Erik Vlaminck heeft de Boekenbeurs geopend met een vlammende speech. Nou ja, vlammend. Hij begon zo: 'De vraag was om een korte toespraak te houden. Dat is geen probleem. De vraag was om een grappige toespraak te houden. Dat is wel een probleem.' Ha ha. Echter, we zijn hier om Caesar te prijzen, niet om hem meteen te begraven. In zijn inderdaad korte speech kaart Vlaminck minstens één punt aan dat nadere bestudering waard is:
'Onze overheid stopt aardig wat centen in het bodemloze vat dat literatuur heet. Het is daarbij wel een opmerkelijke vaststelling dat veel van die centen niet bij de eigenlijke basis, de auteurs, terecht komen. Er is een erg ruim middenveld van manifestatieorganisatoren, medewerkers van stichtingen, fondsen, rechtenmaatschappijen, promotoren en plannenmakers dat ruim betoelaagd en werkend in werknemerstatuten met alles erop en eraan zijn ding doet. Het weze hen van harte gegund.'
Los van de onhandige formulering van de literatuur als 'het bodemloze vat' (een slapstick-parodie wellicht?), wat bij de budgetten die voor literatuur beschikbaar zijn alleen kan meevallen, want die budgetten kunnen in een heel klein gat gemakkelijk worden gedumpt, heeft Vlaminck gelijk. En natuurlijk weze het hen, de geldopstrijkende ambtenaren en andere festivalorganisatoren, van harte gegund.
Maar net als alle ambtenaren en andere festivalorganisatoren zijn ook de in het 'literaire veld' werkzame ambtenaren etcetera geneigd ervan uit te gaan dat hun beleidsterrein / hun festival het enige ware is, daarbij vooral veel van het budget opsouperend voor de inrichting en optuiging van het circus, doch niet voor de circusartiesten, zonder welke dat mooie circus meestentijds leeg zou staan. De rest van zijn uitspraken komt me minder logisch voor.
Zo zei hij: 'Want wie in dit land auteur is en niet nog een andere baan heeft, moet het stellen zonder enig sociaal vangnet. Langdurige ziekte of tegenslag leidt vaak rechtstreeks naar de marginaliteit. Het uitblijven van een nieuw uitgeverscontract betekent onherroepelijk het einde van het subsidieverhaal. En voor wie ouder wordt is een pensioen dat niet groter is dan een OCMW-leefloon geen uitzondering. Reeds enkele jaren bestaat er een kunstenaarsstatuut, maar voor auteurs is dat een slag in het water. Dat statuut is gemaakt op maat van uitvoerende kunstenaars zoals acteurs of muzikanten; voor creatieve kunstenaars biedt het niet het minste soelaas.'
In de meeste landen is het zo dat het niet hebben van een baan, niet fijn is. Ziekte en/of tegenslag leiden bijna overal tot marginaliteit. Dat geldt voor de schrijver, maar dat geldt daarnaast voor bijna alle mensen, uit bijna alle beroepsgroepen. Heel veel mensen in Nederland sparen niet voor hun pensioen, om welke reden dan ook. Daar doet een statuut niet veel aan af.
Vlaminck besluit zijn speech zo:
'Ik zou opzienbarend namen kunnen noemen van collega's met terechte naam en faam die, om het in mijn moedertaal te zeggen, geen nagel meer hebben om hun gat te krabben. Maar het is niet mijn taak om deze wantoestanden spektakelwaarde te geven.
Het is wel mijn taak om de verantwoordelijken voor dit zorgtekort met aandrang op te roepen om maatregelen te nemen. Een minimaal schrijverspensioen en een dito ziekteregeling moeten bespreekbaar worden.
Ik vraag beleidsinitiatieven van de Minister van Cultuur. Ik vraag medewerking van het Vlaams Fonds voor de Letteren. En ik kijk met grote ogen in de richting van de uitgevers. Zij mogen bij dit vraagstuk de kop niet in het zand steken. Auteurs zijn hun grondstoffenleveranciers; het is hun menselijke plicht om ook na de ramsj en de uitverkoop betrokken te blijven.'
Een minimaal schrijverspensioen en een dito ziekteregeling? Maar wie bepaalt dan welke schrijver binnen die regeling komt te vallen, en welke niet? Welke vertegenwoordiger van het 'middenveld' gaat dit uitzoeken? Welke ambtenaar? Welke medewerker van het VFdL of het FvdL? En wat moeten uitgevers doen, in een situatie waarin de auteur en hij een zakelijke overeenkomst hebben die de verkoop van boeken betreft, tot de ramsj en de uitverkoop aan toe, niet tot en met? Belangrijke vragen, inderdaad.
Vragen die de Vlaamse Auteursvereniging en de Vereniging van Letterkundigen niet kunnen beantwoorden. Tenminste, die ze niet kunnen beantwoorden door een gemakkelijke rel op poten te zetten nadat Jeroen Brouwers een prijs heeft geweigerd, na die prijs eerst half-en-half te hebben aanvaard. Brouwers heeft, letterlijk, bedankt voor de eer, wat ik een populistische daad vind.
