Over Drie Theremins van Frank Pollet
‘Wij worden erts dat niemand delft’, noteerde Frank Pollet (º 1959) ooit in het openingsgedicht van de bundel La Strada en laat dat niet z’n mooiste regel zijn, het is wat mij betreft wel z’n meest indringende. Toch kon je op dat moment, we spreken over 1985, nog niet vermoeden dat zijn poëzie later dermate zou inklinken dat zij hard en kostbaar als erts zou worden. Pollet schreef toen namelijk nog horizontale gedichten, zinnen die zich vaak ver over de regel heen uitstrekten, en hij vulde die met een onbedwingbare behoefte aan weinig bekende woorden uit de wereld van de technocratie en medische wetenschap, soms met meerdere in één zin.
Regels als ‘Wee hij, die een vagant kent die _ als kontraceptivum / Stil gebruik maakt van syntactische membranen’ uit de bundel Zymose zijn geen uitzondering in die periode. Toch staat daar ook al een woord als ‘vagant’, een verwijzing naar de voorkeur voor archaïsche woorden, die niet lang daarna de kop op zou steken.
Pollets bekommernis om vorm en symboliek kennende, wist ik al voor het openen van zijn Drie Theremins, dat het boek drie afdelingen zou kennen, met gedichten die waarschijnlijk uit drie strofen zouden bestaan. Drie is ook voor Pollet een heilig getal, niet voor niets bestaan de twee eerste delen van zijn trilogie in wording (‘Drie Theremins’ ontstond parallel daaraan), te weten ‘LaDiDa’ en ‘DaliDa’ eveneens uit drie reeksen (van negen gedichten).
En ja hoor, de dichter voldeed perfect aan deze verwachting, zij het dat elk drietal strofen een extra slotregel kent, die, al dan niet met variaties, als openingsregel van het volgende gedicht fungeert. Drie Theremins, opnieuw uitgevoerd in Pollets favoriete kleur violet (niks wil hij immers aan het toeval overlaten) daalt af in de tijd en telt de afdelingen ‘Dennengek’, opgedragen aan Charlotte Mutsaers (º1942), ‘Hartvuur’, aan Camille Claudel (1864-1943) en ‘Doorschijn’, aan Hildegard von Bingen (1098-1179).
Drie vrouwen, dat verklaart meteen de titel. Deels dan want een theremin is behalve een karakter dat voor het vrouwelijke element staat tevens de afgekorte naam van een van de vroegste elektronische muziekinstrumenten, de thereminvox van de Russische uitvinder Léon Theremin (1919). Het apparaat is te bespelen zonder het aan te raken, dankzij twee antennes, elk met een magnetisch veld, en evenveel radiofrequentie-oscillatoren. De elektrische signalen worden naar een luidspreker verstuurd. De daardoor ontstane verglijdende en vibrerende surreële klanken waren een tijdlang populair in allerlei avant-garde uitingen. Bij Pollet gaat het nooit alleen om de taal, verre van dat!
Pas nader beschouwen van die typische feminatekens met hun bolle koppen en kruisen daar direct onder onthulde Pollets bedoeling met de toegevoegde regel onder elk drietal strofen. Als hij namelijk het liggende streepje symbool wilde laten zijn voor de extra regel, zou hij wellicht ook de open cirkels gebruikt kunnen hebben. Opnieuw raak! Niet alleen verbinden de toegevoegde regels als een snoer de verzen onderling, ook kent elke afdeling spiegeling tussen de allereerste en allerlaatste regel. In ‘Dennenboek’, het openingsvers van ‘Dennengek’ reflecteert ‘Praat mij aan, praat mij af’’ in ‘Dus, Liefste, praat mij aan.’, het slot van ‘Inkijk’ het negende gedicht. Ditzelfde procédé, waarmee Pollet elk negental een cyclisch karakter geeft, waarvoor de cirkel symbool wil zijn, zie je ook in de andere afdelingen.
Het openingsgedicht compleet:
Praat mij aan, praat mij af
En toe over de pijnen die mij wachten
Aan de randen van de naald
-boom in haar tuin en op haar graf.
Ik ontbreek haar naam en vele nachten
Zijn te mijden als de kou. Bepaald
Is zij, ben ik. Wij zwijgen laf
En kijken naar het lege blad
Waarop onze woorden tweemaal
Doorgehaald. Als met flauw hout.
Korte regels, eenvoudige beeldspraak, rustige zegging en hier en daar een allittererend effect. Wat een karige poëzie zou je op basis van de eerste lezing zeggen. En toch broeit het in deze strofen, toch gebeurt er een heleboel in de tekst, die nog meer aan mogelijke betekenissen wint, naarmate hij afgezet wordt tegen de volgende gedichten. Ze zijn stuk voor stuk semantische schaakborden met verschillende constellaties, waarvan de stukken verschuiven bij elke lezing.
Pollet bewijst met deze eenvoudige maar efficiënt ingezette middelen veel meer reacties op te kunnen roepen dan pakweg twintig jaar geleden met jargon en een excessief gebruik van lees- en lettertekens. Nu zie je in deze tekst slechts één afbreekteken (maar nog wel eigenzinnig op de volgende regel gezet, ter wille van het verkeerde been van de lezer). De lezer heeft zich dan toch al het hoofd gebroken over de relatie tussen aanpraten en afpraten, voordat hij in de tweede regel kwam tenminste, en over de mogelijkheid dat een naald of een naaldboom een rand zou hebben en hoe die dan er wel uit zou zien. Of vallen die twee begrippen voor Pollet wellicht samen, zijn de naalden de randen van de boom? Dat staat dan haaks op het flauwe hout aan het eind, dat overeenkomstig de volgende tekst voor loofbomen zou kunnen staan, waar de dichter verdergaat met: ‘Flauw hout is niet aan mij / Besteed: ik warm mij niet aan vuren / Schroten…’
Een sterke uitspraak is natuurlijk ook het kernachtige maar meervoudige ‘Ik ontbreek haar naam’. Hier zijn allerlei vragen op toe te passen die elk een verschillend antwoord opleveren. Pollet ziet de diverse resultaten, of een aantal daarvan, evenzeer als middel of gereedschap als zijn woorden en beelden. Hoe zinvol is het bijvoorbeeld dit citaat te parafraseren als: Ik zorg ervoor dat haar naam ontbreekt; of: Ik heel haar naam (want het voorvoegsel staat haaks op, of verzacht de betekenis van breken); of: Ik breek haar naam niet, enzovoort? Ieder antwoord voegt onzichtbaar iets toe aan de inhoudelijke structuur van het gedicht.
‘Wij zwijgen laf’ veronderstelt dat er eigenlijk gesproken moet worden, terwijl de dichter zich juist volop uitspreekt middels een gedicht. Van dit soort contrasten staan Pollets gedichten bol om een in deze situatie zinvolle uitdrukking te gebruiken.
‘En kijken naar het lege blad’ kan niet anders dan op een vel papier slaan want bladeren zijn nooit leeg, tenzij misschien als je naalden als zodanig wilt opvatten, maar daar zijn geen woorden op door te halen. En dat vindt hier zelfs tweemaal plaats. Waarom tweemaal? Er zijn twee personen, een ik en een zij maar waarom zou het aantal doorhalingen daarmee verbonden moeten zijn? Toch is het aantrekkelijk deze gedachte verder te ontwikkelen, al was het maar omdat de ik en de zij minstens als Pollet en Mutsaers op te vatten zijn, beiden auteur, woordwerker.
In de gedichten staan tal van verwijzingen naar de trekken en ervaringen die de drie vrouwmodellen kenmerken. Bij Mutsaers gaat het dan om de liefde voor dieren en de natuur in het algemeen, bij Claudel om haar tumultueuze geestelijke ontwikkeling en de moeizame relatie tot haar leraar en minnaar Rodin, en bij Von Bingen om de spirituele krachten, de spanning tussen geest en ziel. En dat niet alleen; elk van de drie vertegenwoordigt een muzische richting én een tijdvak: Mutsaers is schrijfster en onze tijdgenoot, Claudel was gedreven, volgens sommigen als bezeten met sculptuur bezig en leefde in een periode van mannelijke dominantie, ze ging ten onder aan de belangen van eerst Rodin en vervolgens haar broer, de kwezelachtig katholieke dichter Paul Claudel, en Von Bingen was componist en abdis maar kon ook meepraten over de machtsstrijd tussen mannen en vrouwen.
Anders dan Claudel echter wist zij wel haar gelijk te halen en zowel haar innerlijke als uiterlijke wereld handhaven. Op de grens van de Vroege en de Late Middeleeuwen was Von Bingen een zeldzaam machtige dame. Verkeerde Claudel noodgedwongen binnen de muren van een inrichting, (door toedoen van broerlief zelfs nadat ze al lang gezond was verklaard), Von Bingen verkoos de afzondering van het klooster.
We moeten Pollet krediet geven voor de wijze waarop hij de geïnteresseerde lezer zelf thematische en symbolische bouwstenen weet te laten aandragen, niet alleen voor deze bundel maar voor heel zijn oeuvre. Herhaaldelijk wees hij bijvoorbeeld al in vroege bundels op het geïsoleerde bestaan van de dichter.
Zo ontstijgen zijn verzen het bestek van de tekst en kom je uit bij de centrale thematiek: die van leven en dood…mét diverse variaties: het leven tégen de dood, het leven door de dood héén, dat op twee niveaus mogelijk is, nl. door de overlevering van de idee, de geesteskracht, en door de overleving van de boeken, beelden en muziek die daaruit ontstonden.
Ter ondersteuning van die allesoverheersende thematiek weet Pollet optimaal gebruik te maken van zijn modellen. Zo speelt hij met de wetenschap dat Von Bingen ook nog eens wijd en zijd bekend stond als heelster. Hij begint de eerste strofe van ‘Doorschijn’: ‘Meng mij, drijf mij aan / In zachte wonden, ga in mij / Volkomen op, stort al uw kleuren uit’ en sluit zowel deze reeks als de bundel met het toepasselijk ‘Amen’ geheten gedicht af:
Oog Hart Mond Maag Vulva
Cervix Portio Hymen Ovarium
Menstruatie Jeuk Vertigo Anus
Saliva Bloed Zweet Sperma
Tranen Gal Koorts Ureum
Diarree Abces Pus
Roos Climacterium Reuma
Eczeem Cyste Postcoïtum
Eelt Cariës Afasie Exitus.
Dus, Engel, meng mij.
Over Drie Theremins valt nog veel meer te vertellen. In elk geval moet gezegd worden dat de bundel tot de rijpste en origineelste dichtwerken van de laatste jaren behoort. Het werkelijke belang ervan komt slecht overeen met de wijze waarop Pollet dankzij een uitgekiende E-mailactie (gesteund door een grote schare welwillende vrienden, familieleden, leerlingen en buren, die zich zeker niet allemaal met poëzie bezighouden) voor Drie Theremins de Publieksprijs voor de Beste Poëziebundel 2006 binnenhaalde. Wat zouden Mutsaers, Claudel en Von Bingen daarvan denken?
Ofschoon…laten we vooral Von Bingen, de veelzijdigste van de drie, niet onderschatten; wat had zij met haar gaven op internet niet zoal kunnen bereiken? Het antwoord daarop zou een fascinerend boek kunnen opleveren, door niemand beter te schrijven uiteraard dan Frank Pollet.
© Albert Hagenaars, 2007
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties