De ondergang van Europa lijkt me even onafwendbaar als de zonsondergang van vanavond. Eeuwenlang woonden wij westerlingen in strohutten en ijskoude kastelen, terwijl de cultuur zich in Byzantium had teruggetrokken; maar is onze huidige situatie niet een nogal comfortabele variant daarop? Gestuurd door krachten waar we geen vat op hebben – de economie van een paar miljard mensen op andere continenten – kijken we terug op onze beschaving zoals onze voorouders op Rome en wijden jaloerse gedachten aan de rijkdommen van New York, het nieuwe Byzantium.
De christelijke Romeinen bouwden kerken met de brokstukken van het ingestorte heidendom; wij demonteren de kunst van het verleden. We bewonderen Da Vinci en parodiëren hem in het werk van Panamarenko, die er prat gaat dat zijn machines niet naar de sterren kunnen vliegen. We beminnen Shakespeare en halen zijn stukken uit elkaar tot ze helaas van Luk Perceval blijken te zijn.
Na het jaar 1000 kwam de renaissance; maar wat komt er na 2000? De globalisering, waarin we allengs minder zullen betekenen, concurrerend met de miljarden in andere continenten. We worden de verbitterde suppoosten van het Museum van het Avondland.
Vergeefs zoekt de westerse cultuur zich een vorm van doodsstrijd die zijn verleden waardig is. Misschien heeft het modernisme die taak al vervuld. Zij verhief de desintegratie van de oude wereld tot kunst. De grote Europese oorlog was als een enorm kubistisch schilderij; de componisten van het twaalftoonsstelsel knepen de welluidendheid de strot toe; The Waste Land van T.S. Eliot gaat niet over de liefde maar over de onvruchtbaarheid.
O, ik houd van de modernistische kunst (met uitzondering van de dodecafonie, die beter dodekakofonie had kunnen heten); ik verwarm me aan die laatste opflakkering van mijn beschaving. Thomas Eliot is een van mijn helden. Maar ook het modernisme, zelf bevrijd uit allerlei catechismussen, verstarde tot zijn eigen dogmatiek. In de literatuur heeft de verplichte ingewikkeldheid beslag gelegd op de canon: een tekst moet moeilijk zijn om voor vol te worden aangezien. De absolute ketter van dat geloof was William Carlos Williams, eveneens een Amerikaanse dichter.
William Carlos Williams (1883-1963) was afkomstig uit Rutherford, New Jersey, en opende daar in 1910 een privé-praktijk als kinderarts. Samen met zijn vrouw maakte hij enkele lange reizen door Europa, vooral om er de schilderkunst met eigen ogen te aanschouwen. Hij schilderde zelf ook. In het jaar van zijn verscheiden won hij de Pullitzerprijs met de bundel Pictures from Brueghel and Other Poems uit 1962.
Tot de dag dat hij sterft, is het leven van een kunstenaar relevanter dan zijn kunst; daarna geldt het omgekeerde. Maar ‘elk gedicht dat ertoe doet drukt het hele leven van de dichter uit’, schrijft Williams. De essentie van de poëzie lag volgens hem in het particuliere en concrete, alleen dat kon universele betekenis krijgen. Wat een knetterende vloek in de kerk van Eliot! Aan Eliot had Williams dan ook een gloeiende hekel; dat was een dwaas, die hun wereld ‘aan de vijand uitleverde’, die hem met zijn intellectualistische poëzie weer terug naar de schoolbanken stuurde.
Williams wilde daarentegen toegankelijke, uit de Amerikaanse omgangstaal puttende verzen maken, die hun wortels hadden in het plaatselijke – dat was pas werkelijk modern. Evengoed verwijst hij in zijn gedichten naar de Europese schilderkunst en vrijwel nergens naar zijn beroepsbezigheden, hoewel zieke kinderen toch heel wat poëzie te bieden hebben. Anderzijds heeft dokter Williams duizenden baby’s op de wereld geholpen, ‘die in al hun particulariteit het universele vertegenwoordigden’.
Dat laatste citaat haal ik uit het nawoord van het prachtige gebonden boekje Even dit (in 2006 verschenen bij Meulenhoff), waarin Huub Beurskens – dichter en schilder – zijn vertalingen van William Carlos Williams naast de originelen heeft geplaatst. In het bekende titelgedicht (uit 1934) heeft de ik de pruimen uit de koelkast opgegeten en zegt tegen de je:
Forgive me Het spijt me
they were delicious ze waren heerlijk
so sweet zo zoet
and so cold en zo koud
Een of andere hoogopgeleide ezel beweerde daarover dat er ‘symbolisch op de dood van de pruimen (…) wordt vooruitgelopen door de ijzige charme van hun levende vlees’ – hetgeen Williams zeer terecht flauwekul vond.
Gedichten gingen voor Williams altijd over concrete dingen: ‘No ideas but in things’ luidde zijn adagium. Maar de verhouding tussen de dingen, de woorden en de lezer is nooit simplistisch. De verdeling van de woorden over de pagina, de vriendelijke ontploffing van de grammatica – het is bepaald complex te noemen, wat zeg ik, modernistisch… en wonderlijk genoeg doet het me denken aan het neorealisme van ons nu tien jaar dode nationale dichtertje.
Intussen blijkt uit een gedicht als ‘De slapende bruut’ (uit 1940) dat Rutherford de rest van de wereld natuurlijk niet negeert. Een mus komt al drie jaar op de veranda overnachten en de dichter vraagt zich af wat dat met ‘de oorlog in Europa’ te maken heeft. Dat is nu typisch een vraag die verstandige, enigszins neurotische mensen zich stellen. Want wat betekent een mus? Wat betekent het feit dat je koppijn krijgt van deze oude wereld?
© Benno Barnard, 2007
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties