Rik Andreae (1950) debuteerde onlangs met de bundel Toerist bij BnM Uitgevers. Hij publiceerde eerder in Noachs Kat en Tzum en won onder andere de Nijmeegse SNS Literatuurprijs (2001). In het juryrapport van deze prijs schreef Victor Vroomkoning: 'Deze poëzie is af, deze poëzie is gaaf, deze poëzie wil gepubliceerd worden in bundels. In vele bundels. En ik wil ze allemaal lezen.'
In zijn dagelijks werk als GIS-medewerker bij een waterschap komt hij nauwelijks in aanraking met poëzie. Hij beschrijft het dichten (evenals het tekenen en schilderen) dan ook als een wat uit de hand gelopen hobby, maar wel een die uit de hand mág lopen.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met Portret... Het is geschreven vanuit de constatering dat je de werkelijkheid – binnen een tekst – naar je hand kunt zetten. Achteraf bezien is het een soort zelfportret is geworden.
Portret (in de vorm van een woordenbrij)
Als het regent op het zwarte glas
is dat zonneschijn, als de zon schijnt
is dat de nacht, als de maan schijnt
plakt het.
Ik ben de snotdolf, ik ben
de binnenvoering, ben Pantalone.
Als de winter uit de wormen komt
is dat vissenweelde, als vissen paaien
is dat de dood, als de dood rust
is het een lege hand.
Ik ben de krach, ik ben
de ogen in de vetput, ben Jan Doedel.
Als de slaap in het groene zand ligt
is dat boerenbedrog, als het uitkomt
is dat geen nieuws, wordt het gelezen
is het vergeten.
Ik ben de scherven, ik ben
de vliegende baksteen, de schets ik.
2. Waarom poëzie?
Ik schrijf graag en die schrijfsels lijken verdacht veel op gedichten. Maar waarom het gedichten worden? Geen idee. Dat is een gemakkelijk, maar onbevredigend antwoord. Het wil niet zeggen dat ik er nooit over heb nagedacht. Ik wil het zelf ook graag weten. Soms kom ik tot een hoera-antwoord, om daarna snel te beseffen dat het toch niet het juiste is.
Zo had ik eens bedacht dat poëzie allereerst het vertellen van een verhaal is. Het verhaal (Tijdens je vakantie merk je dat een berg je aankijkt.) waarvan je denkt, dat zou eens moeten worden verteld (Weet je wel dat er bergen zijn die ons kunnen zien?) en waarbij je tegelijk het idee hebt, dat degene aan wie je het vertelt dat nooit zó zal begrijpen (Nee, ik weet ik ook wel dat…). Je vertelt het daarom aan jezelf – ik ben een goede luisteraar naar mezelf.
Gaandeweg kom je erachter dat je net niet dat hebt geschreven wat je bedoelde. Dat is het moment waarop je het verhaal moet wijzigen. Want gelukkig, dat mag je doen – je mag door de winkel lopen zonder je handjes op de rug. Want het moet van jezelf, overal aanzitten, alles optillen en de onderkant bekijken. Verbanden leggen, woorden zoeken die dichter tegen dat wat je wilt zeggen aanliggen. Dan is opeens het verhaal toch verteld. En tegelijk ook weer niet, want wat blijkt? Er is gaandeweg iets ontstaat dat is af gaan wijken van het eerste verhaal, soms zelfs – in het mooiste geval – iets dat ik zelf nog niet kende.
Poëzie zit in de taal, die in het verhaal zit. Poëzie is misschien wel het slopen van de lijn uit een verhaal.
Ook had ik eens bedacht, dat poëzie is dat je luistert.
Als iemand iets kroms zegt (Wist je dat je wat mij betreft zingend ten onder kan gaan?). Als twee woorden die niets met elkaar te maken hebben, dat ineens wel doen (Servisch servies). Als het er opeens op lijkt dat de kat, die zijn nagels scherpt aan het vloerkleed, harp speelt en je tegen hem schreeuwt: Lelijke tapijtharpist, hou daar eens mee op.
Zo'n zin rommelt in je kop. Herkennen, daar gaat het om. Mijn opa zei: Je moet goed nadenken voor je iets zegt. Poëzie zegt: Je moet goed nadenken voor je iets denkt.
Toch zegt dat alles niet waarom ik schrijf zoals ik schrijf, waarom het gedichten zijn en wat het eventueel tot poëzie maakt.
Al kan ik het niet benoemen, toch weet ik als ik iets lees zien of poëzie is of niet. Helaas gaat dat alleen op bij werk van anderen, omdat je dan bij het lezen bij nul begint. Dat is bij je eigen teksten bij voorbaat nooit het geval.
Daarom heb ik ooit eens bedacht waar ik bij mijn teksten op moet letten om er poëzie van te maken. Het zijn een soort regels geworden – net geen tien regels, dat is prettig.
1. Gebruik geen clichés, laat het erop lijken.
2. Laat staan waar het is gevonden.
3. Stel geen vragen. Stel. Laat het vragen stellen.
4. Het bericht moet groot zijn, de taal klein. Of net andersom.
5. Wat nodig is, kan weg.
6. Emotie is taal (niet andersom). Dus, houd je mond.
7. Waarheid heeft een kop en een staart.
8. Vergissen is wenselijk.
9. Speenkruid bloeit in het voorjaar.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik las als puber de Vijftigers. Prachtig vond ik dat, al ik begreep er geen biet van. Het heeft bij mij enige tijd geduurd voor ik doorhad wat precies aan de hand was, wat de schoonheid ervan was. Poëzie is voor mij echt begonnen met Barbarber. Dat pakte me en zo begon ik ook andere poëzie te doorgronden.
Namen? Frank Koenegracht (vanwege het vuile afwaswater), Louis Lehmann (vanwege de stropdassen), Jan Hanlo (vanwege de mus), Chris van Geel (omdat hij over alle andere vogels schreef), Hendrik de Vries (omdat hij bang was voor het wonderlijke leven), Wiel Kusters (omdat hij van het wonderlijk leven houdt), Fritzi Harmsen van Beek (vanwege haar verdriet en dat van de poes), K. Michel (omdat hij me laat omlopen over de Magere brug), K. Schippers (omdat alles van kleur is), Pierre Kemp (omdat hij van kleur is), Lucebert (omdat alles van taal is).
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandse poëzie willen laten opnemen?
Moeilijk kiezen, maar het wordt er een van K. Schippers. Zijn werk is zo verraderlijk simpel.
Bij het weerzien van
'The Bohemian Girl' (28 juli 1964)
Stan Laurel zwaar ziek (Het Parool – 18 juli 1964)
Stan Laurel uit het ziekenhuis (Het Parool – 25 juli 1964)
Gelukkig (K. Schippers – 28 juli 1964)
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Ik heb het met plezier gelezen.
Geplaatst door: Mydea | 10-6-07 om 22:52
De omschrijving van poëzie heeft voldoende interessante losse draadjes gekregen om aan te willen blijven haken
Liesbeth
Geplaatst door: | 13-6-07 om 23:16