llja Leonard Pfeijffer sprak tijdens Het Groot Beschrijf 2004 een banvloek uit over de Vlaamse poëzie. 'De Nederlandse poëzie van dit moment is oneindig veel rijker, gevarieerder, vitaler en spannender dan de Vlaamse, die als een vermoeide oude man bevend in zijn fauteuil voor zich uit zit te mummelen. (...) Een vergelijking met de Nederlandse poëzie leert wat de Vlaamse poëzie van dit moment node ontbeert. Zij mist grandeur, lef, lol en avontuur.'
Uit diverse hoeken (Jos Joosten in de standaard, Xavier Roelens en Maarten de Pourcq in het voorwoord van een bloemlezing) kreeg Pfeijffer de door hemzelf geworpen boomerang terug naar zijn hoofd geworpen.
Ondertussen ging en gaat de stellige uitlating van Pfeijffer niet op. De lijst publicerendeVlaamse dichters die werk leveren dat op zijn minst niet onderdoet voor Nederlandse collega's is onuiputtelijk: van Dirk van Bastelaere tot Reine de Pelseneer en van Stefan Hertmans tot Herlinda Vekemans.
Ik zou, drie jaar later reagerend op Pfeijffers stelligheid, willen zeggen: de Vlaamse poëzie was en is juist veel rijker, gevarieerder, vitaler en spannender dan de Nederlandse. Grandeur, lef, lol en avontuur zijn bovendien begrippen die niets met poëzie te maken hebben. Poëzie wordt gemaakt van taal, niet van woorden die in het holle register van de Hollywoodfilm thuishoren.
Helaas gaat de huidige bloei van de Vlaamse (en Nederlandse) poëzie hand in hand met een probleem dat veelal over het hoofd wordt gezien of wordt weggemoffeld. Dichtbundels worden niet of nauwelijks verkocht. Dat maakt het belang van deze publicaties niet minder, maar het maakt ze, nu veel uitgeverijen winstcijfers moeten overleggen aan concerns, wel kwetsbaar. Het gevaar dreigt dat bundels steeds minder voorkomen op de aanbiedingslijsten van uitgevers.
De Vlaamse poëzie tussen 1945 en 1985 is mede groot geworden door een eindeloze stoet 'marginalen', die hun werk in het licht gaven bij een bijna even lange stoet kleine uitgevers. Het lijkt erop dat de dichters binnen nu en 20 jaar terugzinkt in die marginaliteit, zonder daarbij terug te kunnen vallen op het elan en het engagement van de vorige generaties. Toen ging het om een strijd op leven en dood (óm het neo-realisme of tégen de redactie van Heibel). Nu gaat het... helemaal nergens om, behalve om de begeerde plek bij de 'grote' uitgeverij.
Daarom presenteer ik bij deze een plan, gericht tot de ministers Anciaux en Plasterk, tot redding van een heel genre. Het is heel eenvoudig: de excellenties stellen samen op jaarbasis 225.000 euro beschikbaar, te verdelen door een onafhanelijke stichting of instantie. Dat is een bedrag gelijk aan tien jaar de werkbeurs van Leonard Nolens.
Dat bedrag wordt verdeeld onder uitgevers die een bundel uitgeven: 1500 euro per bundel. Dit maakt een uitgave van 150 bundels per jaar mogelijk, ongeveer 20 meer dan nu gemiddeld het geval is.
Behalve de liefde van heel dichtend Nederland en Vlaanderen verwerven ze daarmee een plek in de eeuwigheid: ze hebben de poëzie voor zover die in boekpublicaties verschijnt, gered. De auteurs kunnen, zoals nu ook het geval is, terecht bij het Nederlandse en het Vlaamse Fonds voor de letteren, als ze een werkbeurs nodig hebben.
De dichters die zorgen voor de huidige bloei van het genre, kunnen hun oeuvres afmaken. Nieuwe dichters kunnen het toneel betreden. En in de toekomst leveren deze dichters, als ze hun symbolische kapitaal gaan verzilveren, veel meer op dan ze hebben gekost (112.500 euro per land per jaar).
Lees het hele, op 2 december 2007 in Sint-Niklaas gepresenteerde plan op de Vrije Tribune van Knack >>
© Chrétien Breukers, 12 december 2007
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties