Gedichten en reflecties in the eye of the beholder. Voorlopige notities. Door Yves T'Sjoen.
1. Ontregeling en de uitdaging van het échec. Ceci n’est pas une poésie. Poëzie wordt wel eens voorgesteld als een verknoopt weefsel. Nu eens met zorgzaamheid geweven als een onthecht Perzisch tapijtje, dan weer geconstrueerd als een gerafelde lappendeken. Zich steeds bewust van de noodzaak van een eigen onnavolgbare vorm en van een specifieke schriftuur. Het gedicht zoekt zelf zijn taalvorm. Dat laatste is bekend. En wat me hier vooral bezighoudt: taal sorteert bij een talig wezen effect. Poëzie kan behagen, maar evengoed ontregelen. En alles wat daartussen ligt. Alleen al door zijn vorm kan het gedicht ons laten opschrikken uit een sluimertoestand, en confronteren met een andere blik.
Ontregeling, ‘exuberantie en onbegrensdheid’ verstoren de lezer, zoals over de leeservaring van Luceberts poëzie wordt beweerd. Of andersom: de behaagzieke, gereguleerde variant van poëzie laat ons indommelen en brengt louter bevestiging van wat we menen te begrijpen.
Er bestaan misvattingen. De vorm van het gedicht bijvoorbeeld kan verwarring wekken. In de manier waarop poëzie doorgaans wordt gelezen, wordt ze veelal gereduceerd tot een heel on-Perzische (persoonlijke) getuigenis die ons door haar verknoopte, overzichtelijke vorm vermag gerust te stellen. Het gedicht lijkt (formeel) te behagen, tegemoet te komen aan onze zucht naar orde en structuur. Maar dat is in vele gevallen uiteindelijk maar bedrieglijke schijn. Lees Nijhoff. De schijn prevaleert in zijn klassieke dichtvormen op het zijn. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de moderne literaire epifanie zich ook in patronen van klassieke regelmaat kan openbaren. Nijhoffs liminale poëzie vertoont in haar klassieke vormgeving een betekenissen genererend spanningsveld, een mysterieuze helderheid – in Van Halsema’s formulering ‘de mogelijke combinaties van betekenismogelijkheden [die] voorbij het eerst denkbare reiken’ – die de lezer vooral met de eigen interpretatiemogelijkheden confronteert.
Het gedicht schrijft niet voor hoe het moet worden gelezen, begrepen en ervaren. Het esthetische effect is een zaak van de lezer. Lezen is een idiosyncratische bezigheid die ons confronteert met ons zijn, met het perspectief op de dingen, met het mens- en wereldbeeld, onze vooringenomenheid, verwachtingen, angsten, verlangens naar houvast. De effectenlijst is eindeloos lang. En dat klinkt nu therapeutischer dan ik het wil zeggen. We lezen veel gedichten binnen de contouren van ons blikveld, en wat daaraan ontsnapt wordt dus niet opgemerkt. Meer nog, het onvatbare stemt nieuwsgierig, maar meestal toch nogal wrevelig en ongemakkelijk. Toegeven dat we hét niet weten, dat hét aan ons taalvermogen ontsnapt, ligt veelal niet in onze mond bestorven. Het gedicht is bij machte, althans voor de ontvankelijke lezer, ons perspectief op de dingen een zetje te geven waardoor het vertrouwde blikveld wijzigt en we de dingen ook anders ontwaren. Ook dat werkt verwarrend. Maar ook dit klinkt dan weer te therapeutisch.
Poëziekritiek – en ik doel hier vooral op het subgenre van het literair-kritische spreken: de recensie, en dus niet zozeer signalementen, boekbesprekingen, essays, literair-historische overzichten of portretten – lijdt aan een euvel: wat onbehagen schept, wat zich buiten de grenzen van het ver-taalbare, de rede en het zichtbare (het begrip) ophoudt, is hoogstens met onmachtige woorden als verrassend, interessant, mysterieus, onuitspreekbaar te typeren. De bekende geschiedfilosoof Frank Ankersmit sprak recent over de wereld (buiten Nietzsches ‘gevangenis van de taal’) als ‘de wereld van het trauma en het sublieme’. Maar hoe de dichter het besef van het onuitspreekbare (of datgene wat hem met de wereld confronteert zonder de bemiddeling van de taal) tot uitdrukking poogt te brengen in de eigenzinnige, onvertaalbare constructie van een esthetisch artefact, is een vraag die in de poëziebeschouwing zelden wordt overwogen. Hoe gaat het gedicht om met datgene wat zich aan taal onttrekt, en alleen door de suggestieve kracht van de taal zelf (o paradox!), door ontregeling en misverstand, door precies dié formele uitdrukkingswijze momentaan, voor de duur van het gedicht, aanwezig kan worden gesteld? Die vraag wordt zelden gesteld.
En toch benadert ze wat veel dichters als de kwintessens van poëzie beschouwen: woord en vorm vinden om het onzegbare aanwezig te stellen. En dat vinden blijkt vaak niet louter het gevolg van een zoeken te zijn. Die spanning tussen spreken en zwijgen, tussen afwezig en aanwezig (zoals in Aanwezig, afwezig (1970) van Cees Nooteboom), bepaalt in haar wisselende gedaanten de eigen specificiteit van een dichterschap. Of zoals Ivo Michiels zijn bijdrage aan het themanummer van DW&B over roman en romanbeschouwing afsluit, met woorden van Peter Verhelst: ‘Taal die je aan de haren boven de realiteit uitsleurt’, ‘het onuitspreekbare uitsprekend’. Michiels: ‘in zijn essentie de zegging definitief, uniek. Anders, onvergetelijk’.
2. De legitimiteit van het misverstand. Laat ik het echter niet hebben over wat als tekortkomingen in poëziekritiek kunnen worden beschouwd. Maar wel over de toegevoegde waarde die kritiek te bieden heeft, die tegelijk meer zegt over hoe wij ons gedichten voortdurend toe-eigenen, hoe we onszelf als Narcissus spiegelen in wat de dichter ons aanlevert. Of hoe de kritiek dus telkens tekortschiet in haar pretenties, met name iets definitiefs of wezenlijks over het gedicht zelf te zeggen. Poëziekritiek verrijkt én reduceert. Critici kunnen een gedicht binnen hun referentiekader en classificatiesystemen opladen met betekenissen en dus een handeling verrichten die de tekst rijker maakt. Zoals Rein Bloem met Faverey heeft gedaan. Maar vaker plegen critici roofbouw op het gedicht door het te reduceren tot en te classificeren als een belijdenis, een beschouwing, een gedachte of een gevoel. Zoals Ilja Leonard Pfeijffer met Kopland deed, en zoals het merendeel van de recensenten in de dag- en weekbladkritiek en op menige poëzieweblog of in een elektronisch poëzietijdschrift doet.
Lezen is kortom een handeling waarbij de lezer zich zelf spiegelt in het gedicht. Lezen is vaak niet meer dan een zelfexploratie, waarbij het eigen rationele bevattingsvermogen (het begrip) veelal het zintuiglijke ervaringsmoment (de sensatie) van de tekst in de schaduw stelt. Lezen is een vorm van zin geven binnen de (beperkte én verrassende) mogelijkheden die de lezer ter beschikking staan. We lezen meer met het verstand dan met onze zintuigen. We zoeken in teksten meestal betekenissen terwijl we die eigenlijk zelf gewoon toekennen, gestuurd door signalen in het gedicht. Of het gedicht zich nu als Perzisch tapijtje of als rafelig lappendeken open- of dichtvouwt voor ons speurend oog, we laten ons makkelijk leiden door onze hang naar semantiek, begrip, een overkoepelend (of structurerend) thema.
In De verstoorde lezer wijst Vaessens op het belang van de inzichten van J.J. Oversteegen in dit verband: ‘Uit zijn Anastasio en de schaal van Richter spreekt een poëtisch bewustzijn dat vreemd is aan de meeste cognitief georiënteerde poëzie-theoretische en interpretatieve beschouwingen, en dit is vooral te danken aan het feit dat Oversteegen over poëzie nadenkt vanuit het perspectief van de lezer. Hij schrijft over ‘de poëtische ervaring’ en ‘de poëtische schok’, waarmee hij het ongrijpbare, niet (geheel) te rationaliseren aspect van de poëzie erkent. ‘The name and nature of poetry’, zo haalt hij Alfred Housman aan, ‘indeed seems tob e more physical than intellectual’”.
Een markante uitspraak van Oversteegen is trouwens de volgende, die ik graag onderschrijf: ‘“Lezen” wordt gelijkgesteld aan ontcijferen (“dekoderen” zeggen de semiotici). Aan het gedicht als taal-aktie, waardoor het poëtisch moment, “de poëtische sensatie”, tot stand gebracht wordt, doet deze zienswijze tekort’.
De inbeperkende leesact, dus ook de intentionele leeswijzen die zich in poëziekritiek etaleren, ma-nifesteert zich op diverse niveaus. Poëzie is eerder al een weefsel genoemd, maar niet alleen formeel gesproken kan er van een weefsel sprake zijn. Ik vertel niets nieuws. Dichters bewegen zich in en laten zich bepalen door institutionele netwerken (uitgeverijen, tijdschriften, dichtersgroeperingen, contacten met andere dichters, literaire manifesten, prijzen- en voordrachtencircuits) en door wat ik gemakshalve maar mentale en tekstuele interrelaties noem (poëticale affiniteit, rationele en emotionele ervaringen, intra- en intertekstuele reminiscenties, het afgelegde leesparcours en de bekende ‘vadermoorden’). Hun gedichten bewegen zich op kruispunten van wat ik ook maar gemakshalve disciplines en zienswijzen zal noemen.
De dichter is een verknoopte geest. Kopland schrijft andere gedichten dan Van der Graft, Spinoy schrijft anders dan Lauwereyns. Dat ‘andere’ heeft niet alleen te maken met poëtica of bepaalde vormpreoccupaties, laat staan met thematische fixaties of met stilistische eigenaardigheden. Ook achtergronden, invloeden, mentale bibliotheken (leesparcoursen), professie (psychiater of dominee, academicus of neuropsycholoog), leeftijd en zoveel andere parameters bepalen een dichterschap, of een fase in een poëzie-ontwikkeling.
Poëziekritiek kan zich dus beter bewust zijn van haar zingevende begrenzingen, vanuit het besef van het complex dat elk gedicht is. Zelden zeggen kritieken ons evenwel meer dan de persoonlijke impressies van de toevallige beschouwer, hoe een gedicht is gelezen. In de kritiek zien we altijd weer het montuur en de dikte van de glazen van de leesbril die de beschouwer op zijn neus heeft. We zien hoogstens hoe het gedicht zichzelf gereflecteerd weet in die brillenglazen. Lezen is zich bewust zijn van die beperkingen. Die leesbril kan je voor mijn part de poëtica van de criticus noemen, het geheel van alle ideeën omtrent wezen, aard en functie dat hij aan literatuur meent te moeten toekennen. Over het gedicht zelf verneem je vaak niet méér dan dat het onmogelijk kan worden geparafraseerd (ook in de parafrase is natuurlijk geen andere stem te horen dan die van de zich toe-eigende criticus), of dat er geen woord teveel staat (of omgekeerd). Dàt het gedicht zich aan een résumé onttrekt, is wel duidelijk. Naar het ‘waarom’ is het vaak gissen.
Poëzie is een tekst- (en dus ook een extra-tekstueel) weefsel. Zelden ontmoet ik in de hedendaagse poëziekritiek een recensent die oog heeft voor de multidisciplinaire geaardheid van poëzie. Poëzie is immers méér dan een strikt literair genre, dat aan een eindige reeks conventies zou beantwoorden. Filosofische inzichten, religieuze bedenkingen, ethische bekommernissen, psychische besognes, ziektebeelden, ontologische twijfels - de verknooptheid van ideeën en gedachten in poëzie is oneindig - zijn in mindere of meerdere mate aanwezig gesteld in het gedicht.
Dat Wijnberg en Oosterhoff, Van Bastelaere en Hertmans anders dichten, hun specifieke eigen stem ontwikkelen, heeft niet alleen met een auteurspoëtica of een literaire visie op (verankering van) inhoud en vorm of op (de verhouding van) taal en werkelijkheid te maken. Of zelfs met uiteenlopende taalopvattingen. Tenzij taalfilosofische opvattingen natuurlijk gewoon als levensvisies te beschouwen zijn. Poëzie is in elk geval meer dan literatuur; enigszins romantisch-pedant geformuleerd wordt ze ook wel vereenzelvigd met een levenshouding.
Schrijvers zien de Republiek der Letteren waarin ze hun legitimatiebewijzen afleveren niet uitsluitend als hun biotoop. Of neerlandistisch geformuleerd: Nederlandstalige schrijvers behoren niet uitsluitend toe aan het veld van de literatuur die in ons taalgebied wordt geproduceerd. Ook dat gegeven lijken vele beschouwers over het hoofd te (willen) zien. Nu eens wordt in een beschouwing gewag gemaakt van een verwante dichter in het eigen taalgebied, occasioneel wordt ook een anderstalige dichter genoemd. Nu eens wordt op affiniteit met een schilder of een filosoof gewezen. Hoogst zelden wordt poëzie in een breder verband van tekstinterne (de ontwikkeling van een oeuvre) en literair-externe netwerken (in het literaire landschap, in een synchrone resp. diachrone context) geplaatst.
Lezen is niet alleen een divertissement of een aangenaam tijdverdrijf. Lezen kan ook een kunst zijn.
Zelfs een veeleisende opdracht waar we ons zelf mee verrijken of ons mateloos aan ergeren. De cri-ticus is in elk geval een schrijver (ontleend aan Het Perzische tapijt van Paul de Wispelaere). Teksten bieden mogelijkheden die een criticus al dan niet benut. Lezen is meer open lezen dan effectief openen, laat staan ‘schone geheimen’ ontfutselen. Lezen is een oefentocht ondernemen in het luchtledige. Elke lezer leest anders open, omdat onze horizonten anders zijn. In poëziekritiek blijkt de horizont meestal maar een vale afspiegeling van de beperkte mogelijkheden van de criticus, met het gedicht als excuus. Lezingen van gedichten zijn complementair. Gewoon omdat elke lezer (als een amalgaam van steeds weer andere lezers) het gedicht anders benadert, weer anders leest en betekenis toekent. Die veelheid zal het verknoopte gedicht nooit tegenspreken.
Met op de achtergrond deze beschouwingen over de hedendaagse poëziekritiek, ervan uitgaande dat elke kritiek zich schikt naar zijn eigen beperkingen en mogelijkheden benut of onbenut laat, wil ik in deze reeks over de kritiek van de kritiek enkele casussen uitwerken. In pragmatische (en dus niet theoretische, literair-historische of poëticale) poëzierecensies op weblogs, in dag- en weekbladen, in literaire periodieken en wetenschappelijke vakbladen, wil ik de blik van de beschouwer proberen te vangen. Pragmatische teksten proberen te ordenen, in de chaos de structuur te laten zien en te eva-lueren. De blik in deze teksten wordt bepaald door voorkeuren, verwachtingen, door literaire opvat-tingen, door voorkennis. Maar ook de methoden en procédés die aan de basis liggen van het kritische spreken bepalen het finale beeld. In mijn beschouwingen wil ik de kritiek als constructie lezen, of hoe een criticus zelf de schrijver van een dichtbundel wordt. Van een beeld althans, dat inwisselbaar is voor andere beelden. Beelden die veelal voorspelbaar zijn, die altijd weer het resultaat van een bepaalde leesstrategie Meestal ziet de lezer zich geconfronteerd met een (lees)probleem ‘dat niet met behulp van de gebruikelijke, op inhoudelijke coherentie gerichte leesstrategie kan worden opgelost’ (Vaessens). Zelfs in de wetenschap dat stellingnamen nooit statisch zijn, maar aan verschuivingen onderhevig. Evenwel: zodra we de leesbril hebben herkend, weten we doorgaans hoe wordt gelezen. Ceci est une poétique.
De productie van het nieuwe jaar moet nog worden geoogst. De kritieken zijn nog niet geschreven. En toch weten we doorgaans al hoe recensenten tegen de dingen zullen aankijken.
© Yves T'Sjoen, 2007
In voorbereiding: Y. T’Sjoen, In de taal gesleurd. Over het open/dicht lezen van poëzie (2008)
Inspirerende bronnen:
Wiljan van den Akker, Dichter in het grensgebied. Over de poëzie van M. Nijhoff in de jaren dertig. Bert Bakker, Amsterdam 1994.
Gillis J. Dorleijn en Kees van Rees, De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000. Vantilt, Nijmegen 2006.
J.D.F. van Halsema, Epifanie. Ogenblikken van verlichting en verschrikking in de Nederlandse letterkunde rond 1900. Historische Uitgeverij, Groningen 2006.
Ivo Michiels, ‘Het monster werkelijkheid in de film te kijken gezet, laat daarom de roman zijn vrije vlucht’, in Brief aan Beatrix en 22 andere opstellen over de roman en de romanbeschouwing (red. A.M.A. van den Oever en E. Bruinsma), DW&B, 152 (2007) 5-6 (december), p.805-807.
J.J. Oversteegen, Anastasio en de schaal van Richter. Literatuur/Literaire kritiek/Literatuurwetenschap. H&S, Utrecht [1986].
Thomas Vaessens, De verstoorde lezer. Over de onbegrijpelijke poëzie van Lucebert. Vantilt, Nijmegen 2001.
Paul de Wispelaere, ‘Het Perzische tapijt’, in Id., Het Perzische tapijt. Literaire essays en kritieken. De Bezige Bij/Contact, Amsterdam/Antwerpen 1966, p. 9-16.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Dat een kritiek een constructie is en beeldvorming doorgaans voorspelbaar - ik ben het er mee eens. Dat waar het een dichter eigenlijk om gaat uiteindelijk niet in een discursief betoog te vatten is - ook dat zou ik niet wagen te betwijfelen. Maar welk criterium heb je om te bepalen dat elke beeldvorming inwisselbaar is voor elke andere? Het veronderstelt een theoretisch metaniveau dat evenzeer een constructie is. Je komt, net zoals bij cultuurrelativisme, in een paradox terecht die niet op te lossen is.
Vreemd is het dan wel dat je blijkbaar meent te kunnen vaststellen dat lezers een 'probleem' hebben. Het veronderstelt een ijkpunt dat opeens niets relativistisch meer heeft. Ga je toch uit van zoiets als een adequate lectuur? Of hanteer je, nolens volens wellicht, een eigen 'poétique'? Misschien zou het dan eerlijker zijn om 'gewoon' in discussie te gaan met andere lezers.
Geplaatst door: Gert de Jager | 15-1-08 om 0:59
Prachtige reflectie van Yves T'Sjoen!
Geplaatst door: Mark van Tongele | 15-1-08 om 17:24
Wat betekent bijvoorbeeld een zin als "Het gedicht zoekt zelf zijn taalvorm."?
Geplaatst door: Adriaan Krabbendam | 15-1-08 om 20:37
Hetzelfde als de zin die vooraf gaat, lijkt mij. Alsdat de woorden die een gedicht vormen niet in een voorgevormde mal terechtkomen, maar dat die mal zich al vormende vormt. Werkendeweg, als het ware. Forma formans, sprak een Duitse geleerde ooit. Een strenge dame die een helder onderscheid zag met de forma formata waaraan wij als lezer zijn overgeleverd.
Tonnus Oosterhoff heeft er moeite mee, terwijl hij toch zowat in Duitsland woont.
Weinig Duitse poëzie trouwens op de Contrabas. Ook elders kom ik die nauwelijks tegen. Gebeurt daar niets interessants of zijn er geen jonge, gretige germanisten meer? Het is maar een vraag off-topic.
Geplaatst door: Gert de Jager | 15-1-08 om 22:02
http://www.lyrikline.org/ bevat veel vertaalde poëzie van en naar het Duits, daarbij ook redelijk wat vertalingen van en naar het Nederlands. Ik kwam er voor het eerst op om Mysjkin's Egger-vertalingen te bekijken.
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 15-1-08 om 22:22
Bedankt. Dat Mysjkin ook uit het Duits vertaalde wist ik niet en Egger is zelfs geen naam voor mij. Ik zal eens gaan kijken.
Geplaatst door: Gert de Jager | 15-1-08 om 23:05
Die zin die voorafgaat is zelfs geen zin. Zoals bijna alle eraan voorafgaande geen zinnen zijn. Alleen de derde zin is een echte zin, hoe vaag ook. Oké ik ben dól op ellipticiteit, net als op truffels, maar op een bepaald moment wil je ook aardappels. Dat je weet wat je eet.
Enfin, ik stel me zo'n gedicht voor, een zespotig sonnet met weldoorvoed bovenlichaam, op de tast in de wereld, want waar anders, op zoek naar een (zijn?) taalvorm. Het arme ding zal wellicht op een amoebe stuiten, of een virus, een schoolbord wellicht, al dan niet met krijtjes, en roepen om een spamfighter. Een beetje als de Tweesecondenman van Kamagurka, Een gedicht op zoek naar z'n taalvorm? Een kanarie op zoek naar z'n snavel?
Geplaatst door: Adriaan Krabbendam | 15-1-08 om 23:31
Lezen is een oefentocht ondernemen in het luchtledige
Yves T'Sjoen.
mooi! (Poëzie lezen is een oefentocht ondernemen in het luchtledige)
Geplaatst door: Iris van de Casteele | 10-2-08 om 19:49