Zijn dichters zielig? Het is een vraag die me tot voor kort, eerlijk gezegd, zelden of nooit bezig hield. Ik had wel een bepaald beeld van de zogenaamde ‘beroepsgroep’ (morsig, verward, drankzuchtig, nee-zeggend tegen het leven en in het slechtste geval rancuneus), maar aangezien ik als journalist en columnist gewend ben ‘het gesprek van de dag’ te volgen en van flankerend commentaar te voorzien, prijkten de dichters, dat begrijpt u, zelden bovenaan mijn agenda.
We weten immers allemaal dat dichters er sinds mensenheugenis ‘bij hangen’ (ze worden doorgaans niet meer dan getolereerd, bij wijze van troost in kleine tot zeer kleine kring bewonderd, maar bij gebleken uitzonderlijkheid over het algemeen afgescheept met schamele geldprijzen), ze spelen niet of nauwelijks een rol in het maatschappelijk leven en dus vragen ik en mijn collega’s nooit aan een dichter wat zijn of haar standpunt is over de dubbele nationaliteit, het boerkaverbod of het gedoogbeleid rondom softdrugs.
Logische vraag: hoe komt het dat ik me sinds kort wél ben gaan afvragen of dichters zielig zijn? De slimmeriken hebben hun vinger al opgestoken, natuurlijk, want zij voorvoelen het antwoord, namelijk dat ikzelf op het punt sta dichter te worden. Bewijs? Er gaat een bundel van mijn hand verschijnen.
Ineens ligt het dus een stuk meer voor de hand om me af te vragen: hoe leuk is het om een al dan niet zielige dichter te zijn? Zal ik meer levensgeluk tegemoet kunnen zien? Word ik straks vriendelijker bediend in winkels? Of ben ik bezig mezelf vrijwillig in de rol van paria te manoeuvreren? Waaraan je dan weer de vervolgvraag zou kunnen koppelen: hoe gezellig, eenzaam, licht of zwaar is het om in de voortrazende economie van 2008 een paria te zijn? U merkt ’t al – vrágen, vrágen. Het houdt maar niet op.
En die onophoudelijke neiging tot vragen stellen, is zeker één van de voornaamste kiemen geweest die mijn dichterschap heeft aangemoedigd. Want als je na bijna twintig jaar krant- en weekbladproza van één ding overtuigd raakt, is het dat zolang je de gebaande paden van de taal bewandeld, zolang je de ANWB-borden van de logica blijft volgen, zolang je voor je lezerspubliek steeds weer een begaanbaar weggetje in taal aanlegt, je, helaas, niet nader zult komen tot de begrippen die een mensenleven uiteindelijk bepalen, grote begrippen als, vergeef me: Angst, Euforie, Gemis, Vervolmaking, Liefde, Seks en natuurlijk broeder Dood.
Na zoveel jaar kom je bijna lijfelijk tot het inzicht dat je met de taal, de logica en de retorica aan je zijde onbewust aan een bouwwerk hebt getimmerd dat ik in een sombere bui een hondenhok noem. Een solide hondenhok, dat wel (het vindt gretig aftrek), maar ook een hondenhok dat onmiskenbaar knelt, benauwt, ook al ziet niemand in mijn omgeving dat en vragen studenten mij dagelijks naar de basisprincipes van het bouwen van zo’n hok, in de vurige hoop ooit zelf in staat te zijn zo’n hondenhok in elkaar te zetten.
Deze redenering volgend, zou mijn bundel eigenlijk de pathetische titel ‘Ontsnapping uit het hondenhok’ moeten dragen. En als we ons even voorstellen dat de bundel inderdaad zo zou heten, is de vraag ‘Zijn dichters zielig?’, hoera, misschien wel meteen beantwoord. Want hoe zielig ben je niet als je jarenlang aan een hondenhok timmert, dat je uiteindelijk niet bevalt? En hoe zielig is het niet dat je alleen door het schrijven van gedichten aan dat hondenhok kunt ontsnappen?
Alvorens ik hier en nu in huilen uit ga barsten en tot de conclusie kom dat ik de állerzieligste zielenpoot op aarde ben, troost ik mij met het gegeven dat er mensen zijn die waar ik ‘hondenhok’ zeg ‘waardevolle journalistiek’ zeggen, waar ik ‘ontsnappen’ zeg ‘verder kijken’ zeggen en waar ik ‘waf!’ zeg ‘een prachtig gedicht’ zeggen. Want je kunt de zaken godzijdank natuurlijk altijd omdraaien (zeker in taal) en vragen: hoe verdwaald en zielloos ben je als je nog nooit je eigen hondenhok hebt getimmerd? Hoe mager is je geest als je de beperkingen van de taal en je begripsvermogen niet inziet? Hoeveel mis je niet als je nooit opgesloten hebt gezeten in je eigen hondenhok, plotseling in staat blijkt de ketting stuk te bijten en door het dolle heen de vrije ruimte in rent?
Laat ik de centrale vraag uiteindelijk maar tot mijzelf beperken: ben ik zielig? Wie weet. Maar als losgebroken dichter zeker niet!
© Hans van Willigenburg, rede uitgesproken bij de presentatie van Objectief verzuipen, in café Dikt te Rotterdam
Reacties