Cath (Catharina Johanna) Blaauwendraad (Breda, 1965) debuteerde in 1989 in het literaire kwartaaltijdschrift De Tweede Ronde, waarvoor ze sindsdien als dichter, poëzievertaler en gastredacteur werkzaam is geweest. In 2003 verscheen haar vertaling van de Honderd Liefdessonnetten van Pablo Neruda. In 2004 verscheen haar debuutbundel Niet ik beheers de taal in de Windroosreeks van uitgeverij Holland. Zij heeft een eigen website, die via dit adres te bereiken is.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Deel twee
je breekt het ei
boven een beker
laat de dooier heel
dan breek je de beker
2. Waarom poëzie?
Het schijnt dat er ergens in mijn genen drie generaties Noord-Brabantse kunstschilders sluimeren. Maar bij mij thuis stond alles in het teken van tekst en muziek: mijn moeder was sopraan in het Utrechtse Toonkunstkoor toen ze mijn vader bij een uitvoering van de Matthäus Passion leerde kennen. Die werd dan ook elk jaar integraal beluisterd. Verder ben ik als domineesdochter natuurlijk zeer talig opgevoed, was ik me bewust van de macht van taal, de enorme consequenties van kleine vertaalvarianten. Mijn vader was niet zo'n 'evangelie-dominee', hij hechtte enorme waarde aan de dialoog met de tekst, het joodse 'lernen', de hermeneutische cirkel.
Daar staat tegenover dat mijn ouders praktisch nooit een museum bezochten of naar de film gingen. Wij waren niet visueel ingesteld, heette het. Maar vreemd genoeg is 80% van mijn vriendenkring werkzaam in een visueel beroep; kennelijk heb ik toch wat in te halen. Ik vind het ook altijd een enorme verrijking om met beeldende kunstenaars samen te werken.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
In de kerk werd mij natuurlijk de wekelijkse dosis psalmen en gezangen met de paplepel ingegoten. De onvermijdelijke Barnard en Oosterhuis. Dat zijn geen zelfgekozen inspiratiebronnen, maar het kan niet anders dan dat ze me beïnvloed hebben, net als Annie M.G. Schmidt haar stempel op mijn taal gedrukt moet hebben.
De eerste dichteres waar ik persoonlijk van ondersteboven raakte was Neeltje Maria Min - soms schrik ik echt als ik zie hoe onzichtbaar sterk iemand je kan beïnvloeden. Een dichtregel van haar die me nooit meer heeft losgelaten is: 'Ik ben er niet. Ik ben er nooit geweest.' Pas jaren nadat ik mijn gedicht 'Verdoofd' had geschreven, dat begint met de regel 'Ik was er niet [...]', realiseerde ik me dat ik daar bijna naadloos op haar voortborduurde.
Misschien dat ik me daarom liever door proza dan door poëzie laat inspireren: je wordt zo gauw en soms volkomen ongemerkt een epigoon van wie je bewondert. Bovendien kom ik de mooiste dichtregels juist vaak in proza tegen, niet alleen in romans, maar vooral ook in essays; bij Nabokov, bij Canetti, bij Bloch. Verder bewonder ik een dichter niet gauw, ik raak in de ban van een enkele regel, zonder dat ik diezelfde bewondering voor de rest van het oeuvre of de schrijver zelf kan opbrengen.
En het verschuift: Eén gedicht van Pedro Salinas ('Suelo') is jarenlang mijn credo geweest, tegenwoordig vind ik het gewoon mooi maar niet betoverend.
Echte inspiratie ontstaat op het moment dat meerdere dingen die je gelezen of geleerd of ervaren hebt opeens samenkomen in een woord, een tekst, een beeld en daardoor een volkomen nieuw blikveld openen. De laatste auteur die me op die manier betoverd heeft is Klaus Siegel, die naar eigen zeggen 'niets met poëzie heeft'. Hij is inderdaad 'Midden-Europees' lang van stof. Ik weet niet waarom ik dat bij hem wel kan hebben en bij Van der Heijden niet - waarschijnlijk heeft dat met de vertelstijl te maken.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
'Woordjes leren' van Jan Eijkelboom, om de macht van het woord die hier zo klassiek tragikomisch van haar voetstuk valt.
Woordjes leren
Jongens, heb je verdriet,
sprak toen de leraar Grieks,
dan moet je woordjes leren, woordjes
leren. Hij knikte energiek
zodat er as viel op zijn vest,
maar dat was toch al vies.
Wij lachten halfvertederd,
halfmeewarig, want tragiek
daar wist je alles van en hij,
heel oud, haast vijftig, niets.
En dat het overging als je maar
woordjes leerde, dat was iets
zo absurds, zo dolkomieks
dat het in omloop kwam als een
gevleugeld woord. Het klapwiekt
nu verdrietig om mij heen
omdat ik later woordjes leerde
waarmee je 't monster kunt bezweren
en ik hem niet meer zeggen kan
hoe ik soms naar die stem verlang,
naar dat onhandige advies.
© Jan Eijkelboom, in De Tweede Ronde, zomer 1990
© Foto: Maarten van den Haak: http://www.dutchreporter.nl/
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties