Uw artikel heeft, nu al, voor veel commotie gezorgd. Helaas richt die commotie zich alleen op uw vermeende ongelijk (Jaeggi) of zegt die commotie ronduit dat u onzin uitkraamt (Rutger H. Cornets de Groot). Er is eveneens commotie die kwaakt en kwakelt. Er is nog ongepubliceerde commotie. En er is iemand (Micha Hamel) die suggereert dat u op een listige manier een nieuwe functieomschrijving voor de Dichter des Vaderlands heeft opgesteld.
Ik ben zelf geneigd u op uw woord te geloven, hoezeer uw woord van nu ook in tegenspraak is met uw werkzaamheden voor de verschillende 'media'. U wilt, waarde Ron Rijghard, dat de dichtkunst zich uit zijn hermetische of onbegrijpelijke windsels draait en zich naar 'het volk' keert. U ziet daarin alleen voordelen, voor dichtkunst en volk. Dat gaat niet zomaar. U schrijft dan ook:
'Het is hels moeilijk om goede, begrijpelijke poëzie met een hart en een ziel te schrijven en er verschijnt genoeg rommel onder het mom van "toegankelijkheid". Dat het kan en dat het helpt als een literatuur op toegankelijkheid is ingericht, toonde Poetry International vorige week opnieuw aan. Ieder jaar treden er gulle, gedreven dichters op, die in kraakheldere verzen de wereld om hen heen bezingen. Bloedserieus of met een kwinkslag, maar altijd volstrekt on-Nederlands, omdat ze zo vanzelfsprekend van een grote begrijpelijkheid zijn. Ze schrijven verhalende gedichten, met een kop en een staart, en durven daar de tijd en ruimte voor te nemen. Ze bewijzen dat eenvoud originaliteit niet in de weg staat.'
Zelf ben ik misschien te goed 'ingevoerd' om 'begrijpelijke' poëzie te kunnen onderscheiden van 'onbegrijpelijke'. Bovendien maak ik liever een onderscheid tussen 'goede' en 'slechte' poëzie, daarbij niet in de eerste plaats lettend op 'begrijpelijkheid'; wat de een begrijpelijk vindt, houdt de ander weer voor vaagheid. Maar gulle, gedreven dichters, ze zijn er te kust en te keur, ook in Nederland. Ik denk bijvoorbeeld aan Han van der Vegt, die met Exorbitans een lang gedicht heeft geschreven met een kop en een staart, een gedicht dat zeer origineel is en uitermate geschikt om voor grote gezelschappen voor te lezen.
Maar goed, dan komen we op het gebied van de scherpslijperij, en wie heeft daar iets aan? Ik ben benieuwd hoe uw artikel de komende tijd nog voort zal leven in de kritiek. Ik hoop eigenlijk vooral dat het zál voortleven. Want het biedt, hoe dan ook, interessante aanknopingspunten voor een levendige discussie. Iets waar het in de poëziebiotoop helaas meestal aan ontbreekt.
Met een hartelijke slotgroet,
Chrétien Breukers
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Beste Chretien,
Gezien de vier artikelen die thans (jawel) voorliggen, had je mijn zure aansporing helemaal niet nodig - heel goed. Mij deed het stuk van Rijghard nog het meest denken aan de acties van Serge van Duijnhoven, halverwege de jaren negentig. Toen waren het geen leraren of agentes, maar was het de jeugd die aan de dichtkunst moest worden geholpen. En wel door onder de teksten een zware beat te zetten. Een amechtige poging. Want echt geholpen heeft het niet, geloof ik. Het pleidooi van Rijghard is al even onvruchtbaar. En hoe zou het dat ook kunnen? Poezie is al eeuwenlang, in de woorden van Du Perron, een tijdverdrijf voor enkle fijne luiden - per definitie elitair. En dat is goed. Want poezie die zich richt op een specifieke doelgroep is geen dichtkunst, maar communicatie, ook een eerbiedwaardig vak, daar niet van - alleen heel wat anders.
Geplaatst door: Joris van Groningen | 4-7-07 om 12:49