Titel: In de naam van de hond
Auteur: Ilja Leonard Pfeijffer
Uitgeverij: De Arbeiderspers
ISBN: 90 295 6228 5
Recensies: 8weekly, Brabants Dagblad (gratis registratie verplicht), NRC Handelsblad, Parool, Poëzierapport, Provinciale Zeeuwse Courant, de Recensent, Trouw (12-3-2005, gratis registratie verplicht), Volkskrant (6-5-2005).
Boekingen Nederland: SSS
ZEG MAAR ORPHEUS MET EEN MOND VOL GRIND
op een ach werd ik wakker met neuzen recht en alle ogen lief
ze had een naam die zong op mijn ribben en ik brak
mijn schepen in de haven spuwde in de vulkaan rookte
uit alle macht wachtte met man en de muis op gepiep
in mijn borstzak en het was een mooie avond
om continenten te verdrinken en toen gebeurde er niets
maar op een wacht maar werd ik lief en wakker en rechtte mijn neus
om haar naam te zingen trok het verband van mijn wonden betaalde
mijn schulden stopte bij wijze van spreken met roken en ik zei iets anders
dan ik bedoelde want ik zei iets anders dan alsjeblieft
begin je zorgen te maken over mij
en op een nacht werd ik wakker en hoestte haar naam uit die zong
op mijn ribben en toen werd ik wakker en bijkans blond van het bloeden
vergat ik de wachtnacht het braken en de wind die door mijn builen huilt
als rook op mijn ribben en ik besloot van haar te blozen en nog altijd
gebeurde er niets
er is een raadsel en het gaat als volgt
wie a zegt is bijna bij z
donder bonkt op dove slapen zwart is het weer om honden te eten uit woede
of baby’s krijsend te kelen in het bos verliezen van duitsland
geef mij gele woorden dat ik schepen breek om te spugen
in vulkanen die vloeken met hun jodelend smoel
geef mij gele drank om te spugen op sissend grind geef mij
scherpe gemene wapens en blaffende nacht geef mij kleine tranen
om te huilen eindelijk kansloos in jouw voortaan welig zacht en goed
in jouw welig zacht en goed eindelijk voortaan
kleine tranen hoor maak je geen zorgen
er is een raadsel en het gaat als volgt
wie gezien is gaat niet weg
en toen ontstak ik in lied niet na te zingen zo schroevend
zo ging het dat het begon en niet ophield met rijm erop en eraan
op de wijze van gepiep dat uitbleef in mijn borstzak
en mijn telefoon warm zacht welig en goed want ik had
zo veel te zeggen al wist ik niet wat en toen brak ik
en dat ging als volgt
zal als een tuin zijn
van warm statig koren
de laatste geliefde
zo zal ik er horen
zal als een dag zijn
van stil blozend rijpen
de eerste beminde
zo zal ik begrijpen
zal als een woud zijn
van zingende dennen
de eerste bezielde
zo zal ik herkennen
zal als een nacht zijn
van ademend staren
de laatste der vrouwen
zo zal ik bedaren
en toch gebeurde er niets en hoewel dat akelig was
was het niet naar want ik wist het middeleeuws te verbijten
bad het lied van haar naam dat ruiste op mijn ribben onthavende mij
om uit te varen droogde het grind veegde de briesberg
zijn mondhoeken af en de grijns van de smoel van de hond
en begon als het ware te roken gekromde tollenaar in de hoek
van haar herberg en bloedende blik bond ik de vuile zwachtsels
kledderig terug om hun etter en zo ik aan dek van haar deining
ooit nog zou zingen van morgen zou het onhoorbaar
wonderlijk zijn met schorre trom op hoestende snaren
er is een raadsel en het gaat als volgt
engeland is gesloten
en op een ach werd ik wakker met alle ogen recht en muizen stil
er piepte geen wachting in mijn borstzak want het zout lag kalm
en ik wist dat er niets meer zou gebeuren
aldus ben ik hoofdelijk aangespoeld met een mond vol zilt lied
dat de oorsprong van de dingen kent en hun zevende afloop op de kille dag
want ik was gevallen in de hand van mensen die doen
wat ze doen als honden hoektandig scheurzoenend
bloedtongend hapzuchtig bijtkusgraag doen
als honden zijn ze als vrouwen die krijsen als kelende baby’s
in het bos ze kunnen niet zingen en ze begrijpen het lied niet
vegen er hun shirt mee af lossen geen raadsel op omdat ze het zijn
de b van het zeggen de buut voor de pot de sleutel van zwanen
en al zing ik de beken bergopwaarts de leeuw naast de hinde
de hond tot drie slapende koppen de rijke ontroerd
ze laten mij mythisch de zanger met een mond vol grind
die gele drank mag spuwen in de vulkaan en schepen mag breken
en al laat ik stenen zweven zij zullen mij hun spook laten zoeken
in blonde krochten blaffend met jodelend smoel en wind door mijn builen
niet na te zingen zo schroevend en al weet ik het ei eindelijk kansloos
warm welig goed als toeven in voortaan zij zullen het breken
omdat zij niet zien wat het is
er is een raadsel en het gaat als volgt
kijk niet om
© Ilja Leonard Pfeijffer, 2005



























Ik kan dit gedicht lezen op steeds een andere manier, maar vraag me niet op wat voor een manier.
Soms sla ik blonde lokken uit mijn gezicht, soms spuug ik mezelf in het gezicht.
Ik vroeg benieuwd-niks, gelijk een strandkwal.
Geplaatst door: Doeko L. | 14-1-06 om 5:20