Erwin Mortier (1965) was van 1991 tot 1999 wetenschappelijk medewerker aan het Museum Dr. Guislain, Geschiedenis van de Psychiatrie. Hij debuteerde met de roman Marcel (1999), die meervoudig werd bekroond. In 2000 verscheen zijn tweede roman, Mijn tweede huid. Voor zijn dichtbundel Vergeten licht (2001) ontving hij de C. Buddingh’-prijs. In 2002 volgde de derde roman, Sluitertijd, en de essaybundel Pleidooi voor de zonde. In 2004 verscheen zijn novelle Alle dagen samen, in 2005 gevolgd door Uit één vinger valt men niet, gedichten bij foto’s van Lieve Blancquaert. De foto’s in deze bundel werden genomen in het voormalige Klooster van de Minderbroeders of ‘freremineuren’ te Gent, die hun klooster kort daarvoor verlaten hadden. Erwin Mortier werd in 2005 gevraagd om het stadsdichtersambt van Gent op zich te nemen voor twee jaar. De bundel Uit één vinger valt men niet bevat ondermeer de eerste drie stadsgedichten. Inmiddels is Mortier weer 'gewoon' schrijver.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Vrede zij met U
Zo zal geschieden, aldus, zoals beschreven:
Glorie nadert zonder vleugelslag.
Bazuingeschal ontbreekt. De poort van het Paradijs
staat op een kier, ook ongeolied kniert zij niet.
Daarachter: Eeuwigheid.
Het heet daar immer vrijdag, alleen het licht
lijkt anders (voor wie het ziet; een permanente
dinsdag halfweg maart – bijwijlen sneeuw,
een schuinse zon zonder de moeheid
van september) .
Een engel bleek als lamsleer –
bij nader inzien staat zijn rok vol uitgewiste tekens –
keert de dividenden uit en doopt de hemel Winst
(St. James’ Park rond lunchtijd: klerken en scholieren,
koperblazers, narcissen, broodjes tonijn
en sluimerende eenden).
Toch slaat men ginds nog dweilen uit,
giet emmers loog leeg,
hangt daar lucht van bier op de puien
(wat enigszins verbaast gezien er vrede heerst
en nergens vuil).
Ook zijn daar nog journaals met wisselkoersen
en de index, en zelfs oorlog:
stormen van lieflijkheid boven de ijskap.
Wat dood is herrijst dan spoorslags uit de puinen
– slaat sterven uit plooien,
schudt hoofden,
haalt schouders op.
(Uit : ‘Voor de stad en de wereld’, 2006)
2. Waarom poëzie?
Omdat het leven vol grove rechtvaardigheden zit.
Omdat we engelen met genitaliën zijn, of termieten die luchtkastelen bouwen.
Omdat een vers een afgrond van verlangen is, van het woord naar de wereld en de wereld naar het woord, en omdat in poëzie dat grote verlangen immer bezig is met hoorbaar doodgaan in zichzelf.
Omdat een vers verrijzenis biedt, omdat de taal zich in dat open graf klaarmaakt om het lichaam te worden van onze ervaring van de wereld.
Omdat poëzie stem is, asem, de vreze gods, de ruimte waar we heimwee hebben naar wat komen gaat en ons voorbereiden op wat geweest is.
Enz…
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw werk beïnvloeden?
Alle poëzie inspireert of irriteert. Het is begonnen met, tja, Wies Moens en Claus en Van Ostaijen, en Hadewijch, omdat die toevallig bij ons thuis in de boekenkast stonden en ik op een dag door de aldaar aanwezige avonturenromans heen zat. Een ontdekkingstocht ving aan die nooit meer tot rust is gekomen. Elk vers is een soort van zwaartekrachtveld dat me naar een onbekende wereld toe zuigt – en waar ik me meestal eerst tegen wil verzetten, want wat voor een rare dampkring is me dat, om van de vegetatie nog te zwijgen. Maar meestal ga ik overstag. Werk van een mij onbekende dichter laat ik lang rondslingeren in huis, om er af en toe in de dippen, en pas later ga ik echt lezen. De verzamelde gedichten liggen hier als een dik brevier op de leesplank van de boekenkast in mijn werkkamer. Daar lees ik elke dag één vers in, en nog eens, en nog eens.
Verder zijn we allemaal voortdurend en onherroepelijk beïnvloed, we bestaan tot in onze fijnste draden uit poëzie; Achter de simpelste en banaalste begrippen als ‘ik’, of ‘de liefde,’ onze ‘psyche’ of ‘ziel’ of ‘geest’ kun je de lichtjaren verre echo horen van soms millennia lange semantische arbeid. Hoor dat gebeitel en gehamer en dat geschaaf en geschuur. En het houdt nooit op.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen opnemen?
Je voudrais, Madame, que ma voix prix l’essor
des grands vents qui balayent votre pays et meurent
quelque part dans les bois, parmi le poudroiement d’or
et la majesté antique des gammes mineures.
© Richard Minne
Foto: © Sven Van Baarle
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties