– over de Hugo Claus Proloog van David van Reybrouck -
De uitreiking van de VSB Poëzieprijs werd dit jaar voorafgegaan door een Hugo Claus Proloog. Het was David Van Reybrouck die de eer kreeg een statement over hedendaagse Nederlandse poëzie (of tenminste zijn visie erop) te geven. Een keuze die zou kunnen verrassen.
Van Reybrouck staat vooral als vaak bekroond prozaïst en niet als dichter bekend. Maar wie Van Reybrouck (1971) wat volgt, weet dat hij op vrij regelmatige basis in tijdschriften gedichten publiceert. Xavier Roelens nam hem op in zijn bloemlezing Op het oog - eenentwintig dichters voor de eenentwintigste eeuw. Vooralsnog een dichter zonder bundel dus, maar een dichter.
Precies omdat het verrassend en ongewoon was, begon ik met grote verwachtingen aan de lectuur van deze proloog maar het lezen ervan bleek een ontgoocheling. Niet dat het een slecht geschreven stuk betrof. Zijn creatieve pen wil ik hier niet ter discussie brengen. Wel zijn redeneringen en zijn boodschap. Ik vind dat hij in die proloog, inhoudelijk gesproken, kort door de bocht gaat.
Laat me eerst even langs die tekst scheren. De kern van Van Reybroucks vertoog wordt al aan het begin van zijn tekst aangegeven. Hij stelt dat ‘de poëzie zich weer aan de wereld moet laven’, zodat ze opnieuw een link naar de lezer kan leggen. De Nederlandse poëzie is volgens hem ziek: ze lijdt aan anorexia. Ze is vleesloos. In het verdere verloop van de tekst belooft hij die diagnose met argumenten te staven.
Eerst omschrijft Van Reybrouck wat de voornaamste karaktertrekken van goede poëzie zouden moeten zijn. Elementen die hij in de poëzie van Hugo Claus terugvindt. Goede poëzie is ‘schaamteloos lyrisch’, ‘hitsig jubelend’, ‘kermend van verlangen’, ‘monkelend en grinnikend’, ‘schor’, ‘tochtig’ en ‘schoon’. Van Reybrouck poneert dat deze elementen afwezig blijven in de poëzie van de laatste twintig jaar. De poëzie zou zichzelf aan banden hebben gelegd door niet langer (diep ademhalen en opsommen!) verhalend, anekdotisch, didactisch, verontwaardigd, verdrietig, blijmoedig, humoristisch, helder en begrijpelijk te zijn.
De poëzie van vandaag ‘prevelt in de schemering’. Er mag van deze dichters niet één woordje uitleg bij. Geen voorwoord. Noch tekst noch foto op de achterflap. Ze laten hun poëzie voor zichzelf spreken terwijl hun poëzie helemaal niet spreekt. De huidige dichter – dixit Van Reybrouck - is een sjamaan die met het hogere in contact staat en niet duldt dat zijn poëzie door een derde wordt geduid. Het gedicht te dicht benaderen wordt door de dichter beschouwd als profanatie, als een desacraliseren en als een banalisering van zijn gedichten.
Van Reybrouck vindt die dichters zeer wereldvreemd. Ze zitten vol taboes. De schuld van die ontwikkeling schuift hij in de schoenen van Paul Celan, Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey. Of nee niet meteen van die dichters zelf (wiens werk hij niet zou willen missen) maar wel van hun epigonen en klonen - die hij niet bij naam noemt. Hij vindt dat deze dichters een soort poëzie hebben geschreven waaraan geen mens zich nog kan ‘bezatten’. Voor hem is dit poëzie die zich compleet richt tot zich geheelonthoudende Neerlandici.
Wat Van Reybrouck deze poëzie technisch verwijt, is dat het maar wat prutsen is: de syntaxis wordt ontwricht, er wordt iets gedaan met aanhalingstekens, er worden allerlei handigheidjes met een tekstverwerkingsprogramma uitgeprobeerd. Hij stelt zich de vraag naar de ‘urgentie’ ervan. We hebben er het raden naar wat hij daar precies mee bedoelt.
En hij keert naar Claus terug. Voor hem nog altijd een soeverein dichter. Er volgt een name dropping van mogelijk alternatieven op de poëzie van hoger omschreven schraalheid. Geert Buelens (maar die hij dan citeert als essayist van de recent verschenen essaybundel Oneigenlijk gebruik – hij rept geen woord over diens poëzie), Arjen Duinker (‘iemand die zich nestelt in de woorden als een in zomerse zaterdagmiddag’), Kees ’t Hart (vanwege de bundel ‘Ik weet nu alles weer’, waarin een gedicht over een voetbalwedstrijd staat), H.H ter Balkt, Nolens, Nijhoff. En dan toch Kouwenaar, ‘zo warm, zo onherbergzaam’.
Enfin, dichters die het zinnelijke, het tactiele, het tastbare en troostende niet schuwen. Zou het dit zijn wat hij met ‘urgentie’ bedoelt? Zinnelijk, tactiel, tastbaar, troostend?
Wat valt de Nederlandse dichters nu te doen om aan deze toestand van vleesloosheid te ontkomen (voor het nog erger wordt?). Van Reybrouck stelt het principe van zijn eigen internationaal, meertalig en Brussels dichterscollectief voor. Hij nodigt ons uit tot het luisteren naar anderstalige dichters uit zijn collectief - al noemt hij die dichters alweer niet bij naam.
Hij heeft het over een Galicische dichter die lange, zangerige verzen schrijft. Over een Kameroenees ‘op de grens van recitatieve verzen en freejazz’ en die daarmee bewijst dat je op die manier ook ‘legitieme poëzie’ kunt maken. Slammende Marokkanen die de ‘Franstalige poëzie’ uitkleden en speels maken. Allemaal dichters die niet bij naam worden genoemd. Hij raadt ons aan om meer naar het buitenland te loeren: want ‘Nederlandstalige dichters lezen voornamelijk Nederlandstalige dichters’.
Verder vindt Van Reybrouck dat we weer meer naar schilderijen moeten gaan kijken. We mogen ons niet langer fixeren op de muziek. In de schilderkunst heeft zich een omwenteling voorgedaan. Men is naar het doek en het figuratieve teruggekeerd! Francis Bacon en Lucian Freud zijn de voorlopers en Luc Tuymans en Peter Doig de exponenten van deze ontwikkeling.
Op het einde van zijn tekst herhaalt Van Reybrouck zijn stelling. Hij sluit met een fraaie verwoording af: ‘Voor mij hoeft niet alle poëzie te zwijgen in taal. Ik wil dat ze stilaan wel weer eens hees wordt na al dat vezelen in de marge. Hees: van verlangen, van dorst, van ’t schreeuwen na een voetbalmatch desnoods, maar hees. Ik wil dat poëzie weer vlees wordt. En verf. En messen. Ik wil dat ze etst en kermt, dat ze krast en likt, dat ze eelt heeft en soms, heel soms, streelt, ogenschijnlijk onbewogen zoals een hand waartegen een kat zich schurkt.’
Ik vind deze tekst erg dubbel. Ik moet toegeven dat ik voor al de opgesomde dichters en schilders een net even grote bewondering als Van Reybrouck koester. Zijn Brussels dichterscollectief is inderdaad enig: Van Reybrouck verdient hiervoor luid applaus. Hij heeft alle redenen om trots op dit project te zijn. Vorig jaar hoorde ik enkele dichters uit dit collectief voorlezen. En inderdaad de Galicische dichter Xavier Queipo was prachtig. Hij wist het publiek te charmeren.
Toen hij voorlas werd een vertaling van zijn gedichten op een scherm geprojecteerd: men kon hem dus makkelijk volgen, maar vluchtig, het ene gedicht volgde in snel tempo het andere op. De dichter had een prachtige stem, zijn Spaans klonk muzikaal. En plastisch. Onderhoudend dus. Maar achteraf kon ik niemand vertellen hoe die gedichten er formeel uitzagen. Wat hun sterkte was. Ik had namelijk niet het minste referentiekader.
Op welke manier maakt deze dichter deel uit van de Galicische poëzie? Wat zijn de kernen van die poëzie – ik bedoel wat zijn de tradities en de breuken binnen die Galicische poëzie. Die poëzie moet toch ook een geschiedenis hebben zoals de Nederlandse. Kortom: hoe representatief is hij? Hoe Europees is die dichter ? Wat is een Europees dichter? Met andere woorden: een mens mag zich wel eens bezatten, maar hij moet evenzeer nuchter blijven.
Van neerlandici verwacht ik dat ze hun werk doen, dat ze kritisch blijven. Dat ze duiden, glosseren, een menig hebben, debatteren, debatten uitlokken. Een lezer mag zich wel eens bezatten als hij daartoe bereid is. Maar misschien zijn er ook lezers die compleet iets anders verwachten en voor zichzelf veel dynamiek kunnen filteren uit een strikt bitsig, van scherpe luciditeit getuigend gedicht (Claus heeft er zo enkele geschreven).
Lezers zijn vrij. Dichters ook: nuchter, dronken of onbesuisd. Er zijn lezers die de dingen zeer graag en zeer snel in een juiste context proberen te plaatsen. Ze zijn nieuwsgierig van aard. Daarom lezen ze niet alleen poëzie maar lezen ze ook wel eens teksten over poëzie. Zelf lees ik af en toe eens iets over Franse poëzie. Ik raak daar altijd namelijk niet even goed wegwijs uit. De ontwikkelingen van de Franse poëzie zijn complex (en boeiend wat mij betreft).
Als Van Reybrouck beweert dat die overigens zeer sympathieke slammende Marokkanen de Franstalige poëzie speels aan het uitkleden zijn, dan heb ik de neiging te concluderen dat Van Reybrouck weinig weet heeft over de ontwikkelingen in de Franstalige poëzie van de voorbije vijftig jaar. De quasi constante vernieuwing die de Franse poëzie decennium na decennium ondergaat (en die waarschijnlijk symptomatisch zijn voor ontwikkelingen in ander taalgebieden) vallen zeker niet te reduceren, te etiketteren of zijn niet schatplichtig aan enkele ‘slammende Marokkanen’.
Het stadium van ‘uitkleden’ is de Franstalige poëzie al lang voorbij. Van Artaud tot Roche, van Noël tot Tarkos: er zijn dichters die de Franstalige poëzie aan het villen zijn. Er zijn dichters die de poëzie in haar bloot en bloedend vlees te kijken en te hangen zetten.
Ik verwijt Van Reybrouck dat hij in deze tekst er maar wat op los praat, in het wilde weg beweert. Hij argumenteert niet, bewijst niets maar daast in eigen vooroordelen rond. Hij bezat zich aan zijn eigen onbesuisdheid.
Neem nu zijn apodictisch uitgangspunt dat Nederlandstalige dichters alleen Nederlandstalige dichters lezen. Waar haalt hij dat vandaan? Hebben neerlandici dat onderzocht? Of gaat Van Reybrouck op persoonlijke indrukken af?
Als ik dan ook even van mijn eigen indrukken uit mag gaan, dan kan ik even goed stellen dat ik de voorbije twintig jaar wel eens bij een dichter op bezoek ben geweest. Daar nam ik altijd wel even een kijkje in zijn of haar boekenkast. Zelf ontmoette ik geen enkele dichter die zich enkel voor Nederlandse poëzie interesseerde (waarmee ik niet ontken dat er zo’n dichters zouden bestaan).
Ik ontmoette een dichter die zich van de Nederlandstalige poëzie expliciet distantieerde en uitsluitend buitenlandse poëzie las. Ik ken een dichter die nauwelijks nog poëziebundels openslaat en die vooral wetenschappelijke en filosofische boeken in zijn kast heeft staan. Ik ken een dichter die op de grote namen na, nauwelijks besef had dat er überhaupt nog Nederlandstalige dichters waren. Enfin, er zijn dichters van allerlei slag – zo is mijn indruk en die hoeft natuurlijk niet de juiste te zijn.
Maar ik ben er alvast van overtuigd dat de bekendheid van Nederlandstalige dichters met het werk van hun buitenlandse collega’s onder een eenzijdige oneliner ‘Nederlandstalige dichters lezen alleen Nederlandstalige gedichten’ niet valt samen te vatten. De vraag is niet of Nederlandstalige dichters buitenlandse poëzie lezen, de vraag is wel of Nederlandse dichters wel voldoende alert zijn op wat er zich in het buitenland (en eigen taalgebied) aan recente ontwikkelingen voordoet – ik leg de klemtoon op ‘recente’.
Het is een vraag. Een beetje een retorische vraag. Ik stel ze onder meer aan Van Reybrouck.
Ook de stelling dat dichters meer naar schilderkunst zouden moeten kijken, vind ik zo’n uitvergroting dat hij grotesk wordt. Er zou een dikke bloemlezing uit de poëzie van de laatste twintig jaar kunnen worden samengesteld met gedichten die een schilderwerk als aanleiding hebben. Met dezelfde gemakzucht zou ik hier kunnen presumeren dat dichters zich meer voor architectuur zouden moeten interesseren. Of voor de (buitenlandse) politiek. Voor de klimaatsveranderingen (want dat men zich in de toekomst op veel te hete zaterdagmiddagen aan de wereld zal kunnen laven, lijkt niet zo waarschijnlijk).
Nee, dichters moeten zelf uitmaken wat ze moeten. En het is aan de lezer om uit te maken wat hij wil lezen. Ik kan me best voorstellen dat nieuwsgierige lezers graag nieuwsgierige dichters lezen. Dichters die zoveel mogelijk - zoveel van het mogelijke - in hun gedichten toelaten. En meer dan schilderkunst alleen. Theater, filosofie, antropologie, dans, geschiedenis, cinema, televisie, het broeikaseffect, keukenrecepten... Het onnoemlijk vele. En is het onnoemlijke niet de grote uitdaging, het risico van de poëzie? Ik hoed me voor dichters die snel tevreden zijn.
De snelcursus kunstgeschiedenis waarop Van Reybrouck ons trakteert, kan ik van geen kanten au serieux nemen. Zelf vind ik het werk van de genoemde kunstenaars bijzonder aangrijpend en inspirerend. Zoals, lukraak, het werk van Rothko, Pollock, Broodthaers, Fabre, Richter me ook inspireert. Wat mij stoort is die retrograde scheiding tussen het figuratieve en het abstracte en die, tussen neus en lippen, immens flauwe verwerping van videokunst (lezen we conceptuele kunst?).
Dit komt overeen met wat Van Reybrouck smalend over ‘witpoëzie’ te vertellen heeft: stugge vooringenomenheid. Hij onderneemt niet de minste poging om te begrijpen. Nee, dat hoeft hij niet te doen maar waarom het dan niet laten voor wat het is, waarom dan dat gestrekte vingertje, dat belerende toontje? Van Reybrouck hoeft echt niet van videokunst of witpoëzie te houden, maar die genres het bestaansrecht ontkennen, ervaar ik als dom.
Waar wil Van Reybrouck met dit pleidooi voor het ‘figuratieve’ naar toe? Wat is het verband met de poëzie? Waar wil hij terug naar toe? Naar de tijd van Het groot gezinsverzenboek? Dat was een bloemlezing die gedichten verzamelde die de grote thema’s van het leven vertolkten. Of tenminste die binnen het kader van een bepaalde, zeg maar conventionele, levensopvatting pasten? Onder een strak thematisch korset kon men daarin gedichten lezen van dichters die vooral (ik haal even diep adem) verhalend, anekdotisch, didactisch, verdrietig, blijmoedig, humoristisch en vooral, vooral (!) zogenaamd helder en begrijpelijk waren.
Tot diep in de jaren negentig van de twintigste eeuw waren het vooral dit soort dichters die door neerlandici (die ondertussen met emeritaat zijn geraakt) naar voren werden geschoven als zijnde scheppers van ‘waarachtige poëzie’. Het waren die wetenschappers die toen de ‘canon’ bepaalden. Een canon waarin ‘vormexperimenten die naar postmodernisme neigden’, of vormexperimenten tout court en ‘podiumpoëzie’ (hoewel het woord toen nog niet bestond) helemaal niet als ‘legitieme poëzie’ werden getolereerd, maar weggehoond.
(Voor mezelf was het overigens vlug duidelijk: ik heb recitatieve, orale, sonore, concrete en visuele poëzie altijd als legitieme poëzie beschouwd. Voor de oude canon waren die genres taboe.). Wat blijft er van die canon over? Hoe ontwikkelde die zich? Een nadere studie – als die nog niet gebeurd zou zijn - over de verschillende herdrukken van die bloemlezing zou wel eens relevant kunnen uitvallen: wie viel in de loop der jaren in ongenade, wie werd gekoesterd, wie kwam erbij en wie mocht er nooit in?
De samensteller Jozef Deleu heeft altijd een goeie neus gehad voor wie wel en niet of net niet tot de canon behoorde. En ik voeg daar meteen aan toe dat Deleu niet is stil blijven staan. Dat hij zijn neus verder is blijven oefenen. Men kan het nakijken: op zijn gekende pragmatische en eclectische manier – heeft hij de deuren van zijn tijdschrift Het liegend konijn voor jongere en van de oude canon afwijkende dichters opengelaten. Van Reybrouck zal mij niet tegenspreken.
De uitspraak dat de poëzie van de laatste twintig jaar door allerlei Kouwenaar- en Faverey- epigonen en - klonen werd gedomineerd, is zonder meer ridicuul. Over welke dichters heeft hij het in hemelsnaam? Ik sla een boek open: 25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980/2005 in 666 en een stuk of wat gedichten samengesteld door Chrétien Breukers. Het boek dat ook wel de ‘vette breukers’ wordt genoemd omdat het 455 bladzijden compact dik is.
Daarin heeft de samensteller enkel dichters geplaatst die na 1980 in boekvorm zijn gepubliceerd. Of die op het net zijn gedebuteerd. Dit is niet de plaats om dit boek ten gronde te bespreken. Maar ik beschouw het als een staalkaart en als voldoende representatief voor wat er de voorbije vijfentwintig jaar aan poëzie is gepubliceerd. En ik daag Van Reybrouck uit om aan te wijzen wie wel en wie niet die Kouwenaar- en Faverey- epigonen en -klonen zijn. Eerlijk, ik zie het niet.
Dit boek bewijst dat er een grote diversiteit, een heterogeniteit aan opvattingen en creaties bestaat. Hoogten en laagten, flauwiteiten en subtiliteiten: poëzie is een veelheid, poëzie valt au fond niet te vatten. Wie wijst hij aan als Celan-, Kouwenaar- en Faverey-adepten? De postmoderne dichters? Dat is dan toch maar een beperkte kijk op wat het postmodernisme inhoudt . (Het valt overigens op dat hij in deze tekst het woord ‘postmodern’ ontwijkt en mijdt – alsof hij te hees is om het over de lippen te krijgen).
Dat er dichters zijn die bijvoorbeeld Faverey hebben geassimileerd: ontegensprekelijk, maar dat is iets totaal anders dan een Faverey-kloon.
Zou het me troosten als Van Reybrouck me een sluitend antwoord gaf op de vraag wat poëzie was, is en zal blijven? Nee, want ik betwijfel of er hierop een sluitend antwoord bestaat. Zich nestelen in een zomerse middag, is dat zich laven aan de wereld? Het is een voldoening die me bekend is – maar er zijn dichters die zich daar niet door laten inspireren en dat is hun recht. Evenzeer is het het recht van Van Reybrouck om zich op die manier wel te laten inspireren.
Maar de poëzie van Duinker is voor mij meer dan wat nesteldrang – meer waard dan zo’n fraai zinnetje. Van Reybrouck lijkt steevast uit te zijn op poëzie die zijn vooringenomenheid schijnbaar bevestigt. Wat daarbuiten valt, honoreert hij met de term ’ijl’. Andere lezers daarentegen gaan van een poëzie uit die hen ook eens durft tegen te spreken. Een poëzie die hen niet naar de mond praat. Op zoek naar gedichten die zich laten villen, die hun syntaxis hebben laten ontwrichten, die onverwachte (taal)spanningsvelden doen ontstaan.
In de loop van de jaren heb ik als lezer vastgesteld dat dit niet per se iets met ‘poëtica’ of ‘canon’ te maken heeft. Wel iets met de persoonlijke benadering van een lezer ten aanzien van poëzie. Wel iets met onbevooroordeeldheid en kritische zin. En blijvende nieuwsgierigheid.
Een bizarre passage (of zou ik het verkeerd begrijpen) in zijn rekwisitoor is deze waarin hij zegt dat de epigonenklonendichters geen voorwoord, geen achterflaptekst, geen foto van zichzelf in hun bundels dulden. Wat zou de relevantie hiervan zijn? Sjamanistisch of niet: over welk soort dichter het ook gaat, achterflapteksten hebben niet zozeer de bedoeling om een dichtbundel te duiden maar vooral om hem aan te prijzen. Dus een beetje volksverlakkerij. Van mij mag het weg.
Wat is de meerwaarde van een gedicht als de foto van de dichter erbij staat? Het kan zijn dat dit een meerwaarde heeft, daar niet van, alleen - help me - kan ik niet gissen welke. Waarom zou een dichter een voorwoord moeten schrijven? Mij lijkt elk gedicht een poging om zowel voorwoord, woord en nawoord te zijn. Uiteraard hopen dichters dat hun gedichten voor zichzelf spreken. Misschien een ijle en ijdele hoop: het duurt soms een tijdje eer een lezer die gedichten hoort spreken! Ik herhaal het: het vereist een aparte mix van nieuwsgierigheid en hardnekkigheid.
Wat wil Van Reybrouck eigenlijk? Dat we de lezer betuttelen? Berispen? Wat zou een dichter in zo’n voorwoord moeten schrijven: al wat hij in zijn gedichten geschreven heeft? Dan zou dit voorwoord hoe dan ook louter redundantie zijn. Wat verwacht Van Reybrouck van zo’n voorwoord? Sluitende antwoorden? Geruststellingen? Zekerheden? Bevestigingen? Is het de gewoonte in het buitenland dat dichters een voorwoord bij hun gedichten plaatsen? Zo ja, in welk werelddeel of op welke planeet? Gewoontes zijn er om te doorbreken, dat wel.
Zijn dichters de aangewezen personen om hun werk te duiden? Tenzij het expliciet zichtbaar maken van het reflecteren op eigen werk (of het plaatsen van een foto) deel uitmaakt van het scheppingsproces zelf. Work in progress noemt men dit. Maar ja, hierbij komt men evenwel heel dicht in de buurt van het conceptuele en het abstracte. Verlaat men het veilige pad van het figuratieve, het herkenbare.
Ik heb het gevoel dat Van Reybrouck een pleidooi voor hedonistische poëzie wil houden. Daar heb ik niets op tegen. Zou zijn klacht dan erin bestaan dat hij vindt dat dit soort poëzie geen aandacht meer krijgt? Daarin zou ik hem kunnen volgen. Dan komen we evenwel in een ander debat en analyse terecht. Is er een nieuwe canon in de maak, een nieuwe canon aan het werk?
En spelen die letterkundigen die in commissies en jury’s zetelen hierin een belangrijke rol? Maar hiermee claimen en klagen dat de poëzie louter hedonistisch zou moeten zijn, is een stap te ver en een op onwetendheid gefundeerde gedachte. In de vette Breukers staan er nogal wat zinnelijke, sappige, melodieuze en toch haperende en hese gedichten te lezen van dichters die niet altijd de nodige aandacht, ondersteuning en prijzen kregen.
Een beroemde uitspraak van de Franse dichter Jacques Roubaud – ik citeerde het al vaker: ‘Il n’y a plus de poésie, il y a des poésies.’ Voor mezelf vertaal ik dit als volgt: er is niet één poëtica, er zijn verscheidene poëtica’s. Wat het er voor de lezer niet gemakkelijker op maakt. Maar zich laven aan de wereld, is voor mij zich aan de complexiteit van de wereld laven. En die complexiteit is van die aard dat ze niemands dorst kan lessen. De wereld is wat mij op mijn honger laat. De wereld is niet in staat tot eendrachtige antwoorden. Dat is overigens meer een opluchting dan een desillusie: manicheïstische principes doen het niet. Zeker niet als het over poëzie gaat.
© Alain Delmotte
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties