Literaire tijdschriften: geen kweekvijver

Literaire tijdschriften hebben hun functie als kweekvijver verloren en zijn geen barometer meer van het literaire debat. Dat staat in de masterscriptie ‘Het literaire tijdschrift als kweekvijver en debatplaats. Een stand van zaken’, waarmee Bart Temme onlangs zijn studie Nederlandse Taal & Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen afrondde.

Bart Temme (1984) studeerde Nederlandse Taal & Cultuur (Moderne Letterkunde) in Groningen. Debuteerde met proza en poëzie in Tzum. Is momenteel boekhandelaar bij Boekhandel Van der Velde in Leeuwarden.

Hieronder staat een samenvatting van zijn scriptie. Het hele document is hier te bekijken >> Download Het literaire tijdschrift als kweekvijver en debatplaats. Een stand van zaken

De afgelopen maanden maakten verschillende media, zoals NRC Handelsblad, De Papieren Man, Boekblad en De Contrabas, diverse malen de balans op van het Nederlandse literaire tijdschrift. Opvallend was, dat in deze artikelen en berichten veelal terugkeerde, dat het literaire tijdschrift haar functie als kweekvijver en debatplaats zou zijn kwijtgeraakt.

Twee weken geleden ben ik aan de Rijksuniversiteit Groningen afgestudeerd met mijn masterscriptie Het literaire tijdschrift als kweekvijver en debatplaats. Een stand van zaken. In deze scriptie heb ik de recente berichtgeving over het literaire tijdschrift als leidraad gebruikt. Ik heb namelijk onderzocht in hoeverre de vier grootste en belangrijkste Nederlandse literaire tijdschriften (De Gids, Tirade, Hollands Maandblad en De Revisor) nog fungeren als kweekvijver voor nieuw talent en als debatplaats voor het literaire debat.

Mijn scriptie schetst een actueel beeld van de huidige stand van zaken van het Nederlandse literaire tijdschrift. Daarnaast voegen mijn onderzoeksresultaten iets toe aan het huidige debat. In het debat ontbraken namelijk voortdurend de onderzoeksresultaten. Verschillende betrokkenen beweerden diverse zaken, zonder dat deze werden onderbouwd met feiten. Hier heb ik verandering in willen brengen.
Het onderzoek

Voor het onderzoek naar de kweekvijverfunctie van de literaire tijdschriften, heb ik tien jaargangen van de vier tijdschriften onderzocht: van 1999 tot en met 2008. Daarnaast heb ik bekeken in hoeverre de debutanten van een viertal grote literaire uitgeverijen (de Arbeiderspers, de Bezige Bij, Meulenhoff en Querido) in de periode 2003 – 2008 voor hun debuut in literaire tijdschriften actief zijn geweest. Voor het onderzoek naar het literaire debat in de tijdschriften heb ik een langere periode genomen, namelijk vijftien jaargangen: van 1994 tot en met 2008. Dit onderzoek leidde tot een aantal opvallende conclusies.

Het literaire tijdschrift als kweekvijver:

In de tien jaargangen (1999 – 2008) publiceerden 3849 auteurs werk in de vier grote literaire tijdschriften. Slechts 52 (1,4%) van deze auteurs was tijdschriftdebutant.

Ilja Leonard Pfeijffer, redacteur van De Revisor, heeft dus ongelijk wanneer hij in NRC Handelsblad (22 februari 2008) beweert, dat in het literaire tijdschrift ‘de literatuur van morgen’ wordt geboren.
Het merendeel van de auteurs (55,8%) die in de afgelopen tien jaar in één van de vier literaire tijdschriften debuteerde heeft nog geen debuutwerk gepubliceerd.
Het merendeel van de debutanten (69,6%) heeft zijn debuut ondergebracht bij een andere uitgever dan de uitgeverij die ook het literaire tijdschrift uitgeeft waarin deze auteurs debuteerden. De uitgevers van literaire tijdschriften gebruiken de eigen tijdschriften dus nog zelden als fuik om nieuwe auteurs te acquireren voor hun fonds.
Literaire uitgeverijen baseren zich tegenwoordig bij hun selectie van nieuwe auteurs nog nauwelijks op de al door literaire tijdschriften gemaakte selectie van beginnende auteurs. Het merendeel van de auteurs (84%) die tussen 2003 – 2008 bij de Arbeiderspers, de Bezige Bij, Meulenhoff en Querido debuteerden heeft namelijk niet voor het debuut in literaire tijdschriften gepubliceerd.
Karel Berkhout heeft dus gelijk wanneer hij in NRC Handelsblad (15 februari 2008) schrijft, dat ‘nieuwe auteurs op eigen kracht een uitgever’ vinden.
H.C. ten Berge, oprichter Raster, heeft dus gelijk wanneer hij in NRC Handelsblad (4 december 2008) zegt, dat nieuwe auteurs niet meer via de tijdschriften worden verworven.
Kortom: het literaire tijdschrift heeft zijn functie als kweekvijver verloren.

Het literaire tijdschrift als debatplaats:

In de periode 1994 – 2008 stonden 48 bijdragen in de vier literaire tijdschriften (De Gids, Tirade, Hollands Maandblad en De Revisor) die wilden aanzetten tot een literair debat. Dat is nog geen één procent (namelijk 0,8%) van het totale aantal bijdragen (5812) dat in de vier literaire tijdschriften verscheen.In de periode 1994 – 2008 zijn er bijna geen literaire debatten geweest in de vier grote Nederlandse literaire tijdschriften. Van de 48 bijdragen die wilden aanzetten tot een literair debat, groeiden er slechts tien uit tot debat doordat andere deelnemers in de literaire tijdschriften en in dag- en weekbladen op de bijdragen reageerden.
De resultaten hebben laten zien, dat Lisa Kuitert gelijk heeft wanneer ze in Vrij Nederland (10 januari 2009) zegt, dat literaire debatten tegenwoordig slechts een marginale rol spelen in de literaire tijdschriften. ·
Kortom: het literaire tijdschrift is geen barometer meer van het literaire debat.

Hoe kan het, dat de literaire tijdschriften deze belangrijke functies hebben verloren?

1. Debutanten verwerven geen symbolisch kapitaal meer door in het tijdschrift te publiceren. Een uitgeverij liet namelijk deze erkenning vaak meewegen in haar beslissing om een auteur al dan niet als debutant voor haar fonds te verwerven. Dit is alles geldt niet meer.
2. Debutanten passeren tegenwoordig het literaire tijdschrift en vinden zelf hun weg naar een uitgeverij. Dit houdt onder andere verband met de huidige ‘overproductie’. Er wordt in het wilde westen van de uitgeverswereld met hagel geschoten. Tien keer schieten, één keer raak, dat is de methode die uitgevers steeds vaker hanteren in de hoop een bestseller te scoren. Debutanten plukken hier de vruchten van.
3. De opkomst van de literaire agent speelt ook een rol. De literaire agent heeft bepaalde taken van de tijdschriftredactie overgenomen.
4. Wat betreft de teloorgang van de podiumfunctie voor het literaire debat in de literaire tijdschriften moet er worden verwezen naar de rol van de dag- en weekbladen. Het literaire debat zich tegenwoordig namelijk veelal afspeelt in kranten en weekbladen. Enkele voorbeelden: het debat rond Thomas Vaessens’ Revanche van de roman, Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens publiceerden in Trouw een ‘Manifest voor riskante literatuur’ (opvallend is, dat Pfeijffer hier het landelijke dagblad Trouw kiest als aanzet tot een literair debat, terwijl hij zelf redacteur is van De Revisor) en het debat over de literaire tijdschriften werd eveneens in de dag- en weekbladen gevoerd. Overigens moet hierbij wel een kanttekening worden gemaakt. Tegenwoordig staan ook de boekenbijlagen in de dag- en weekbladen onder druk. Het is maar de vraag of de kunstredacties van de landelijke dag- en weekbladen in hun boekenbijlagen en culturele supplementen in toekomst ruimte blijven bieden aan debatten.

Wat moet er gebeuren?

1. De vier tijdschriften die in dit onderzoek centraal staan, moeten hun krachten bundelen. Zij kunnen de eerste stap zetten richting een elektronisch tijdschrift waar volop plaats zal zijn voor het debat.
2. Om een elektronisch tijdschrift te kunnen financieren is hulp én subsidie van het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds (NLPVF) nodig. Het fonds moet net als de Nederlandse literaire tijdschriften haar houding ten opzichte van het internet veranderen.
3. De komende jaren moeten de tijdschriften dus overgeheveld worden naar het internet, maar eerst moeten de vier grootste Nederlandse literaire tijdschriften en de NLPVF de handen ineen slaan en werken aan een sterk interactief elektronisch tijdschrift, waar het literaire debat kan zegevieren.