door Hans van Wetering
De vorige week op 71 jarige leeftijd overleden August Willemsen was een schrijver en vertaler die ik bewonderde, niet alleen vanwege zijn prachtige autobiografische geschriften, en de soms pijnlijke eerlijkheid die hij daarin aan de dag legde, maar vooral ook als essayist over literatuur en als de man die de Braziliaanse schrijvers Machado de Assis en Guimaraes Rosa naar Nederland bracht.
Ooit, ergens in 2005, had ik het genoegen een avond met hem te praten, tijdens een diner bij een gezamenlijke vriend thuis. Het ging over van alles en nog wat, herinner ik me, over voetbal en waarom Romario wel betoverde en Ronaldo niet, over de ten onrechte verketterde Bijlmer – waar de baas van het architectenbureau waar ik destijds werkte driftig aan had meegetekend -, over drank en of je daar aanleg voor moest hebben, over literatuur en de verfilming van Nederlandse literatuur (Willemsen bleek bij die gelegenheid tot mijn verrassing niet op de hoogte dat Karakter van Bordewijk enkele jaren daarvoor reeds was verfilmd en zelfs bekroond). Dat ik zelf ook schreef en zelfs al een roman had gepubliceerd heb ik hem die avond niet verteld. Het kwam niet aan de orde, en ik zag geen aanleiding. Misschien speelde misplaatst ontzag voor de door mij bewonderde Willemsen een rol. Ik heb er hoe dan ook altijd spijt van gehad. En een tweede gelegenheid diende zich niet aan.
Tijdens dat diner was ik aan tafel aanvankelijk met mijn buurvrouw ter rechterzijde in gesprek, maar toen Willemsen mij op een gegeven moment iets vroeg, raakten we al snel aan de praat. Mijn buurvrouw zinde dat niets. ‘Waarom praat je nu plotseling met hém?’, voer ze plotseling verontwaardigd uit, ‘ben ik er niet meer of zo?’ Ik herinner me dat ik volkomen verbouwereerd was, in verlegenheid gebracht, en niets wist te zeggen, en dat Willemsen mijn buurvrouw vervolgens op onnavolgbare wijze kalm en gedecideerd uitlegde dat hij en ik toch heus een heel interessant gesprek aan het voeren waren en dat het bij diners nochtans gebruikelijk was dat mensen niet de hele tijd met een en dezelfde persoon converseerden.
Gisteren was ik dan bij zijn begrafenis, op de Nieuwe Ooster. Er was tamelijk veel volk op de been voor de opmerkelijk sobere plechtigheid. Willemsen mag dan een groot deel van zijn leven in zuidelijke landen en hun culturen hebben rondgezworven; het in die culturen vaak uitbundige ritueel was hier totaal afwezig. Enkele gedichten werden voorgelezen, er werden wat herinneringen opgehaald, en tenslotte liep de menigte achter de kist aan naar de laatste rustplaats, waar iemand meedeelde dat bij het graf geen toespraken zouden volgen, zodat de mensen zich al snel weer verwijderden, in de richting van een troosteloze grijze ruimte waar koffie en sinasappelsap werd geschonken. En dat was het dan.
Anderhalf uur luisterde ik, vanwege de drukte staand en met kramp in mijn voet, naar ingehouden maar liefdevolle toespraken over het heengaan van een groot talent, een erudiete en charmante man met een enorme werklust, iemand die niet tegen opsmuk kon maar tegelijk de theatraliteit niet schuwde en zelfs een zekere ‘intellectuele’ klunzigheid koesterde. Een egocentrische man ook die zich de vruchten van zijn succes graag liet aanleunen – de meisjes vielen als appeltjes op hem toe, vertelde zijn eerste vrouw Noor – en die trouwe vrienden had, van wie hij veel vroeg, en ook wel moest vragen, omdat zijn gezochte bohemienbestaan en zijn periodieke, alcoholische hang naar de afgrond hem op het laatst steeds vaker in een hulpbehoevende toestand brachten.
Met een treurige glimlach werden herinneringen opgehaald aan de mooie verhalen die de drankzucht van ‘Guus’ hadden opgeleverd. Dat Willemsen eens van plan was geweest om naar Australië te emigreren maar niet ver was gekomen. Zijn vrienden hadden hem, reeds in benevelde toestand, uitgezwaaid en nog dezelfde avond belde hij een van hen op. Die wilde vanzelf weten of Guus al in Melbourne was, waarop Willemsen antwoordde dat hij niet de indruk had. ‘Waar ben je dan wel?’, vroeg de vriend. Willemsen had geen idee. ‘Zit je in een hotelkamer?’ ‘Ja, ik geloof het wel.’ ‘Wat staat er op de fles’, vroeg de vriend vervolgens. ‘Allemaal rare tekens’, zei Willemsen. ‘Is het misschien Thais?’ Ja verdomd, het was Thais. Hij was onderweg naar Melbourne in een Thaise hotelkamer gestrand. Maar mooi waren die verhalen lang niet altijd en zeker niet op het laatst. De vriend aan wie ooit de Braziliaanse brieven waren gericht vertelde over het contact van de laatste weken en dat leverde een troosteloos beeld op van een man die steeds weer viel, die vervolgens z’n vrienden om hulp belde, waarna ze hem thuis aantroffen, ongeschoren en omringd door flessen.
De plechtigheid werd geleid door een goede vriend. Iemand van de Arbeiderspers hield een toespraak, evenals twee vrouwen uit Willemsens leven. Er werd een condoleance-mail voorgelezen van Willemsens vriend, de grote sambavernieuwer en poëet Chico Buarque, wiens muziek klonk bij het binnentreden van de aula (Roda Viva), en later ook tijdens de plechtigheid. De Braziliaanse ambassadeur gaf acte de presence, en verder zag ik vooral veel mij onbekende bekende gezichten, van het soort dat op de hoofdstedelijke literaire soirees vast niet zou misstaan.
Nergens bekijken mensen elkaar zo meedogenloos als op een begrafenis. En ook ik kan me er niet aan onttrekken. Zijn dochter Roos bemoeit zich niet met de plechtigheden, houdt zich een beetje op afstand, zo valt me op. Ze heeft zo te zien ook geen contact met de twee vrouwen uit Willemsens leven die een toespraak houden. Verbeeld ik me dat? Of zou het kunnen dat ze misschien gebrouilleerd is geraakt met de rest van de extended family? Met haar vader? Waarom ook niet? Die zal als vader toch moeilijk aan het ideaalbeeld hebben kunnen voldoen, met zijn talent dat vóór alles ging, de vrouwen die hij steeds om de volgende verliet, met zijn drankzucht en bijbehorende periodieke afwezigheid, met zijn voor iedereen zichtbare hang naar zelfdestructie. Dat vader een groot vertaler en schrijver was, is voor een dochter uiteindelijk toch minder belangrijk, bedenk ik, me tegelijkertijd schamend voor het onzinnige van zo’n speculatie, want ik weet er niets van en misschien waren ze wel heel goed met elkaar.
Opmerkelijk was hoe dan ook de afwezigheid van sentimentaliteit. Maar waaróm was die sentimentaliteit afwezig? Had het te maken met een sociaal-cultureel voorschrift dat in intellectuele kringen nu eenmaal dient te worden nagevolgd? Dachten de aanwezigen zich zo ‘in de geest van’ Willemsen te gedragen die immers zelf wars van opsmuk was geweest (alhoewel tegelijkertijd ook liefhebber van het volkse en het sentiment dat daarbij hoort)? Of moet ik mij juist de vraag stellen waarom ik de afwezigheid van sentimentaliteit opmerkelijk vond? Zijn we (ben ik) misschien zo gewend geraakt aan luidruchtig verdriet en publieke tranen dat we de bijna geserreerde stemming die hier heerste wel moeten wantrouwen? Uitbundig verdriet liet zich in ieder geval niet betrappen. Er was een kleine traan hier en daar, maar veel vaker nog werd er gelachen. En al met al was het toch vooral alsof, op nuchtere toon, de rekening van een voldragen leven werd opgemaakt. De toespraken deden zijn talent recht, het talent waaraan hij zich zonder remmingen had overgegeven. Er werd gesproken over zijn charme, dat hij vertederend kon zijn, enthousiasmerend, dat het een bijzondere persoonlijkheid was geweest, die het vooral ook met eenvoudige mensen - de bakker, de fietsenmaker - had kunnen vinden. Maar ook zijn egocentrisme bleef niet onvermeld, en evenmin dat hij geïnteresseerd was in mensen zolang die mensen vreemden voor hem waren, maar dat hij daarna vaak vluchtte, verdween, opdat hij ongrijpbaar bleef.
Wat overblijft is spijt om het overlijden van iemand die ik door zijn boeken heb leren kennen, veel meer dan tijdens dat enkele gesprek, en wiens liefde voor de Braziliaanse literatuur en muziek ik deelde. Spijt ook dat ik nooit meer de gelegenheid zal hebben om hem te vertellen dat ik zelf schrijf; dat we het nooit over Machado de Assis en Chico Buarque zullen hebben, en dat ik hem nooit bij gelegenheid zal kunnen vragen, zoals ik al zolang van plan was, waarom het nimmer tot een goede uitgave van de prachtige poëzie van Manuel Bandeira kwam.
‘Wanneer de Onverbeide der mensen daar zal zijn
(hetzij grimmig hetzij liefdevol)
Misschien ben ik dan bang.
Misschien ook glimlach ik of zeg ik: - Welkom, onontkoombare!
Mijn dag was goed, de nacht mag vallen.
(De nacht met zijn betovering.)
De akker is geploegd, het huis aan kant,
De tafel is gedekt,
Met alle dingen op hun plaats.’
(Manuel Bandeira – 'Avondmaal', vertaling August Willemsen, 1982)
© Hans van Wetering, 2007
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Hans,
Nogmaals briljant...
Maar de buurvrouw, waar je aanvankelijk in gesprek was, stond, volgens méine, aan je linkerzijde, en Willemsen aan je rechterzijde.
Zo je ziet, of je wilt of niet, alle goede komt van rechts...
Geplaatst door: carmo da rosa | 11-12-07 om 12:45
Beste Carmo da Rosa,
Enige dichterlijke vrijheid mag de heer van Wetering zich toch wel veroorloven? Zijn verhaal is geen verbalisantenformulier. Of zit de graat nog immer in het verkeerde keelgat? Daarbij: wellicht zoekt u nog steeds het perspectief (en alle daaraan verwante richtingsaanduidingen) in uzelve?
Geplaatst door: Agur Sevink | 11-12-07 om 13:46