Over Ware grootte van Tonnus Oosterhoff
Ook was ik getuige van de steen
op een worp afstand.
– Tonnus Oosterhoff
In Ware grootte, de nieuwe dichtbundel van Tonnus Oosterhoff (1953), verzucht de ik-figuur tegen het einde:
Was schaatsen maar een woord als ik,
wat zou ik schaatsen op mijn podiumpje,
en wat zou ik de dames en weinige heren vervoeren.
De geest wil op de hoogte blijven,
het lichaam wil omlaag.
Dichten als schaatsen, zwieren, zwaaien. Het is een sierlijke metafoor voor eerder werk van Oosterhoff, waarin hij woorden, regels, zinnen onbevangen over het papier laat glijden, waarin sprake is van poëzie die je, zoals Rob Schouten ooit omschreef, niet steeds moet willen begrijpen of verklaren, maar waar je in mee moet gaan, waar je je door moet laten overweldigen, schuddebuikend soms.
Maar Ware grootte is een andere bundel. Hij doet verslag van een worsteling van de ik-figuur met de voortschrijdende tijd, het ouder worden, het verlies. Deze worsteling uit zich in een reeks donkere gedichten, die de eerste helft van de bundel beslaat en waarin meer dan in vorige bundels van Oosterhoff wordt nagedacht en minder geschaatst.
De gedichten tot aan pagina 31 zijn overwegend somber van toon en bevatten regelmatig herinneringen van de ik-figuur. Hij bromt: Brom. Brom, voornaam Toon. Hij heeft het over de dood van een bunny uit de jaren zestig en van zijn jongste broer. Hij klaagt over het afnemen van zijn krachten, over plannen die hoogstwaarschijnlijk nooit meer zullen worden verwezenlijkt, over het uitblijven van de lente, het gebrek aan vreugde. Hij denkt terug aan een busongeluk, beschrijft een tevergeefse poging om de liefde nieuw leven in te blazen. Hij bladert door oude nummers van Groei en bloei en rukt zich af.
Woorden als geknikte, bekrast, inkt, zwarthandelaar, hartaanval, doodstroombuik, scharrelvleesafvalsnor, oud, koud, verticuteermachine, mollen, onderaardse, schrik, ribbelig, verbruining, skelet, dorre, rouwblikken, droeve, strafschop, stijf, ingesnoerd, sloophamer, gebrek, kerker, nagelvijlsel, argwaan, breekt, afzichtelijk, hoofdpijn, ontplofte, kist, verliezen, varkenskoppenstad, sijpelen, kraakt, graf, donkere, kunstmatig, flauw, schuurmond, loenst, vals, varkensbalzakkenleer, haarklisjes, Treurniet, vrouwenoorijzer, brabbelpot, hak, achterkant, verlaten, steek, alarmcentrale, ambulance, ploeteren, falen, houweel, dynamiet, steen, afval, grijze en oven geven een gevoel van zwaarmoedigheid, neerslachtigheid. De reeks eindigt zo:
brombeer bromt. onweer komt. leven verstomt
Ook het schrijven gaat de ik-figuur moeizaam af. In de gedichten 'Druk ik de pen op papier' en 'brabbelpot potloodkrabbel' is het schrijven een moeten geworden, verschijnen de woorden niet langer als in een droom op papier, is de dichter aan het denken geslagen, iets wat hij niet wil:
Na een paar zinnen
hurkte ik, drukte mijn handen
op mijn ogen tot rode vlekken
in mijn bewustzijn binnendansten en -sprongen
Heel kleine zwemhandjes tientallen
vroeg begonnen de dag in. De vink
duwt zich vooruit achter z'n keel aan
en ik moet
en
brabbelpot potloodkrabbel zeg met wie vieren jullie ik ben een
mijn potlood valt in hond, mijn stem vormt het hond woord
in het woord hak, je moet me eens zien ik ben
als ik in het groot denk wordt
alles wordt hond, alles wordt hak en kont
ik beveeldroombe
De eerste helft van Ware grootte bevat de meest donkere gedichten die ik van Oosterhoff ken. Humor, toch een kenmerk van zijn werk, is vrijwel volledig afwezig. Hier is een ik-figuur aan het woord die peinst over het leven, worstelt met de tijd, pijn lijdt, moeite heeft met schrijven. In deze gemoedsgesteldheid hekelt de ik-figuur ook de dichter des vaderlands, een blije hein, die hij aanwrijft te reizen, te dichten zonder realiteitszin. Wat een opmerkelijke uitspraak is voor een dichter die normaliter de absurditeit in zijn eigen werk niet schuwt.
Maar in het gedicht 'Ik ben een dwerg' vindt een ommekeer plaats, weet de ik-figuur zich te herpakken. De droom keert terug – Ik droom:/ 'Als ik niet uit weven ga, dan zwaait er wat!' – en hij slaagt erin om de somberheid achter zich te laten:
Ik stond stil en daarin stond ik stil.
Ware grootte.
Ik stond stil.
Ik ben de kat wijs, de slang wijs, de koning te
Hand houdt de hand op,
voet steunt de wind steunt
Wees huis wees welkom
houdt de hand op de knip
steunt de sleepvoet
Begin
In volgende gedichten verdwijnt de pijn en komt de humor weer om de hoek kijken:
Humor [...]
Nu verlaat me niet meer.
Sta om me heen en dring in me
pijn stiller geen is er
De vertrouwde Oosterhoff lijkt terug, in dwaze, zotte gedichten als 'Voorzitter districtsvergadering KNLTB' en 'Mestra', in het virtuose gedicht 'Het water gaat niet zo snel', tijdens het schrijven waarvan Oosterhoff een gevoel van euforie moet hebben gehad: Wie wil leven/ als vliegen kan? Evenwicht.
Toch zijn er andere gedichten in de tweede helft van de bundel die me aan het twijfelen brengen: is de vertrouwde Oosterhoff wel echt terug? In het gedicht 'Ik pak je terug' vindt hij dat zelf, als ik de ik-figuur in dit gedicht mag vereenzelvigen met de schrijver, in elk geval (nog) niet:
Ik pak je terug, 't zij
met alzheimer of kanker,
ik pak je terug...
Ik heb met een hond gevochten.
Het viel mee, het viel tegen, ik had verwacht
dat het meer mee zou vallen, met een hond vechten.
Het gevecht veranderde alles,
ik zoek mijn onveranderlijke zelf van voor de aanval
maar vind het niet.
Ik rijd op weg naar mijn werk steevast
langs de begraafplaats waar mijn ouders liggen.
De hond heeft vleugels en zitvlees.
Alhoewel de sombere stemming vrijwel is verdwenen meen ik in de tweede helft van Ware grootte naast de teruggekeerde absurditeit toch ook een toon van berusting aan te treffen, die ik niet eerder in Oosterhoffs gedichten tegenkwam. Een berusten, een schikken in het goddelijk lotsbestel, de dood.
Ik was getuige,
o groene boom, de groene boom,
hoe de voorzanger door een spleet
in het kromgetrokken heelal
zijn steenworp ondernam.
Ook was ik getuige van de steen
op een worp afstand.
In deze nieuwe bundel geeft een ik-figuur zich bloot. Misschien daarom ook de felle uithalen in enkele gedichten naar de literaire critici, naar het verklaren, uitleggen. Jezelf kwetsbaar opstellen is niet gemakkelijk. Ik betuig mijn sympathie. In Ware grootte staan gevoelige gedichten. Het is Oosterhoffs meest persoonlijke bundel tot nu toe.
Ton van 't Hof, maart 2008
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties