Wouter Steyaert (Gent, 1982) studeert farmacie en biotechnologie. Hij publiceert poëzie in verschillende literaire tijdschriften (bijv. Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Krakatau en Ballustrada). Zijn gedichten werden meermaals bekroond, onder andere in de Basiel de Craeneprijs en de Literaire Prijs van de stad Harelbeke. In 2007 won hij de HC-trofee schrijfwedstrijd.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Er staat een praatpaal op mijn hoofd.
Het is niet evident
om bijv. door de deuropening te raken.
Ik moet me diep bukken
en als een kuikentje het huis binnengaan.
Een geluk dat door één of ander toeval
het plafond te hoog werd gelegd,
en ik zomaar kan wandelen
in mijn woonst. Ook
headbangen is een mogelijkheid.
Het ontspant me meer en meer.
De dokter zegde enkel dat ik voorzichtig moet zijn,
hersenbloedingen zijn nooit ver weg moet je weten.
Zonde dat die hoorn steeds
tegen dat schoon stuk oranje slaat.
Op straat staren de mensen me na
alsof het zo ongewoon is
een praatpaal op je hoofd te hebben.
Misschien zijn ze enkel verbaasd
omdat ik er steeds in slaag het evenwicht te bewaren.
Er zijn ook mensen die me opbellen, vraag me
niet hoe, want ik dacht
dat het onmogelijk geworden was.
Ik neem dan heel beleefd op, en zeg
dat het met de Belgische staat is.
Mensen stellen me de allergekste vragen.
Of ze wat reclame mogen maken langs het luidsprekertje.
Waar hun auto precies staat geparkeerd, wanneer
hun slee nog eens in panne zal staan. Of er ergens
een spookrijder is gesignaleerd, …
Soms belt er een pienter meisje
met de stem van Ayco Duyster.
Ze vindt me aardig denk ik, en noemt me ‘Belgische’.
Ze vraagt vaak hoe het gaat met mij,
en dat roert me wel.
2. Waarom poëzie?
Behoorlijk toevallig. Het had evengoed fotografie of schilderkunst kunnen worden, als ik er maar mijn manier van waarnemen in kwijt kan. Voor die laatste heb je natuurlijk wel een technische bagage nodig die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zomaar heb; poëzie ligt dus meer voor de hand.
Een jaar of vier geleden had ik iets opgeschreven en er waren mensen die dat een gedicht noemden, geheel onterecht natuurlijk. Toch moet dat mede de oorzaak geweest zijn (naast het feit dat dingen opschrijven nu eenmaal goedkoop is) dat ik nog zoiets neerschreef. Enzovoorts. Langzaamaan kreeg hetgeen ik schreef een zekere kwaliteit, en begonnen ook belezen mensen het oké te vinden. De waardering die ik kreeg, was een extra stimulans om ermee door te gaan, en dat is nog steeds zo.
Sinds een drietal jaar ben ik ook echt gaan houden van poëzie. Het lezen van andermans werk en het zelf bereiden van een gedicht is een passie geworden; ik denk zelfs dat ik het nodig heb de dag van vandaag. Ik zie dus geen enkele reden om ermee te stoppen, meer nog, ik zie een noodzakelijkheid om ermee door te gaan.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Het is niet zo dat bepaalde dichters of bundels mij in het bijzonder inspireren. Wat wel het geval is, is dat het lezen van bepaald werk een diepe indruk op mij kan nalaten, en dat zal mij wellicht beïnvloeden op de één of andere manier. Zo is dat gebeurd met het werk van Mevrouw Szymborska. Haar heldere, toch diepzinnige manier van schrijven heeft mijn opvatting over poëzie enigszins bijgesteld moet ik zeggen. Ook Els Moors haar bundel vind ik bijzonder sterk, bijna een opluchting te zien dat zoiets mogelijk is. Erik Spinoy, met Boze Wolven vind ik eveneens uitstekende poëzie. En er zijn nog wel dichters van wie ik grote delen werk bijzonder knap vind, te denken aan Montale, Milosz, Borges en andere die ik nu even uit het oog verlies.
Meestal, echter, vind ik van een dichter slechts beperkte delen goed, en dat is meteen toch een hele andere situatie. Je leest een sterk gedicht, of enkele sterke gedichten, maar je dringt niet binnen in de wereld, zoals dat gebeurt bij de dichters die grote coherente stukken schreven op een constant hoog niveau. En het is net dat laatste, de wereld die wordt gecreëerd, dat mij zo aanspreekt; datgene wat mede tussen de gedichten zweeft.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
de rotsen die hier in het zand liggen
liggen er al eeuwen
die rotsen liggen in het zand
zelfs als je je hand
als je een dromedaris steekt
omdat hij spuugt terwijl hij spreekt
in zuid-amerika
perst men de limoenen boven de
rucola trendy is de limousine
waarmee wij het dorp binnenrijden
daar staat het kind dat krimpt
dat meestal onder het dakraam zit
en kijkt ons aan
een dier in nood dat maakt men af
dat steekt men dood
© Els Moors
uit: er hangt een hoge lucht boven ons, uitgeverij Nieuw Amsterdam
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Reacties