Dat beide verenigingen de auteur daarin bijstaan, vermindert de statuur van de prijs; én het knaagt aan tenminste één fundament van het schrijverschap, dat waarin de eer soms boven het geldelijke gewin gaat, waarin eer geldelijk gewin oplevert. In deze tijd van snelle-bestsellers, vroeg-thuis zou dat nog eens wat geweest zijn: een 'fooi' aannemen, om literaire roem en geld te verwerven... een gelegenheid die Brouwers voorbij heeft laten gaan.
Brouwers heeft een punt als hij stelt dat auteurs moeten kunnen leven van hun werk. In Nederland en Vlaanderen zijn daarvoor letterenfondsen in het leven geroepen. Die functioneren misschien niet optimaal – maar ze functioneren wel en ze keren jaar in jaar uit aardige bedragen uit. 'De staat' heeft daarin geen aparte rol te vervullen. Tenminste, de staat heeft die rol uitbesteed aan de fondsen. Mocht de staat overgaan tot actievere bemoeienis, dan wordt daarmee ook getornd aan de rol van de fondsen, en daarmee aan het tot nu toe uitgezette beleid.
Uiteraard zouden grotere budgetten voor de letteren een goede zaak zijn. Ik zou zeggen: verdubbel de budgetten van de beide letterenfondsen, verdubbel, vooral, de budgetten die ze ter beschikking krijgen voor werk- en andere beurzen. Maar zwicht niet voor het populistische gefoeter van een auteur die enerzijds mee-eet uit de ruif, om daarnaast te pleiten voor het instellen van een tweede ruif.
Erik Vlaminck zie ik een mooie rol spelen in het onderhandelen over die hogere budgetten. Hij heeft er meer dan genoeg vlieguren in het middenveld voor gemaakt, inmiddels.
- De hele speech van Erik Vlaminck staat hier >>
- De brief van de Vlaamse Auteursvereniging en de Vereniging van Letterkundigen is hier te vinden >>
- Philip Hoorne interviewde Vlaminck voor Knack >>
- Erwin Mortier mengde zich in het debat >>
- Eerder op de Contrabas >>
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Chrétien,
Ik kan me vergissen, maar ik heb de indruk dat je opvattingen over dit onderwerp voor een groot deel zijn terug te voeren op die van Reve over het kunstenaarsbestaan. De vergelijking van het schrijversschap met andere beroepen, de materialistische benadering van het vak en die hele kruideniersmentaliteit komen uit zijn koker: 'Ik heb een winkel'. Het was ook de oorzaak van zijn breuk met Frans Pannekoek ('Bullie van der Knaak'), die weliswaar leuk kon etsen maar nooit een cent in zijn zak had en zijn werk weigerde in te zetten voor zijn levensonderhoud, omdat het daar te bijzonder voor was. Door te smalen op noties als Creatieve Noodzaak en Innerlijke Drift, en in plaats daarvan te wijzen op de kapitaalwaarde van literair werk heeft Reve aan de emancipatie van het beroep van schrijver bijgedragen, zoals hij dat in dezelfde tijd ook deed voor homo's. (Reve staat hier dicht bij Multatuli, zowel bij diens Droogstoppel als bij Max Havelaar, maar dat is een andere kwestie).
Waar je het hebt over 'literaire eer' lijken jullie niettemin uit elkaar te gaan. Reve vond juist dat schrijvers geld moesten eisen voor hun werk, en niet langer eer als schaamlap dienden te accepteren voor het uitblijven daarvan. In gelul kun je niet wonen, zei Jan Schaefer, en dat geldt uiteraard ook voor eer. Bovendien, wordt een schrijver geëerd als men hem een fooi geeft? Is dat niet juist vernederend? Wordt daardoor niet juist die Bullie van der Knaak-mentaliteit weer bevorderd?
De opvatting van het schrijverschap als het hebben van een winkel gaat op één punt mank: zowel schrijvers die niet verkopen als schrijvers die het niet voor het geld hoeven te doen blijven toch doorschrijven. Er is dus wel degelijk sprake van Creatieve Noodzaak en Innerlijke Drift. Dat is zowel de makke van het vak, als het punt waarop het zich onderscheidt van alle andere beroepen. Schrijven is cultuurscheppend, zoals het heet, en dat is een functie waar momenteel erg veel behoefte aan is. Wanneer een land zowel tegen zijn immigranten als tegen zijn buurlanden waarin het dreigt te verdwijnen wil zeggen: dit zijn wij, dan moet het met trots naar zijn schrijvers kunnen wijzen, en niet met schaamte omdat ze aan de geeuwhonger liggen. Een land dat zijn grootste schrijvers eens in de drie jaar met 16.000 euro wil eren, verdient dat het aan vreemde smetten wordt uitgeleverd.
Geplaatst door: RHCdG | 5-11-07 om 13:50