Olav H. Hauge

Olav H. Hauge (1908-1994) wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste 20e eeuwse Noorse dichters. Hoewel hij in 1946 debuteerde, begon zijn werk pas na het verschijnen van zijn bundel På Ørnetuva (Op de arendsbult) in 1961 aandacht te trekken. Wellicht omdat hij zich zowel in het dagelijks leven als in zijn literaire werk als een eenling opstelde en geen aansluiting zocht bij bestaande groeperingen. Om in zijn bestaan te voorzien was hij appelkweker. Ook was hij actief als vertaler van onder andere Emily Dickinson, Bertold Brecht en Sylvia Plath. Bij zijn leven publiceerde hij zeven dichtbundels. Postuum verscheen van hem een tweetal brievenboeken. In het Nederlandse taalgebied publiceerde het tijdschrift Kruispunt in 2001 een serie gedichten van hem in een vertaling van Erica Weeda. Dezelfde vertaalster publiceerde in 2002 een 280 pagina’s dikke bloemlezing uit zijn poëzie bij Tetralex Uitgeverij. Deze bloemlezing, onder de titel Het blauwe land, heeft tot nu weinig aandacht getrokken. Geheel onterecht want hij geeft een voortreffelijk overzicht van het oeuvre van deze interessante en belangwekkende dichter. De gekozen gedichten zijn afkomstig uit Het blauwe land (Kees Klok).

ONDER DE ROTSPUNT

Je woont onder een rotspunt.
En dat weet je.
Maar je zaait je akker in
en loopt rustig over je erf
en laat je kinderen spelen
en gaat slapen
alsof het niets is.

Het komt voor,
dat je op een zomeravond,
leunend op je zeis
even je ogen langs
de rotswand laat gaan
daar waar men zegt
dat de breuk
moet zitten,
en het komt voor
dat je wakker ligt
luisterend naar
vallend gesteente
in de nacht.

En komt de lawine,
komt hij niet onverwachts.
Maar je gaat aan de slag en ruimt
dat groene lapje
onder de rots
– bij leven en welzijn.

UNDER BERGFALLET

Du bur under bergfall.
Og du veit det.
Men du sår din åker
og trør trygt ditt tun
og lèt dine born leika
og legg deg
som inkje var.

Det hender.
når du stør deg til ljåen
ein sumarkveld,
at augo sviv som snarast
yver bergsida
der dei segjer
sprekken
skal vera,
og det hender
du vert liggjande vaken
og lyda etter
steinsprang
ei natt.

Og kjem raset,
kjem det ikkje uventa.
Men du tek til å rydja
den grøne boti
under berget
– um du då har livet.

KOM NIET MET DE HELE WAARHE]D

Kom niet met de hele waarheid,
kom niet met de zee voor mijn dorst,
kom niet met de hemel als ik om licht vraag,
maar kom met een glimp, een dauw een vleug,
zoals de vogels waterdruppels meedragen na het baden
en de wind een korrel zout.

KOM IKKJE MED HEILE SANNINGI

Kom ikkje med heile sanningi,
kom ikkje med havet for min torste,
kom ikkje med himmelen når eg bed um ljos,
men kom med ein glimt, ei dogg, eit fjom,
slik fuglane ber med seg vassdropar frå lauget
og vinden eit korn av salt.

IK OPEN DE GORDIJNEN

lk open de gordijnen voor ik ga slapen,
ik wil het levende duister zien als ik ontwaak,
en het bos en de hemel. lk ken een graf
dat geen luik naar de sterren heeft.
Nu is Orion opgekomen in het westen, altijd jagend –
hij is niet verder gekomen dan ik.
De kersenboom buiten is naakt en zwart.
ln de duizelend blauwe hemelklok
kerft de harde nagel van de morgenmaan.

EG DREG IFRÀ GLASET

Eg dreg ifrå glaset fyrr eg legg meg,
eg vil sjå det levande myrkret når eg vaknar,
og skogen og himmelen. Eg veit ei grav
som ikkje har glugg mot stjernone.
No er Orion komen i vest, alltid jagande –
han er ikkje komen lenger enn eg.
Kirsebærtreet utanfor er nake og svart.
I den svimlande blå himmelklokka
ritar morgonmånen med hard nagl.

WONDERLIJKE VISSEN

Mensen vertrouwen?
Je ziet al snel
wat een wonderlijke
vissen het zijn,
soms groen,
dan zwart,
dan blauw –
Het zal het licht wel zijn
en de bodem
en de waterstroom die ze
van kleur doen verschieten.

UNDERLEGE FISKAR

Tru folk?
Ein ser snart
kva slags underlege
fiskar det en
snart grøne.
snart svarte,
snart blå –
Det skal vera
ljoset og botnen
og vassføringi som
gjer dei skifter let.

DIE MAN

Die oude trui van mij
aan een haak in het schuurtje,
een paar versleten schoenen,
ik ken
die man.
lk hang hem
aan een andere haak,
in een ander hoekje,
hij hangt in de weg.
Maar ik heb
het hart niet
om hem
weg te gooien.

DEN MANNEN

Den gamle trøya mi
på ein knagg i skytja,
eit par utslitne skor,
eg kjenner
den mannen.
Eg flytter på han,
til ein annan nabb,
åt ei onnor krå,
han er i vegen.
Eg har ikkje
hatt hjarta
til å kasta han
ut heller.

WILLIAM BLAKE

Wat is dit voor een trompet
die zo hard schalt
in de morgenzon,
welke stem is dit
die spreekt
zo driest
en zo wekkend?
Tijger, engel,
verborgen gloeit
je vuur
je vleugels gevouwen
voor je gevederde gang.
lk heb je lang
gehoord op aarde
helder klaar –
tussen hese hoorns en stierengebrul.