Dit is het vervolg op deze bespiegeling >>
Na terugkomst vanavond las ik de recensie die Willem Thies voor Poëzierapport heeft geschreven over Lasters poëziedebuut Vouwplannen. Hij concludeert: 'Toch dient gezegd: Ruth Lasters kán dichten, zij is vaardig, verstaat haar vak, dicht in een eigenzinnige en gedurfde stijl. Ik vang daar een glimp van op. Maar de storende elementen overheersen. Zij wil te zeer filosoferen. En zij wil te zeer ideeën voor kunstwerken presenteren, in een poëtisch jasje gestoken.'
Ik kan me daar, bijna helemaal, bij aansluiten. Maar dat is materiaal voor een andere keer. Nu ben ik nog bezig om mijn leeservaring van Poolijs uit te serveren.
Na de flaptekst en de openingsalinea, twee stukken proza die mij niet meteen het verhaal in trokken, deed ik de 'bladzijde-100-proef'. Die gaat zo. Je bladert door naar bladzijde honderd en begint daar te lezen bij de eerste volledige zinnen. Die zinnen luiden:
Jij, wie weet ben je wel strontvervelend, stink je naar veertien katten en zes cavia's of heb je nog ergere tics dan ik – zo ja, vertel! Nee, je droeg iets donkers, had een krant onder de arm en je stond voor een glimmende etalage. Nu herinner ik me weer waarom ik jou koos. Er reed een brandweerauto voorbij. Helse sirenes, iedereen draaide zich om, behalve jij. Dat intrigeerde me.
Het beeld wordt een beetje compleet. Hier is iemand aan het werk die ons wil verbazen, verbluffen, iemand die ons sprakeloos wil maken met een taalvuurwerk, met de brandende hoepel die verbeelding heet, die hoepel waar de auteur zometeen – hooggeëerd publiek, opgelet! – doorheen zal springen, zonder door ook maar een vlam te worden geschroeid. Maar helaas is de truc die ze daartoe aanwendt nogal doorzichtig. De overgang tussen zin een en zin twee; dat verschuiven van een eerste indruk naar een keuzemoment naar een moment waarop iemand begint te intrigeren... en dat nog los van de sleetse hoepel ('een krant onder de arm', 'glimmende etalage', 'helse sirenes').
Hier is iemand aan het werk die niet zozeer literatuur wil schrijven, maar die literatuur inzet om een doel (boeken maken) te bereiken. Dit brengt mij, bijna automatisch, en ook wel in reactie op Rutger H. Cornets de Groot (die mij onder voorgaand bericht vroeg: 'Misschien kun je eens een zondagmiddagoverpeinzing aan je vooronderstellingen ten aanzien van literaire teksten wijden?') op dit citaat:
´Ik houd van het proza, dat als een man op mij toekomt, met schitterende oogen, met een luide stem, ademend, en met groote gebaren van handen.´ (Lodewijk van Deyssel, Over literatuur, 1886; lees waar 'man' staat: 'man of vrouw'.)
Ik hou, op mijn beurt, van literatuur die mij iets mededeelt, zonder dat ik elke zin eerst zelf bij elkaar moet puzzelen. Van proza dat helder is, en toch geheimzinnig; dat de expliciete boodschap mijdt & waarin de verbeelding triomfeert. Bovenal houd ik van proza als dat goed geschreven is, door een auteur die zijn vak verstaat en die dat vakmanschap aanwendt om een kunstwerk te maken.
Na de flaptekst, de eerste alinea en de zinnen die ik op pagina 100 aantrof te hebben gelezen, probeerde ik het hele boek door te nemen. Op bladzijde 85 liep mijn karretje definitief vast in de zandweg. Ik las: 'Je zou één avond moeten kunnen verwijderen uit je relatie. Met een reusachtige pincet één middag tegen één nacht klemmen en alle uren die daartussen zitten als een splinter eruit trekken.' Dat gelezen hebbend, klapte ik de voorkant van het boek tegen de achterkant, zonder pincet, maar met een harde klap. Hallo zeg.
Ik waardeer veel prozawerken die voornamelijk lijken te bestaan uit 'indrukken' of 'poëtische fragmenten'. Het park van Sollers. Claude Simon. Dat werk. Een prachtig boek en net als Poolijs een debuut. Zelfs Beckett kan ik soms verdragen. Poolijs is mij echter te veel een verzameling losse fragmenten, bij elkaar gehouden door een thematiek (maar welke?), doch niet geschraagd door een stijl die het geheel splintervrij heeft weten te krijgen.
Jammer. Op naar Vouwplannen.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Chrétien,
Ik blijf nog even doorzeuren. (Men verwacht dat van mij). Je schrijft:
'Bovenal houd ik van proza als dat goed *geschreven* is, door een auteur die zijn vak verstaat en die dat vakmanschap aanwendt om een kunstwerk te maken.'
Zou je nog eens kunnen zeggen waar zulk vakmanschap voor jou aan kan worden herkend, en aan welke normen een met zulk vakmanschap te vervaardigen kunstwerk voldoet? En nog een andere vraag: is het mogelijk dat een auteur die 'zijn vak verstaat' een boek zou schrijven dat niet aan deze impliciete normen voldoet? En ten slotte: houdt je waardering voor het 'vak' verband met je opvatting van het schrijverschap als ambacht, vergelijkbaar met dat van kruidenier?
Geplaatst door: RHCdG | 28-10-07 om 23:01
Wel, Rutger... dank voor de vele vragen. Ik kom er op terug, beloofd.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 28-10-07 om 23:20