Fred
Papenhove (Den Haag, 1956) werkte na zijn opleiding tot leraar in vele ambachten. Maar gelukkig diende zich in 2000 aan de poëzie aan. Gedichten van Fred Papenhove verschenen
op de site van poëziedagblad Rottend Staal Online en in het literaire
wielertijdschrift De Muur. Daarnaast werd zijn werk opgenomen in vele
bloemlezingen en bundels als Van Haagse dichters die voorbijgaan, Stad
Rotterdam en Alles voor de Liefde. In 2005 verscheen zijn veelgeprezen debuut De Rode Soldatenvis – Poisson Soldat Rouge. Vandaag verscheen zijn tweede bundel, Draaibaar, in de Contrabasreeks van BnM.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met een recent gedicht uit mijn nieuwe dichtbundel Draaibaar, die onlangs is uitgekomen in de Contrabasreeks van BnM uitgevers. De bundel gaat over Draaibaar, een man die whisky drinkt, valium slikt, veel sigaretten rookt en gek is op chili met pepersaus. Draaibaar heeft veel moeite met hunnie (hunnie zijn: de anderen).
Een dag waarop Draaibaar een indrukwekkende Donkere Nederlandse ontmoet
Duizelingen, godvergeten duizelingen krijgt onze held ervan.
Wat een vrouw! Helaas zonder roodgelakte nagels,
dat laatste zou alles, maar dan ook alles kloppend maken.
Zijn nieuwe collega kijkt hem haast machoachtig aan,
om niet te zeggen zeer doordringend en dat maakt indruk.
Haar naam hoort hij niet als ze zich voorstelt, daarvoor is hij
teveel bezig met zijn gevoelens, maar ‘s avonds herinnert hij
zich heftig ontroerd dat het iets, iets, met een S was.
Maar wat?
Ze komt in het boekenmagazijn werken,
waar ze zich als een zwarte panter beweegt.
Afro-Nederlandse gebruikt hij bewust niet omdat hunnie
het gebruiken, hunnie die beweren dat het woord
negerin kwetsend zou zijn.
Hunnie weten niet wat kwetsend is maar om hunnie
voor te zijn met hunnie opmerkingen spreekt Draaibaar
niet over negerin, maar over De Donkere Nederlandse.
De Donkere Nederlandse weet na enkele uren hoe het werkt
in het magazijn, zo moeilijk is het niet, toch?
Draaibaar krijgt zin om te roken roken houdt hem
scherp in aangename situaties en gaat op het stenen
plaatsje staan.
Het stenen plaatsje, waar hunnie ook staan te roken.
Hunnie zeggen nooit veel tegen hem omdat hunnie
hem te zwijgzaam vinden.
Draaibaar inhaleert diep over zijn toch al zwarte longen,
dat zal ze goed doen.
Hij verlangt plotsklaps heftig naar Jameson met ijs.
De Donkere Nederlandse komt naar buiten om te roken!
Ze tikt een Pall Mall Filter uit haar pakje, pakt een
Zippo-aansteker en geeft zichzelf met een hoge vlam
vuur.
Boven het plaatsje vliegen een paar meeuwen zo groot
als Jack Russelhonden, Draaibaar is diep onder de indruk
van deze vliegende vagebonden.
De Donkere Nederlandse blaast langzaam wolkjes rook
door haar prachtige neusgaten, wolkjes die voorzichtig
opstijgen alsof ze eigenlijk terug willen in haar neus.
Draaibaar kijkt ze in totale concentratie na, zoals een
vliegtuigspotter vliegtuigen spot.
De rest van de dag blikt hij vaak naar De Donkere
Nederlandse die regelmatig terugblikt.
Spreken doen ze niet tegen elkaar. Stilte voegt meer
toe dan hunnie willen toegeven.
Hunnie die niet in stilte geloven, maar altijd met elkaar
aan het communiceren zijn via hunnie mobieltjes, hunnie
e-mails, hunnie computers, hunnie voice-mails en hunnie
digitale televisies.
2. Waarom poëzie?
Omdat ik mezelf er het beste in kan uitdrukken. Een ‘simpel’ antwoord, maar het is niet anders. Andere vormen zoals het schrijven van proza of columns heb ik ook wel gedaan, de columns werden wel gepubliceerd op internet en het proza in verhalenbundels, maar ik heb toch regelmatig het idee dat er niet precies staat wat ik wil dat er staat. Bij poëzie heb ik dat gevoel niet.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw werk beïnvloeden?
De Zestigers, Frank O’Hara, Charles Bukowski, Riekus Waskowsky, C.B. Vaandrager, Alain Teister, C. Buddingh, Jules Deelder, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik hou van poëzie waarin ernst en humor/relativeren samenkomen. Alleen ernstige poëzie vind ik niks, net zomin als alleen humoristische poëzie. Hoewel ik dat laatste, geloof ik, net iets beter kan verteren dan alleen ernstige poëzie.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen opnemen?
Een gedicht van mijn vriend John Schoorl die binnenkort debuteert in de Sandwichreeks onder redactie van Gerrit Komrij. Voor het gedicht kreeg hij de LGD- Poëzieprijs 2006 (een beeldje en geld, in de jury zat o.a. Diana Ozon). Het fijne aan dit gedicht vind ik dat het grote klein wordt gemaakt, en het kleine groot.
Keukentafel
We zouden overal
Naar toe gaan.
Toch op z’n minst naar het zuiden
En het westen.
Maar we gingen
Nergens naartoe.
En zeker niet naar het oosten
En het noorden.
In plaats daarvan
Bespraken we aan de keukentafel
De oneindigheid van het heelal.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Die draaibaar-bundel ga ik, na lezing van dit interview, zeker bestellen! Ook de reden die de ge-interviewde opgeeft voor zijn waardering van het gedicht van Schoorl draagt daartoe bij. In wat de auteur hier zegt over het personnage "Draaibaar", meen ik ietsjes van karaktertrekken te herkennen van het personnage "Bazip Zeehok" (van Kees Buddingh') dat op zijn manier ook moeite met "hunnie" of evt. "hullie" had, en ook het grote in het kleine zag. (en natuurlijk andersom)
-een belangstellend lezertje-
Geplaatst door: Art Schoffelerf ;) | 15-5-07 om 14:57