling Fa Claes

9-3-08

Jaime Huenún

Jaime Huenún

Jaime Huenún werd in 1967 in Valdivia (Chili) geboren. Hij studeerde Pedagogie aan het Instituto Profesional van Osorno en aan de Universidad de la Frontera in Temuco. Vooral bekend zijn zijn werken Ceremonias, Puerto Trakl en Reducciones. Gedichten van hem verschenen in nationale en internationale tijdschriften, ze werden bij herhaling onderscheiden. In 2005 werd hem de prestigieuze studiebeurs van de John Simon Guggenheim Memorial Foundation in New York toegekend. Gedichten en fragmenten uit zijn werk werden vertaald in het Engels, Italiaans, Catalaans, Portugees en Kroatisch. Voor het ogenblik bereidt hij een bloemlezing van Mapuche poëzie voor. (Fa Claes)


BOEK

Alleen je gezicht kan ik lezen, huenún jaime luis,
lelijk zevenmaands kind, alleen
je helft zoon kan ik lezen,
je helft been en vleesgeworden doodshoofd,
je zwak negatief nummer
gemaakt van gebarsten eeuwigheid en vlees.
Alleen je helft vader, broer
kan ik lezen, degene
die dagelijks uitgaat om een schrale
portie sterren te bemachtigen, pover voedsel
uit woorden die nog niet eens
weten te stamelen.
Alleen kan ik je lezen naast een Ander,
alleen samen met de kapotte gehelen van je moeder,
alleen eenzaam maar nooit alleen,
kwade dief van de blankheid van de Bladzijden.
Alleen kan ik je lezen als ik de letters samenvoeg
van je vlucht van opengebarsten vlieg
onderaan een gedicht van Tu Fu.
Alleen je valse wortel kan ik lezen, huenún
jaime luis, man
of halsstarrig spook of zieke van hoofd,
alleen de helft kan ik lezen
van de lucht die je oud maakt,
de andere helft win je
met het zweet van je ogen
en dat
kent in mijn alfabet geen verklaring.


LIBRO

Sólo puedo leer tu cara, huenún jaime luis,
sietemesino feo, sólo
puedo leer tu mitad hijo,
tu mitad hueso y calavera encarnada,
tu débil número negativo
hecho de cuarteada eternidad y carne.
Sólo puedo leer tu mitad
padre, hermano, aquel
que diariamente sale a conseguir
una mísera ración de estrellas, exiguo alimento
de palabras que no saben todavía ni
siquiera balbucear.
Sólo puedo leerte al lado de Otro,
sólo junto a los conjuntos rotos de tu madre,
sólo solitario pero nunca solo,
mal ladrón de la blancura de las Páginas.
Sólo puedo leerte juntando las letras
de tu vuelo de mosca reventado
al pie de un poema de Tu Fu.
Sólo puedo leer tu raíz falsa, huenún
jaime luis, hombre
o duende porfiado o malo de la cabeza,
sólo puedo leer la mitad
del aire que te hace viejo,
la otra mitad la ganas
con el sudor de tus ojos
y aquello
no tiene explicación en mi alfabeto.


KAMPVUUR

Minder dan de stilte weegt het vuur, papay, je
dikke schaduw die brandt
tussen vochtige blokken hout;
minder dan de stilte op de nacht
en de droom weegt
het licht dat vrijkomt
van vogels en rivieren.
“Dat het vuur onze broer mag zijn”, spreek, ontsteek
je mond,
de geschiedenis van weiden
en gevallen bergen,
de oorlog onder de goden, zilveren
slangen,
de doortocht van de mannen
met bliksem en bloed.
Je luistert naar de galop van de generaties,
de namen begraven
met kruiken en fruit,
de traan, het geroep van trage karavanen
die aan de bergen van de dood en het leven ontsnappen.
Je luistert naar het klauwen van de poema
naar het hert,
de sprong van de forel in de blauwe
rivieren;
je beluistert de zang van waarzegvogels
verborgen achter varens
en fuchsia’s in bloei.
Nu adem je het stof van de nguillatunes,
de machi die de uitgekozen ram
de keel afsnijdt;
nu adem je de geur vóór de rehue, het vuur
waar de beenderen van het uitgebreide offer branden.
“Dat het vuur onze broer mag zijn”, zeg je bij je terugkeer,
de brede zon van de dag
brengt de broers samen,
dat het vuur onze broer mag zijn, papay, de herinnering
die in stilte de schaduw en het licht
omarmt.

Noot: enkele woorden heb ik onvertaald gebruikt, ze komen uit de Mapuche-taal. Papay: is de koosnaam die voor oudere vrouwen gebruikt wordt, nguillatún is een landbouwceremonie met offerfeest, de machi is de medicijnvrouw, rehue is een behouwen boomstam die ruwweg trappen uitbeeldt met daarboven een gezicht waarvoor vuur wordt gemaakt om offers te brengen.


FOGÓN

Menos que el silencio pesa el fuego, papay, tu
gruesa sombra que arde
entre leños mojados;
menos que el silencio a la noche
y al sueño,
la luz que se desprende
de pájaros y ríos.
"Hermano sea el fuego", habla, alumbra
tu boca,
la historia de praderas y montañas
caídas,
la guerra entre dioses, serpientes
de plata,
el paso de los hombres
a relámpago y sangre.
Escuchas el galope de las generaciones,
los nombres enterrados
con cántaros y frutos,
la lágrima, el clamor de lentas caravanas
escapando a los montes de la muerte y la vida.
Escuchas el zarpazo del puma
al venado,
el salto de la trucha en los ríos
azules;
escuchas el canto de aves adivinas
ocultas tras helechos
y chilcos florecidos.
Respiras ahora el polvo de los nguillatunes,
la machi degollando el carnero
elegido;
respiras ahora el humo ante el rehue, la hoguera
donde arden los huesos del largo sacrificio.
"Hermano sea el fuego", dices retornando,
el sol ancho del día
reúna a los hermanos;
hermano sea el fuego, papay, la memoria
que abraza en silencio la sombra
y la luz.


ZWANEN VAN RAUQUEMÓ

We zochten geneeskrachtige kruiden op de pampa
(paardenstaart en polei, aarmunt en smalle weegbree).
De zon was violet, de weiden raakten bedekt met rijm.
De Rahue stroomde donker voort, zonder glans van vissen.

We hoorden koeien loeien, verloren in de laagvlakte,
en het geluid van een tractor op weg naar Cancha Larga.
We kwamen tot bij de rivier en vroegen om overvaart,
een sloep kwam zonder geluid naar ons toe.

Ze spraken op zachte toon en gaven ons stokken
en een paar slokken brandewijn om de kou te verdragen.
We zwommen heel licht om geen kramp te krijgen.
De nevel sloot het gezicht van de oever af.

Midden in de rotan bogen twee zoetwaterlichamen,
wit gelijk twee manen in de nacht van het water,
hun twee gebroken halzen van zuiver zilver
en ontweken flauwtjes de slagen en de felle stroming.

Elk van hen greep een vogel bij de staart of de poten
en zwom stroomopwaarts naar de boot, tussen de bomen verscholen.
De mannen ontstaken hun jachtlantaarns
en gooiden de zwaargewonde prooien in zakken.

Dronken gingen we weg, met dood gevederd,
terwijl we een paar rancheras zongen en urineerden in de wind.
Midden op de pampa gingen we liggen slapen
en overdekten ons met rijm, met kruiden en beheksingen.


CISNES DE RAUQUEMÓ

Buscábamos hierbas medicinales en la pampa
(limpiaplata y poleo, yerbabuena y llantén).
El sol era violeta, se escarchaban los pastos.
Bajaba el Rahue oscuro, ya sin lumbre de peces.

Oímos mugir vacas perdidas en la vega,
y el ruido de un tractor camino a Cancha Larga.
Llegamos hasta el río y pedimos balseo,
un bote se acercó silencioso a nosotros.

Nos hablaron bajito y nos dieron garrotes,
y unos tragos de pisco para aguantar el frío.
Nadamos muy ligero para no acalambrarnos.
La neblina cerraba la vista de la orilla.

En medio del junquillo dos cuerpos de agua dulce,
blancos como dos lunas en la noche del agua,
doblaron sus dos cuellos de limpia plata rotos,
esquivando sin fuerza los golpes y el torrente.

Cada uno tomó un ave de la cola o las patas,
y remontó hacia el bote oculto entre los árboles.
Los hombres encendieron sus linternas de caza
y arrojaron en sacos las presas malheridas.

Nos marchamos borrachos, emplumados de muerte,
cantando unas rancheras y orinando en el viento.
En mitad de la pampa nos quedamos dormidos,
cubriéndonos de escarcha, de hierba y maleficios.


IN HET HUIS VAN ZULEMA HUAIQUIPÁN

Naast de rivier - met deze luchten -
groenzwart naar de kust toe
hebben we het huis van Zulema Hauaiquipán opgericht.
De grondvesten sinds zo vele doden al,
sinds zo vele zonen voor het roodkleurige
stof van de weg.
Tegenover de vlakte en de heuvelrij in het oosten
hebben we het lariksuitzicht opgericht
van Zulema Huaiquipán.
Betoverd in haar reeds lichtloze ogen
bouwden we de muren van haar droom.
Iedere plank van beukenhout ruikt naar de mist
die de nachtvelden omhoog stuwen.
Elke drempel die naar de rivier en de schippers kijkt
bewaakt de vlucht van vissen en van vogels.
Onder het wateroog op de helling
waar dieren uit een andere wereld slapen
voltooien we de vensters.
En in het zand hebben we onze schaduwen vastgezet
gelijk heipalen die het dak ondersteunen
van het huis van Zulema Huaiquipán.


EN LA CASA DE ZULEMA HUAIQUIPÁN

Junto al río de estos cielos
verdinegro hacia la costa,
levantamos la casa de Zulema Huaiquipán.
Hace ya tantas muertes los cimientos,
hace ya tantos hijos para el polvo
colorado del camino.
Frente al llano y el lomaje del oeste,
levantamos la mirada de mañío
de Zulema Huaiquipán.
Embrujados en sus ojos ya sin luz
construimos las paredes de su sueño.
Cada tabla de pellín huele a la niebla
que levantan los campos de la noche.
Cada umbral que mira al río y los lancheros
guarda el vuelo de peces y de pájaros.
Bajo el ojo de agua en el declive
donde duermen animales de otro mundo
terminamos las ventanas.
Y en la arena hemos hincado nuestras sombras
como estacas que sostienen la techumbre
de la casa de Zulema Huaiquipán.


PUERTO  TRAKL
(fragmenten)

In de mist daalde ik naar Puerto Trakl af.
Ik zocht de bar van het goede geluk
om over de overtocht te praten.
Maar allen hielden toezicht op de poolster in hun glazen,
spraakloos gelijk de zee tegenover een verlaten eiland.
Ik ging weg om door de straten met de rode lantaarns te zwerven.
De vrouwen boden zich zonder genegenheid aan, geurig en moe.
“Naar Puerto Trakl komen de dichters om te sterven”, zeiden ze me
glimlachend in alle talen van de wereld.
Ik liet ze gedichten na die ik in mijn graf dacht mee te nemen
als bewijs van mijn doorgang op aarde.

“Als je naar Puerto Trakl komt om te sterven,
drink dan niet van mijn wijn”, zei de kroegbaas.
Deze bar is zomin het lijkenhuis van de engelen
als de begraafplaats van de fantasten.
Veel mannen zijn de oceaan overgestoken
voor een kruik bier, voor een glas
warme jenever.
Niemand hier heeft een vaderland nu, en varen
vermoeit erger dan het heimwee en de liefde.
Luister, luister slechts naar het geraas van de golfslag
terwijl de merel klaagt
tussen de takken en de wind.

Gelijk een zanger op kermissen en in cafés
die altijd dezelfde liedjes herhaalt
zeg ik voor de oceaan gedichten op.
De golfslag dooft het geluid van mijn stem
en het schuim bespat deze papieren
gelijk een klodder spuug van de rosten en het water
op mijn ijdelheid.
Dan boots ik het gebaar van de zanger na
wanneer die zijn gitaar naar het publiek uitsteekt en zegt:
“ik verlang geen applaus, alleen wat geld
ik verlang geen applaus, alleen wat geld.”

Gelijk een droevige manier van voorspellen
zie ik het voorbijgaan van de wolken boven de haven.
Ik weet dat mijn geluk niet ligt
in een van die regenwolken die naar zee terugkeren
nauwelijks door de wind van de literatuur bewogen.
“Profeteren doet me walgen” kon ik zeggen
en toch, daar gaat mijn leven,
overtroffen door vogels die al de tijd
van de wereld tussen hun vleugels meedragen.

Terwijl ik rook op de verlaten kade
denk ik aan mijn kinderen terug
die amper verlicht worden door de zon van deze ring.
Mijn vaderschap is naar de haaien,
de markt ligt verlaten vóór me.
Een vaderlandsloos hart klopt in deze vlucht
naar het beloofde eiland.
De liefde heeft een deur geopend
waarlangs ik binnenga
               maar dan gebukt.

Puerto Trakl stuurt mij dronken weg
als de ochtend mijn hoofd nat maakt.
Zonder geld, zonder vrienden en zonder aanzien
keer ik naar mijn oude leven terug.
De kleine morgen zet zijn deuren open.
De krotten waar dichters en vissers drinken
blijven achter, voorgoed.


PUERTO  TRAKL
(fragmentos)

Bajé a Puerto Trakl entre neblinas.
Buscaba el bar de la buena suerte
para charlar sobre la travesía.
Pero todos vigilaban la estrella polar en sus copas,
mudos como el mar frente a una isla desierta.
Salí a vagar por las calles con faroles rojos.
Las mujeres se ofrecían sin afecto, fragantes y cansadas.
"A Puerto Trakl los poetas vienen a morir", me dijeron
sonriendo en todos los idiomas del mundo.
Yo les dejé poemas que pensaba llevar a mi tumba
como prueba de mi paso por la tierra.

"Y si vienes a morir a Puerto Trakl,
no bebas de mi vino", dijo el tabernero.
Este bar no es la morgue de los ángeles
ni el cementerio de los fantasiosos.
Muchos hombres han cruzado el océano
por un jarro de cerveza, por una copa
de ginebra caliente.
Nadie aquí tiene patria ahora, y navegar
cansa más que la nostalgia y el amor.
Escucha, sólo escucha el estruendo del oleaje,
mientras el mirlo clama
entre las ramas y el viento.

Como un cantante de ferias y cantinas
repitiendo siempre las mismas canciones,
declamo poemas al océano.
El oleaje apaga el rumor de mi voz,
y la espuma salpica estos papeles
como un escupitajo de las rocas y el agua
a mi vanidad.
Entonces imito el gesto del cantante
cuando extiende la guitarra al público y le dice:
"no quiero aplausos, sólo monedas
no quiero aplausos, sólo monedas.”

Como una manera triste de predecir
miro el paso de las nubes sobre el puerto.
Sé que mi suerte no está
en ninguno de esos nimbos que regresan al mar
movidos apenas por el viento de la literatura.
"Profetizar me asquea" podría decir
y, sin embargo, allá va mi vida
sobrepasada por pájaros que llevan
todo el tiempo del mundo entre sus alas.

Fumando en el muelle desierto
recuerdo a mis hijos,
apenas alumbrados por el sol de este anillo.
Mi paternidad se ha ido a pique;
el mercado está desierto frente a mí.
Un corazón apátrida late en esta fuga
hacia la isla prometida.
El amor ha abierto una oscura puerta
por donde paso
              inclinándome.

Ebrio me despide Puerto Trakl
con el alba mojando mi cabeza.
Sin dinero, sin amigos y sin reputación
vuelvo a mis antiguos días.
La pequeña mañana abre sus puertas.
Los tugurios donde beben poetas y pescadores
quedan para siempre atrás.


Jaime Huenún
Vertaling Fa Claes

2-3-08

Glafkos Koumides

Glafkos Koumides (1950) werd geboren in Nicosia. Hij studeerde architectuur in Londen en psychologie in Keulen, de plaats waar hij woont en waar hij werkt als beeldend kunstenaar. Hij debuteerde in 1987 met de verhalenbundel Tou skabo ka tou skamnou, waarna nog vier bundels volgden. Zijn gedichtenbundel I ikona tou poiïti verscheen in 1992, de eerste van een reeks boekjes van beperkte omvang, waarvan de jongste, Topos Topio in 1998 in Keulen werd gepubliceerd. Gedichten van Koumides werden vertaald in het Duits en uitgegeven bij Romiosini in Keulen onder de titel verrückte kausalität (2001). De hier opgenomen gedichten, vertaald door Hero Hokwerda, komen uit de bloemlezing Wij wonen in een taal die Stella Timonidou en ondergetekende in 2004 bij Kruispunt in Brugge publiceerden. (Kees Klok)


Griekse kok

Het wanneer is altijd voor morgen, leer
boos op hem te zijn, de boodschapper
als leugenaar naar het feest gestuurd
dat de dag nabij zou zijn, leer de mythe
te vertroetelen van hem die nimmer zit
die als strijder in den vreemde vergaan is
gevallen in de slag om een paar schoenen
geknecht nog, onder de olie, ook ik
kende uit mijn hoofd een asociale grap
vol gaten zat de broek van de kok
en uit zijn zakken sloegen de vlammen
toen hij visjes aan het bakken was, morgen
morgen joh gaan we het uitpraten
we gaan erop uit naar bekende
landerijen, met bevriende honden
morgen, nooit zijn vandaag vertrokken
mensen die een halve schoen hadden
als brok in de keel
en als ze voor even vertrokken
was het naar verleden tijden in de mist
die een dorre wijngaard doorweekte
komt u binnen, zei het weesmeisje
en zij wees drie stoelen aan
de eerste ging losjes zitten, de tweede
potig, de derde liep rood aan
en ging gebogen zitten, kijkend
naar de twee lege stoelen naast hem
zo is het begin van de voorstelling
op de dorre helling en dan een lange
bittere voettocht naar 't station, stel je voor
zegt hij
dat we alle zes getallen goed hadden
en geld bij de vleet in het bakblik
met dichters erbij zouden we eten samen
met de muzen
lagen kaviaar op brood, kazen
en chocolademousse
de jaren, weet dat, o kok, zouden
zonder dichtersglorie een brij zijn
de droom, het geld een kekererwt
en jij een onbestaand karkas
op zoek in de advertentierubrieken
Gevraagd Griekse Kok
moet kunnen knippen en naaien
montage van tomaat, mousakás
moet ook borden wassen, zeg oom
doe het raam eens dicht, anders
vliegt onze ziel nog weg, ik geef toe...
filhelleen is elke gourmet uit het noorden
oedipus in een drama uit de barok
maar de kleine wijngaard die je naliet
zal nu wel geruïneerd zijn, in de mist


Bunte Blumen

Was ik een schilder, ik zou een huisje
met groene ramen voor je willen maken
met houten vensterbank om aan te schemeren
en naar de treinen te zwaaien vanachter zonne-
bloemen margrieten geraniums terwijl een
klein poesje kopjes tegen je benen geeft
terwijl mussen buiten op de draden
op de rij zitten als noten op een noten-
balk terwijl pianospel weerklinkt
O ja, 'k vergat nog... Tulpen zou 'k schilderen
om jouentwil als ik een schilder was


Mijn nieuwe kleren

De wallen van mijn stad
trok ik eergister aan, puinhopen
een lappenkleedkostuum
En ik als een keizer de straat op
menend gekleed te gaan
in het satijn van de fraaie
bouwsels der Venetianen
Goed
voor mij was de smaad verdiend
de hoon der omwonenden
Maar wat kon het jongetje eraan doen
dat het durfde roepen
wat iedereen wel wist
Vol gaten onze wallen mama
De keizer heeft het koud


Aanwijzing  I

In het optisch achterland van de galerij, waar
de kleermaker zat te werken, ging allereerst de
aandacht naar de palimpsestkleur van de muren.
En met enig nadenken doorzag de blik moeiteloos
het blijvende van 's meesters aanwezigheid.
Wonderschoon evenwel was het omgekeerd
perspectief op de werktafel, alwaar het
naaigerei een geestelijke ordening had
als Byzantijns vaatwerk bij ons laatste
avondmaal. De kleermaker, als gegiste grootheid,
is present in de binnenstad, let u goed op hem!
Zie, enkele van zijn werktuigen: naald of
rafís, psalís schaar, speldenkussen, Singer.


Glafkos Koumidis
Vertaling: Hero Hokwerda

24-2-08

Armando Roa Vial

Armando Roa Vial

Armando Roa Vial (Santiago, 1966) is advocaat. Zijn literair werk omvat verhalend proza, essay, poëzie en vertalingen. Hij publiceerde de dichtbundels El hombre de papel y otros poemas, El Apocalipsis de las Palabras/ La dicha de Enmudecer, Zarabanda de la Muerte Oscura, (in 2000 bekroond met de National Prijs verleend door de ‘Círculo de Críticos de Arte’), Estancias en homenaje a Gregorio Samsa en Hotel Celine. Hij vertaalde gedichten van Robert Browning en Ezra Pound, Macbeth van Shakespeare en het middeleeuwse Voyage of St Brendan the Navigator (El Navegante). In 2002 kreeg hij de prijs Pablo Neruda. Tegenwoordig is hij docent aan de ‘Universidad del Desarrollo’.  (Fa Claes)


KELDER

Van zoveel spelen met de taal
vergat ik de deur te sluiten van het woord kelder
en de nacht viel de trappen af de afgrond in
tussen wanden die in stilte verwelkten
en het gereutel van klokken
en stoffige hutkoffers
en een vaag kabaal van dode gedachten.
Alles werd ondergronds
tot het midden in de duisternis zijn wortels verloor.
En toen voelde ik dat iets te pletter stortte
in de verslindende diepte van mijn mond
tot het veranderde in naargeestige vorm,
in beklemming van grond
en in nabijheid van beenderen.


SÓTANO

De tanto jugar con el lenguaje
olvidé cerrar la puerta de la palabra sótano
y la noche se desbarrancó escaleras abajo
entre paredes que se ajaban en silencio
y estertores de relojes
y baúles polvorientos
y un vago tumulto de pensamientos muertos.
Todo se volvió subterráneo
hasta perder sus raíces en medio de la oscuridad.
Y entonces sentí que algo se despeñaba
en la profundidad devoradora de mi boca
hasta convertirse en forma sombría,
en opresión de tierra
y en proximidad de huesos.

Uit: El hombre de papel y otros poemas


HET GELUK OM STIL TE WORDEN
OP DE MANIER VAN JOHANNES BOROWSKI

Wijd hebben ze voor ons de woorden opengezet.
De woorden met hun lijkbleek afval
die van mond naar mond sprongen,
ons in weer en wind lieten staan,
ons verwisselden van eenzaamheid.

Niets staat zijn plaats af aan deze kou,
aan deze omvangrijke schaduw, aan deze eindeloze nacht
van woorden die de dingen verspillen en bederven.

Het galmende overmant ons aan alle kanten.

De stilte blinkt al niet meer
uit de diepte van het duister

nu de woorden ons het geluk om stil te worden
hebben ontrukt.


LA DICHA DE ENMUDECER.
A LA MANERA DE JOHANNES BOROWSKI

De par en par nos abrieron las palabras.
Las palabras, con sus lívidos desechos,
saltando de boca en boca,
dejándonos a la intemperie,
cambiándonos de soledad.

Nada cede su sitio a este frío,
a esta vasta sombra, a esta noche interminable
de palabras gastando y viciando a las cosas.

Lo sonoro nos invade por todas partes.

Ya no brilla el silencio
desde el fondo de lo oscuro.

Ahora que las palabras nos han arrebatado
la dicha de enmudecer.

Uit: El apocalipsis de las palabras/La dicha de enmudecer


VANUIT KAMER 38: POSSUM & PRUFROCK

i
In deze, de kamer met de laatste straatlantaarn,
koortsig labyrint
waar de nachtmerries plots ontwaken,
los ik op in een slagzee van vrouwen
wier handen mijn nadagen van andere tijden en andere mannen omwroeten,
de woeker van de liefde in mijn lende van ziek dier,
ik, de keizer van het slijk,
met dat blinde geloof
dat tevergeefs de giftige puzzels van God wilde ontraadselen
en van zijn vleesgeworden woord
dat alleen een beetje speeksel uitspuwt
in dit gekkenhuis, gebied dat op angst is belust,
Hotel Céline, schuilplaats van de worm
doorheen de pagina.

ii
Laat dit mijn grote elegie zijn.
Het reisplan van een portret dat mij begint te verraden.
Mettertijd zeggen portretten niets over onszelf.
Ik was de grapjas en ik was de oplichter.
Mijn leeftijd vordert met voorzichtige stap
bij de voorbereiding van het niets dat altijd gereed is om te ontstaan,
die dood waarvan de sneeuw die woordenstromen bekoelt
die liegen gelijk de portretten,
portretten die alleen opwerpingen tegen onszelf zijn,
opgelegd door de loop van de tijd.


DESDE LA HABITACIÓN 38: POSSUM & PRUFOCK

i
En ésta, la casa de la última farola,
afiebrado laberinto
donde las pesadillas despiertan de golpe,
me disuelvo entre marejadas de mujeres
cuyas manos escarban mi vejez de otros tiempos y otros hombres,
la usura del amor en mi lomo de animal enfermo,
yo, el emperador del fango,
con esa fe de carbonero
que en vano quiso descifrar los ponzoñosos acertijos de Dios
y de su verbo encarnado
que sólo escupe un poco de saliva
en este manicomio, territorio ávido de miedo,
Hotel Celine, madriguera del gusano
a lo largo de la página.

ii
Sea ésta mi gran elegía.
El itinerario de un retrato que comienza a engañarme.
Los retratos, con el tiempo, nada dicen de nosotros.
He sido el payaso y he sido el embustero.
Mi vejez avanza con paso cauteloso
preparando esa nada siempre a punto de ser,
esa muerte cuya nieve va enfriando estos ríos de palabras
que mienten como los retratos,
retratos que sólo son objeciones a nosotros mismos,
impuestas por el curso del tiempo.

Uit: Hotel Celine


VARIATIES MET PAUZES II

Het gedicht op het verkeerde moment,
wanneer er zelfs geen stemmen weergalmen uit de diepte van zijn steegjes,
machteloze woorden
die er vandoor gaan gelijk schimmen,
die wegrotten in de latrines,
die hun woede koelen op de barsten in dit universum
dat wijzelf hebben tot stand gebracht,
niets zeg ik, dat andere landschappen ons hun normen opleggen,
een spiegel voor niemand, onder deze harde schors van klanken
die uit ons losraken, die leven terwijl ze ons wegsturen,
die ons doorklieven als bij duisternis,
die de lucht die wij inademen samenvoegen tot ze ons doen stikken,
ons, gelijk golven die niet weten waar breken
of gelijk een spoor dat niet bekwaam is zijn indruk in het zand te drukken.
Het gedicht, met zijn komedianterig masker,
met zijn ontijdige storm,
dat op zacht vuur brandt in het huis der gekken
als de onbeschoftheid van het lijk al nalaat het ons moeilijk te maken,
als het vaarwel niet stinkt naar tweedracht.
Nu de woorden het met doornen kronen
na het zijn plaats te hebben gegeven een kruisvorm
met meters en voeten die neerkomen en ademen
terwijl ze het terrein van afval zuiveren.
Omdat de woorden in het huis der gekken,
zoals de goden van Aeschylus,
de mensen bevrijden van de vreselijke vooruitzichten van het noodlot
door in hun harten blinde verwachtingen te zaaien.


VARIACIONES A INTERVALOS II

El poema, a destiempo,
cuando ya no hay voces que retumben desde el fondo de sus callejones,
inermes palabras
aventándose como fantasmas,
pudriéndose en las letrinas,
ensañándose contra las grietas de ese universo
que nosotros mismos pusimos en pie,
nada digo, que otros paisajes nos impongan sus reglas,
un espejo para nadie, debajo de esta dura corteza de sonidos
que se desprenden de nosotros, que viven despidiéndonos,
que nos hienden como a tinieblas,
que conjugan el aire que respiramos hasta asfixiarnos,
nosotros, como olas que ignoran donde reventar
o como una huella incapaz de estamparse en la arena.
El poema, con su máscara histriónica,
con su tempestad a destiempo,
ardiendo a fuego lento en la casa de los locos,
cuando la insolencia del cadáver deja ya de erizarnos,
cuando el adiós ya no hiede a discordia.
Ahora que las palabras lo coronan con espinas
luego de acomodarlo bajo la forma de una cruz
con metros y pies que se posan y respiran
limpiando de escombros el terreno.
Porque las palabras, en la casa de los locos,
como los dioses de Esquilo,
liberan a los hombres de las terribles previsiones del destino
al sembrar en sus corazones las ciegas esperanzas.

Uit: Hotel Celine


HARTKLOPPINGEN

Ik, de improvisator
van doodskisten,
de verzamelaar van latrines,
die getuigt van geloof
in de afwezigheid van geloof,
drenktrog van een taal
met de mond uitgebraakt,
zoek nu een plaats
in de rij van de opgelapte levens,
ik, met het dubbelzinnig achterste van het niets
in een tentenkamp van schimmen,
die nachtmerries deal,
de herinnering aan uurwerken verlies,
uit de spiegels verwijder
wat van mijn gezicht overblijft,
ik, met mijn maan die er te veel is in de nacht,
ik, uitgerafelde van de wind die het spoor van het blad uitwist
vooraleer ze de tak snoeien.

Waartoe dan deze stofoogst die op vreemde grond is gezaaid,
de dood, getatoeëerd door de inkt die het gedicht uitspuwt.

Ik behartig, verwacht en denk aan
een voorval,
nee
het registreren
van
een voorval:
hier, op een vrij moment bij het schrijven,
om eenvoudig te zeggen:
geen spraak van open plekken in het bos.
Vol bomen plantten we de grond
van wie geen enkel paadje wensen tegen te komen.


PALPITACIONES

Yo, el improvisador
de ataúdes,
el recolector de letrinas,
testimoniando mi fe
en la ausencia de la fe,
abrevadero de una lengua
depuesta de la boca,
ahora busco mi lugar
en la fila de las vidas remendadas,
yo, con el promiscuo trasero de la nada
en un campamento de sombras,
traficando pesadillas,
desmemoriando relojes,
apartando de los espejos
lo que queda de mi rostro,
yo, con mi luna que sobra a la noche,
yo, destejido del viento que borra la huella de la hoja
antes de que poden la rama.

Para qué entonces esta vendimia de polvo sembrado en tierra ajena,
muerte tatuada por la tinta que escupe el poema.

Atiendo, espero y recuerdo
un acontecimiento,
no
el registro
de
un acontecimiento:
aquí, en un lapso de escritura,
para decir con simpleza:
nada de claros en el bosque.
Arboricemos bien el suelo
de quienes ningún sendero desean encontrar.

Onuitgegeven


© Armando Roa Vial
© Vertaling Fa Claes

27-1-08

Eleni Theocharous

Eleni Theocharous

Eleni Theocharous (1953) werd geboren in de Cypriotische stad Limassol. Na de middelbare school studeerde zij medicijnen aan de Aristotelesniversiteit van Thessaloniki. Zij specialiseerde zich in de pediatrische urologie en chirurgie, waarop zij in 1989 promoveerde. Zij was directeur van de pediatrisch-chirurgische kliniek van het universiteitsziekenhuis in Alexandroupolis in Noord-Griekenland en assistent hoogleraar aan de universiteit aldaar. In 1993 keerde zij terug naar Cyprus, waar zij werd benoemd tot directeur van de pediatrisch-chirurgische afdeling van het kinderziekenhuis van Nicosia. Zij woont in Nicosia. Sinds mei 2001 is zij lid van het Cypriotische Huis van Afgevaardigden voor het district Limassol.

Eleni Theocharous is oprichtster en voorzitster van de Cypriotische afdeling van Artsen Zonder Grenzen. Zij werkte verschillende malen in oorlogsgebieden als vrijwilligster en is betrokken bij veel internationale projecten van deze organisatie. Uit erkentelijkheid voor haar verdiensten vernoemde de Bosnische gemeente Teslic een straat naar haar.

Als dichteres publiceerde zij in tal van literaire tijdschriften op Cyprus en in Griekenland. Tot nu toe verschenen er drie bundels van haar hand. Voor de eerste Poiïtiki praxi kai politiki symbraxi kreeg ze de Cypriotische Staatsprijs voor Poëzie 1995, een prijs die zij voor de tweede keer in 1999 won met haar derde bundel Oi Megaloi Tritoi. De hier gekozen gedichten, eerder gepubliceerd in de door Stella Timonidou en mij samengestelde bloemlezing Wij wonen in een taal (Kruispunt, Brugge, 2004), komen uit deze twee bekroonde bundels (Kees Klok).


   Psychoanalytische vergadering over een Grieks woord

Enosis (en’osis)[Gr]n.(pol.)
The Union of Cyprus to Greece
Cassel’s English Dictionary

Dat woord dat verborgen blijft in kamferballen
met de vlaggen, lappen katoen en mirte
van onze ouders
duizenden jaren na de ramp,
dat beeldschone Meisje
dat voor hoer werd uitgescholden en met stenen bekogeld
door een razende menigte,
oude vrijsters en hysterische travestieten,
- terwijl wij haar afwezen en onwetendheid veinzend
met een schijnbaar onverschillige blik aan het bloedende
lichaam voorbij gingen -
die mooie Moeder
die glimlachend haar stervende zonen kuste,
gaat heimelijk uit met de avondschemering achter de heuvels
en glanst als een standbeeld,
ze rijst te middernacht als de maan midden uit zee
in een verzegelde fles uit een zeesprookje,
soms geeft ze licht in de duisternis,
gegrift in onze schoollinialen
gloeit ze zacht na in de schemering op de muren
van een  kerk,
een school,
en wil maar niet doven...
Dat woord wordt Mythe
en Vrouw die terugkeert,
die onze slaap verstoort en Grieks met ons spreekt,
Grieks leert aan onze kinderen,
die ons bij de hand neemt en
door de stegen van Kyreneia voert,
die het vocht van de iconen der Heiligen veegt
en met eeltige handen op het bidsnoer
ons aller zonden aftelt,
terwijl ze ergens op Karpasía
St. Jansbrood plukt,
die murmelt in de bronnen, gekabbel wordt en een ader
en die wordt geboren in zee als nieuwe maan,
die zonder rimpels, zonder make-up uitzeilt,
een vlot dat nauwelijks schipbreukelingen meevoert.


   Een verlicht pad

Ik tel de woorden en jammerklachten
in eenzame slapeloze nachten,
maar ook in de praatgrage slaap
van de vergeten baarmoeder,
ik graaf de tatoeage, de hybris,
maar ook de leugens op die samen mijn
gebeente vormen
en de surfplank vasthouden,
ik kan niet huilen,
niet jammeren, niet janken,
alleen amechtig vluchtige toespelingen uiten,
de prikkels komen terug,
ik herinner me vaag de visioenen van de onsterfelijken,
namen van doden maken indruk op me
en zonloze landschapsbeschrijvingen;
ik bedenk hoe het pad is overwoekerd,
hoe donker de vlakte geworden is,
hoe wegen verdwenen zijn en doornstruiken opgeschoten.
Blindgemaakte rebellen volgen hand in hand
een eenoog met een
geweer,
uit de baard van de Balkan druipt
gal en droefenis...
maar op het kerkhof
zijn de cipressen verdord
hier en daar is de grond gescheurd
en uit de spleten klinkt
een onbekend gezang,
een spookmelodie,
het marslied van de zondaars.


   De taveerne

                                              Een vlieg in de jus d’orange

De harten zijn er zeer ruim gedrenkt in wijn,
maar ik ben aan krap gewend,
een boordevol glas betekent narigheid,
druivenbladeren en wijnranken bajonetsteken,
de witte grond, een vat op reis
te midden van legenden
en de herinneringen aan wespen op druiventrossen.

Ik droom voortdurend,
ik zie je met je blote voeten
druiven pletten in de wijnpers,
ik zie je mijn lichaam pletten,
of andere lichamen, met de moed van verlangen,
ik hoor je zingen over een stel oeroude schelpen
tussen stenen gestoken,
over versteende mosselen in het reservoir,
over de overstroming en je onderzeese ritmes
en je bedwelmt me met brakke wijn
die opwelt uit de golven van je stem.
Alles en iedereen wordt dronken, mosselen, schelpen, microfoons
en de zandloper die de uren bekort
en de cisterne doet leeglopen.
In de kroeg raken de zinnen in vervoering.
Hier is nooit zee geweest,
ook al is de wijn zilt,
hier wordt een stel vergeetachtige mussen zat,
hier raak ik dronken en ontnuchter door je stem
en hier sluit zich in mij de cirkel...


Vertaling: Stella Timonidou & Kees Klok    

20-1-08

Nasa Patapiou

Nasa Patapiou

Nasa Patapiou (1952) werd geboren in het Cypriotische Rizokarpaso. Zij studeerde Griekse filologie in Thessaloniki en Athene. Zij was een aantal jaren werkzaam in het voortgezet onderwijs en als onderzoekster bij het Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek van Cyprus. Sinds enkele jaren is zij directrice van het Huis van Cyprus in Athene.

Zij publiceerde in verschillende vooraanstaande Griekse literaire tijdschriften. In 1988 verscheen haar debuutbundel, To Fonien soma, waarvoor ze de Cypriotische Staatsprijs voor Poëzie kreeg. Behalve poëzie publiceerde zij ook historische artikelen over de Frangokratie op Cyprus, de periode van het Latijnse koninkrijk onder het Huis Lusignan (1191-1489). In 2001 verscheen haar historische studie Het consulaat van de Ionische Republiek, 1800-1807, die bekroond werd door de Academie van Athene. Onderstaande gedichten zijn afkomstig uit de door Stella Timonidou en mij samengestelde bloemlezing Wij wonen in een taal, uitgegeven te Brugge in 2004. (Kees Klok)


   Afkomst

Ik ontspring
Aan de bergen van het
Schiereiland van Karpasía
En mond uit in mijn lichaam
In mijn binnenste bronnen
En plassen
Spiegelbeelden in het water
Schaduwen in het rode bloed
Weerkaatsingen in de ochtend
En ’s avonds andere
Laat de Engel met het
Zwaard maar komen
En mijn rechterzij
Doorsteken
Zodat het bloed wegvloeit
Het water overstroomt
Schuimende golven
Mij omringen
Licht
Je omtrek zichtbaar maakt
Je grenzen getrokken worden
Zoals vroeger
En dat van mijn bezittingen
Alleen mijn stem blijft
Ik ben de denkende plant
Op de steiltes
Van het eiland Cyprus


   Een rots in zee

Klein vaderland
Wereld waar woorden schaars zijn
Zoals de kroniekschrijver
Vertelt
Rots in zee
Uitspraak van de Franken
In het geschreven monument
Van mijn taal
Maar
Van de Klidhes Eilanden
Tot aan Akáma
Bloeit de oleander
Van de Klidhes Eilanden
Tot aan Akáma
Gedijt het bloed
Mijn kleine moeflon
Die herkauwt
Tussen de ceders
Voor hoelang nog zul je tot voedsel
Dienen aan de dis
Der goudomhulden


   Als een hert

Zo ontsnapte ik
Aan deze wereld
Met de helft van mijn dromen
Zonder einde
Rook, een flits
En verdwenen was ik
Maar dat lichaam
Uit de hemel neergedaald
Blijft hier achter
Het gaat raadselachtig rond
Over straat
En wordt verliefd
Er zijn ogenblikken
Dat het vermoeid raakt
En heen en weer zwaait
Als de manen van een paard
Als een hert
Dat niet toegeeft
Dat het dorst heeft
Narcistisch slaapt het
Met als enige trots
Zijn wonden


Nasa Patapiou
Vertaling: Stella Timonidou & Kees Klok

Adverteren?

De Contrabas wordt meer dan 40.000 keer per maand bekeken. Wilt u ook tegen gunstige tarieven adverteren? Neem dan gerust contact met ons op >> e-mail

Contrabas Reeks

Stanza