Menno van der Beek (Rotterdam, 1967) Debuteerde in 1999 bij uitgeverij Boekencentrum met Vergezocht; bij dezelfde uitgeverij verscheen in 2002 zijn tweede bundel, Waterdicht. Van elk van de bundels werden gedichten in diverse bloemlezingen opgenomen: zoals in De beste gedichten van respectievelijk 1999 en 2002, de VSB-bloemlezingen van de Arbeiderspers. In 2006 volgde zijn derde bundel, Kaddisj, bij BnM uitgevers, in de eerste serie van de Contrabasreeks.
1. Met welk gedicht van uzelf zou U zich aan de lezer willen voorstellen?
Met een recent gedicht, bij voorkeur: 'Speelman'. Met de typische van het sonnet afgeleide vorm, die mijn gedichten de laatste twee jaar ongeveer vanzelf krijgen. Ik begon met zuivere sonnetten, de vorm die nog steeds mijn hart heeft, maar als ik nu zit te schrijven, worden de sonnetten wat kort van boven en wat los van onderen. Ik ga niet zeggen, dat dat komt, omdat die gedichten dat zelf willen, want dat is meer iets voor Mulisch om te zeggen (die ik dan ook mateloos bewonder, iets, dat waarschijnlijk binnenkort verboden wordt). Maar ik laat mijn sonnetten toch maar staan in hun afgeslankte vormen. Het heeft ook iets met tempo te maken: sinds ik bij Vestdijk las dat sonnetten de neiging hebben te taai te worden in de kwatrijnen, weet ik me getroost.
Speelman
Nu ik hem heb ontmoet, heb ik niet meer
wat hij niet had, want ik heb weggegeven
wat ik toevallig droeg of in mijn handen had:
mijn jas, mijn ukelele en mijn kleren
en toen mijn oorbel en mijn bril. Ik bleef
onhandig naast hem stom nog wat staan lachen
want het was lang niet alles. Ik houd haast de helft
van de verhalen met mijn vader voor mijzelf;
dus ga ik naar de grond. Ik zit op blote knieën
en leen de ukelele van mijn nieuwe vriend;
ik zing, het hoofd omlaag, en zie mijn eigen vingers:
ga nooit meer weg. Ik houd niet van veranderingen.
2. Waarom poëzie?
Troost en hoop en de weg van het lachen, het kan allemaal in ons hoofd gebeuren, en de edelste manier om dat voor elkaar te krijgen is met gedichten, met maken of met lezen: de zuinigste en gelijk de sterkste manier om ideeën te fabriceren en te bewaren. Daarom, bijvoorbeeld. En omdat gedichten een manier zijn om ontroerd en verrukt te zijn, zonder dat je daar je ziel voor hoeft in te leveren: zoals dat, bijvoorbeeld, verplicht is na een hele avond televisiekijken.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen?
In 1994 brak ik in een piepklein antiquariaat in Rotterdam-Noord per ongeluk het ruggetje van een uitgedroogd exemplaar van de bloemlezing Voorbij de laatste stad, met gedichten van Gerrit Achterberg, en toen moest ik het kopen (voor twee gulden vijftig, kom daar nu ’reis om). Diezelfde avond was ik bekeerd en overtuigd en daarna heb ik niet alles maar wel bijna alles van en over Gerrit Achterberg gelezen. Mijn vader, overigens, die nog net heeft meegemaakt dat ik ontvlamde voor de Utrechtse onderwijzer met TBS, vond het niet zoveel. Eén van de redenen, dat ik toch ook zelf maar aan het sonnet begonnen ben.
Ik lees ondertussen ook vrij veel gedichten van anderen, en ik vind er veel prachtigs tussen, maar zo een oeuvre als van Gerrit Achterberg, daar is er, meen ik, toch maar één van.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing van de Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Ik zou een mooi onderkoeld gedicht van Henk Knol willen voorstellen, uit zijn vorig jaar bij Boekencentrum verschenen prachtbundel De overtijd:
Tot een kruisbeeld
Zachthouten man, zeg hardop nog eens wat
of je hangt diep in mij achter smeedijzeren spijlen
nog langer verlaten en bleekjes verbloed te zijn. Jij:
mag ik dat zo zeggen of moet het devoot en wie
vraagt dat van mij als ik de laatste ben die tegen je
praat. Dezelfde die binnensmonds fluistert: je bent
zoveel woorden maar ben ik het zelf wel
die mompelt dat je klopt als een zwerende wond?
Breek nu eens los uit de schaduw waarin ik
je weghing en schrijf met verstijfde hand
in de grond van mijn hart dat jij, of dat wat vanbinnen
maar praat en nog praat, voorwaar toch geschreven staat.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Die speelman doet mij hart opspringen van vreugd. Mooi stuk, wijze woorden.
Ik heb er een avondje tv voor ingeleverd.
Een toch wel trotse neef
Geplaatst door: Emil | 14-5-07 om 21:43