In Er staat een stad op, de tweede bundel van Maria Barnas, zijn de dingen voortdurend in beweging: struiken kruipen tevoorschijn, bomen tillen zich op hun schaduw, een plafond van sterren stijgt, er staat een stad op. Dit doen zij niet geheel en al op eigen kracht, daar is iemand voor nodig, een waarnemer: de nachtelijke bezoeker van een park, de passagier van een dalende lift.
Maria Barnas is schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. Haar debuutbundel Twee zonnen werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs 2004. Al in haar eersteling is embryonaal aanwezig wat in de opvolger tot volle wasdom komt: niet de waarnemer, maar het waargenomene is in beweging. Hierdoor worden de dingen ‘bezield’. Het gedicht ‘Kralenzee’ uit de debuutbundel opent met de regels: ‘De stad draaide zich om / toen ik omkeek.’
De stad (en als afgeleiden daarvan de straat en het park, dit ‘natuurreservaat’ van de grote stad) is een belangrijk personage in Barnas’ jongste bundel. Want een personage, dat is het: ‘Ik fietste door een kalmte in de stad / die langzaam huizen werd’ (‘Te laat’); ‘Vannacht zag ik dat de stad wat openbrak’ (‘Ik zag dat’); ‘Het water tast / naar de hoogte van de stad’ (‘Verwijdering’); ‘De straten roeren zich niettemin’ (‘Voor de zekerheid’); ‘Voorzichtig / door de grijze straten want de stad bedenkt zich / slechts een bocht op mij vooruit’ (‘Het hout scheurt’).
De stad speelt uiteraard ook een hoofdrol in het titelgedicht, ‘Er staat een stad op’. Iemand daalt vanaf de twintigste verdieping in een lift af, om in de straten van Buenos Aires te belanden. Tijdens die afdaling komt hij ook nog eens ten val. Deze tweevoudige neerwaartse beweging – afdaling én val – wordt echter voorgesteld alsof er een stad wordt opgetrokken rondom degene in de lift. Huizenblokken en flatgebouwen schieten als paddestoelen uit de grond en groeperen zich rondom de afdaler. Wanneer de man of vrouw de begane grond heeft bereikt en de lift uit stapt, heeft de stad zich in volle lengte uitgestrekt.
In de lift struikel je over de drempel uit een zeker huis.
Een plafond van sterren stijgt.
Zo storten twintig verdiepingen. Languit.
Er staat een stad op.
In het gedicht ‘Ik zag dat’ zien we diezelfde verschuiving: iets dat doorgaans wordt gezien als stilstaand, wordt voorgesteld als iets dat voortdurend in beweging is.
Vannacht zag ik dat de stad wat openbrak.
Alsof zij zich versprak kropen tussen de kieren
en stenen dieren en struiken en tooien vandaan.
Bomen tilden zich uit die schaduw op
en zochten een houding tegen de weekzwarte lucht.
(...) Ik zag dat
een egel over een tegel onder de Berlagebrug
schoof en een scheef park dat van lantaarnlicht
erg groen was zwart bloeden aan de randen.
Juist in de schemering lijken bomen en struiken tot leven te komen. Wat zich binnen het bereik van het lantaarnlicht bevindt, is ‘erg groen’: onnatuurlijk, onwerkelijk groen, vanwege het kunstlicht; aan de periferie van de cirkels licht blijft het park in donker gehuld: ‘zwart bloeden aan de randen’.
Verreweg het mooiste gedicht uit de bundel, kort en eenvoudig als het is, vind ik ‘The Isle of Mull’:
Er is een deel van de wereld
in de whisky in mijn glas en wat
heb ik daarmee te maken.
(...)
Het brood is op en we hopen
dat er vis is in het dorp.
Mull is een eiland voor de Schotse westkust, in de Atlantische Oceaan. Op het eiland bevindt zich een whiskydestilleerderij. Met name de regels ‘Er is een deel van de wereld / in de whisky in mijn glas’ spreken sterk tot de verbeelding. Je kunt ze natuurlijk letterlijk lezen: van álle whisky in de wereld zit er een deel, zij het een onnoemelijk klein deel, in haar glas. Daarbij is whisky natuurlijk gebottelde tijd: sommige whisky’s rijpen wel 15 tot 20 jaar op eikenhouten vaten. Schenk je daarvan, dan bevat je glas een stuk geschiedenis, herinneringen (dat is misschien een beetje overdreven, dat laatste...): ‘een deel van de wereld’. Whisky is bovendien van oudsher verbonden geweest met de zee en zeelieden, met verre reizen en vreemde kusten. Ten slotte is de roes die whisky opwekt veel meer omgeven met magie dan de ‘banalere’ dronkenschap van bijvoorbeeld bier en jenever.
Deze poëtische bewoording ‘Er is een deel van de wereld / in de whisky in mijn glas’ wordt echter direct gevolgd door het prozaïsche ‘en wat / heb ik daarmee te maken.’ Geduld, geschiedenis, herinneringen, magie, verbeelding, poëzie - wat doet dat ertoe als het brood op is? Het gedicht eindigt dan ook met de nuchtere vaststelling, schitterend in eenvoud: ‘Het brood is op en we hopen / dat er vis is in het dorp.’
Kleurgebruik
Maria Barnas dicht in een sterk beeldende stijl. Het veelvuldig gebruik van kleur is daarbij opvallend. In Twee zonnen komt 49 maal een kleuraanduiding voor - het gebruik van de term ‘wit’ en ‘blauw’ is daarbij het meest frequent: 14 respectievelijk 12 maal (tegenover, bijvoorbeeld, 3 maal rood en 5 maal zwart). Blauw en wit zijn de maritieme kleuren bij uitstek: zeilboten zijn doorgaans wit en blauw geschilderd, en ook matrozenpakken en de kleding van de yachtclub zijn blauw en wit van kleur. Veel gedichten van Twee zonnen zijn gesitueerd aan zee, woorden als ‘boten’, ‘zeilen’, ‘water’ en ‘haven’ komen veelvuldig voor.
Aan de keuze voor juist de kleuren wit en blauw in de debuutbundel ligt nog een andere motivatie ten grondslag: het zijn de meest serene, zuivere kleuren. Twee zonnen is een uitermate ‘lichte’, zomerse bundel. Hier en daar kruipt weliswaar wat duisternis de gedichten binnen, maar het is een duisternis die buiten de dichter (of beter: het lyrisch ik) staat; waarmee zij weliswaar nu en dan in aanraking komt, geconfronteerd wordt, maar die geen deel van haar uitmaakt, zoals dat bij sprookjesfiguren als Sneeuwwitje en Assepoester het geval is. De duisternis huist niet in de dichter, maar in de buitenwereld.
In Er staat een stad op is een opmerkelijke verschuiving in het kleurgebruik waarneembaar: wit komt nog steeds heel frequent voor (9 maal), maar het vaakst duiken nu de kleuren rood en zwart op; beide 11 maal. Slechts éénmaal wordt de kleur blauw in een gedicht gebruikt. Opvallend is ook de frequentie van de kleuraanduiding ‘bleek’: maar liefst 7 maal komt de donkerste kleur die wij kennen in deze bundel voor. De verschuiving in het kleurgebruik vormt een indicatie dat Er staat een stad op een minder serene, duisterder bundel is dan zijn voorganger. Al turvend noteerde ik: ‘Tel bloed! Het woord ”bloed” en vervoegingen en samenstellingen “bloeduitstorting”, ”bloembloed”) komt 8 maal voor. Het zal geen toeval zijn dat de felle, ”ruwe” kleur rood en het woord ”bloed” beide zo vaak gebruikt worden.’
Met Er staat een stad op toont Maria Barnas aan te behoren tot de beste hedendaagse dichters. Sinds Twee zonnen – ook al getuigend van ongekend talent – heeft Barnas, met name in stilistisch opzicht, een grote evolutie doorgemaakt. Er staat een stad op is simpelweg een meesterlijke bundel.
© Willem Thies, 2007
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Wonderlijk dat Breukers al zo'n uitgesproken mening heeft. De bundel is nog niet verkrijgbaar en is alleen aan een paar mensen die erom gevraagd hebben verstuurd. Breukers hoort daar niet bij.
Geplaatst door: Maria Barnas | 29-8-07 om 12:40
Ja, vreemd. Maar ik kreeg hem toch toegestuurd.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 29-8-07 om 15:22