In een poging om een poëtica te ontdekken die ten grondslag zou kunnen liggen aan de recente Amerikaanse bloemlezing Bay Poetics doet Samuel Vriezen in zijn essay History 2.0 - Over Bay Poetics, Stephanie Young (ed.) (Yang nr. 1, 2007) enkele interessante uitspraken. In tegenstelling tot eerdere bloemlezingen die Vriezen heeft gelezen, bespeurt hij ditmaal geen 'eenduidig project', geen gemeenschappelijke poëtica van de gebloemleesde dichters, die de basis zou kunnen hebben vormen voor de keuze van de samensteller Young.
Young heeft zich bij haar keuze, zo stelt Vriezen vast, ook helemaal niet laten leiden door een gemeenschappelijke poëtica als discriminerende factor, maar heeft met haar bloemlezing slechts een snapshot willen geven van de poëtische productie in de Bay Area op dit moment.
Vervolgens vraagt Vriezen zich af wat dit snapshot ons, naast de gedichten, wellicht nog meer laat zien. Het antwoord hierop vindt hij in de wijze waarop de bundel is samengesteld. Young heeft haar materiaal verzameld door bevriende dichters om gedichten, essays, poëtische uitspraken, blog fragmenten etc. te vragen en ook om namen van dichters die voor de bevriende dichters belangrijk zijn. Vervolgens heeft ze 'de dichters die voor de bevriende dichters belangrijk zijn' aangeschreven en gevraagd om... etc. Hoe Young daarna precies tewerk is gegaan wordt uit het voorwoord niet helemaal duidelijk, maar ze heeft in elk geval het overvloedige materiaal geordend op basis van 'sociale en esthetische verbanden', waarvan ze hoopt dat de lezer die ook ziet, en een definitieve keuze gemaakt. Dit laatste naar ik aanneem - er worden geen mededelingen over gedaan - op basis van eigen smaak.
Vriezen concludeert dat 'de poëtica van Bay Poetics geen verhouding tot het talige materiaal van de poëzie zelf [is] maar een visie op de manier waarop de verschillende dichters en gedichten met elkaar in verband zouden kunnen staan. [...] Het lijkt alsof Bay Poetics zelf het netwerk van de dichters als geheel wil afbeelden in zijn hoedanigheid van boven elk centrum en elk ego uitstijgend tomeloos systeem van wisselende verbanden.' Hij noemt dit een 'netwerkpoëtica'.
Interessant is de uitwerking van deze wijze van presenteren - gedichten als een netwerk - op Vriezens leeswijze. Hij gaat in Bay Poetics voortdurend op zoek naar de verbanden tussen gedichten en dichters, waarvan Young hoopt dat de lezer ze, gelijk haarzelf, ook ziet. En Vriezen vindt ze ook en geeft er in zijn essay verschillende voorbeelden van.
Ik heb me lang geërgerd aan het feit dat Young in haar bloemlezing niet aangeeft welke sociale en esthetische verbanden zij heeft gevonden, maar het aan de lezer zelf overlaat om zijn of haar eigen samenhang tussen de gedichten en dichters aan te brengen, daarbij enigszins geholpen door de ordening die ze, alhoewel niet expliciet aangeduid, toch heeft aangebracht. Na het lezen van Vriezens essay kom ik tot de slotsom dat Young dit met opzet moet hebben gedaan. Niet om de lezer te treiteren, maar wellicht, naar ik nu geloof, om hem of haar aan den lijve te laten ondervinden hoe gedichten en dichters elkander hedentendage, in onze netwerksamenleving, beïnvloeden. In dat geval doen haar eigen bevindingen niet ter zake, dwingt ze door het weglaten ervan de lezer tot zelfwerkzaamheid. En dat is in mijn ogen een verdienste. Ik pak Bay Poetics maar weer eens uit de kast.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties