Alexis de Roode werd in 1970 geboren in Hulst, maar groeide op in Heilig Landstichting, een dorp in de bossen bij Nijmegen. In 1998 leerde hij dichten van Sipko Melissen. In datzelfde jaar werd zijn eerste gedicht ('Toen hij jong was') gepubliceerd in het literair tijdschrift Alalos. In 2004 begon De Roode het podium te betreden. In hetzelfde jaar won hij zijn eerste poetry slam. In hetzelfde jaar verwierf hij een publicatie in een landelijk literair tijdschrift, De Tweede Ronde. In hetzelfde jaar kreeg hij kennis aan Uitgeverij Podium, waar op 11 november 2005 zijn debuut Geef mij een wonder uitkwam. In mei 2006 werd Geef mij een wonder genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. Op de avond van de uitreiking, bij Poetry International, zei de jury bij monde van Anton Korteweg: 'Alexis de Roode schreef met Geef mij een wonder een bundel die de taal laat glinsteren als een klaterende fontein in de zon. Wij houden van het nieuwe heldere geluid dat deze dichter maakt.' Zijn biografie vermeldt ook nog: 'In 2008 verscheen de tweede bundel, Hotel Stad en Land, die werd bekroond met de J.C. Bloem-prijs.' Wat van profetische gaven getuigt.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Gedicht voor de bomen
De stad is stil de huizen staan stil de auto’s staan stil
en overal miljoenen blaadjes
ritselen.
Ver weg achter de huizen
de bomen bewegen
als opwolkend stof.
Handen met vingers
als handen met vingers
strelen de wind naar de wind en terug.
In de oude wereld
toen de bomen jong waren.
En de bomen maakten de wind groot
en de wind maakte de bomen groot.
Als een heel bos waait elke boom.
Als een hele boom waait elke pluim.
Als een hele pluim waait elk blad.
Hoe mooi als muziek
dit vertalen naar muziek.
Levend bewegen in de wind
met armen van koralen.
Duizend golven door het groen.
Zoete troost voor ogen
sijpelend
tussen scherpe huizen door.
Onder water of boven water:
groet altijd de oeroude bomen.
Altijd wuiven de bomen, vaarwel, vaarwel.
En als ik wegga zullen de bomen wuiven.
Over eeuwen en eeuwen
als iedereen mij ingeademd heeft en uitgeademd
zullen de bomen wuiven.
Zal ik spelen met de bomen
en de bomen met mij.
2. Waarom poëzie?
Sinds mijn vroege jeugd heb ik het ingebakken gevoel 'dit is allemaal niet echt'; het gevoel dat de werkelijkheid illusie is; en tegelijk ervaar ik al levend dat de werkelijkheid muurvast en onveranderbaar is, en dat zaken als magie en geesten totale onzin zijn. Dit is een doorlopend conflict, dat ik oplos met poëzie. Ik schrijf dus poëzie om in het reine te komen met de werkelijkheid. Met poëzie kan ik datgene wat mij niet aanstaat transformeren, vastleggen of aanvallen.
En datgene wat me wel aanstaat kan ik bezingen, bewaren, of uitvergroten. Poëzie is bovendien een prachtig tegengif voor het machinale, op efficiency gerichte denken en doen dat de Nederlandse cultuur sinds de tweede wereldoorlog overheerst, en dat mij tegen de borst stuit, omdat het tot onafzienbare lelijkheid en ontzieling heeft geleid, bijvoorbeeld in de architectuur. Poëzie is verrukkelijk eenvoudig, omdat je er alleen een pen en een velletje papier voor nodig hebt, en tegelijk mateloos complex omdat de mogelijkheden onbeperkt zijn.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
De eerste dichters die poëzie voor mij belangwekkend maakten, waren Jules Deelder, Vasalis en Paul van Ostaijen. Ik zie hen nog steeds als benijdenswaardige, op eigen terrein ongeëvenaarde dichters. Bij Deelder gaat het mij om de vervreemding, mythomanie en absurditeit (De Zwarte Jager), bij Vasalis om de schrijnende intensiteit van haar beelden (De oude kustlijn vond ik een vreselijke vergissing), bij Van Ostaijen om het visionaire en zuiver scheppende.
In mijn debuutbundel zijn, denk ik, wel echo’s van alle drie te vinden, bewuste en onbewuste. Maar zou zinloos zijn hen te willen evenaren op hun terrein, dat probeer ik ook niet. Later viel ik voor de mystiek en brutaliteit van Reve, het obsessieve en de kou van Jão Cabral de Melo Nieto, de muzikale herhalingen van Lorca, de rationaliteit en perspectiefwisselingen van Szymborska, het kristallijne en speelse van Ingmar Heyte, de emotionele intensiteit van Else Lasker-Schüler, de intimiteit van Neeltje Maria Min, de helderheid en verstilling van Faverey, de sobere waanzin van Jan Arends, de alles omhelzende vitaliteit van Allen Ginsberg, het donkere vitalisme van Marsman, en de filosofische speelsheid van Arjen Duinker.
Ook ben ik fan van Herman Smith, een nog ongepubliceerde dichter met een oorspronkelijke, krachtige beeldentaal. En zo zijn er nog veel meer. Dit overziend mag je concluderen dat ik een voorbeeld neem aan sterk beeldende dichters, dichters met een verstilde, mystieke of visionaire toon, dichters die heldere syntax combineren met een sterk geladen inhoud, dichters die spelen met logica. Schijnbaar grote dichters die mij, helaas, niet raken, zijn Achterberg, Vestdijk, Komrij, Claus, Nijhoff. Begint er zich al zoiets als een beeld te vormen?
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Een gedicht van Danny Degenaar. Hij is een van de nieuwe dichters die ik echt voor mijn plezier lees. Ik hoop dat hij binnenkort eens met een tweede bundel komt.
Vallen
Ik werd wakker.
Uit verveling
werd ik nog een keer wakker
en begon te vallen.
Zoals verwacht van iemand die
begint te vallen,
kwam ik niet onmiddellijk een vogel tegen.
Wat ik wel tegenkwam
letters
die, tegengekomen,
een regel vormden
en verdwenen.
Toen ontdekte ik iets geks:
niet ik, maar de letters vielen,
een voor een,
soepel
tot ze zwart, rechtop en door wit omgeven
op volgorde
in de bodem staken.
In die houding vond ik ze.
© Danny Degenaar
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Over die J.C.Bloemprijs voor volgend jaar -die ik Alexis overigens zeker zou gunnen- heb ik (als mede-jurylid) even een vraag....
Geplaatst door: hanz mirck | 15-6-07 om 11:55