Een aanzegger had vroeger alleen maar droevig nieuws melden. Zo niet Sjef Welling (1958). Hij viert het leven met de dood op de koop toe. Twaalf jaar na zijn debuut De archieven van een novice (1994, Opwenteling, Eindhoven) verscheen De Aanzegging. Het decor is minder boeren-Brabants, de vervreemding is gegroeid, evenals het raffinement van de dichter. En dat levert boeiende poëzie op.
Op het omslag van deze tweede bundel is een schilderij van Welling afgebeeld. Dat toont ons een wat morsige man die in gepeins is verzonken. Alsof hem zo juist iets is aangezegd, zo lijkt het, eerder dan dat hij zich voorbereidt om zelf iets (aan) te gaan zeggen.
Zo is het ook met Wellings gedichten: er dringen zich ‘beelden in taal’ aan hem op, eerder dan dat hij voor het schrijven al wist wat hij wilde gaan zeggen. Dit is inderdaad, zoals de achterflap aangeeft, poëzie ‘die soms pas naderhand haar betekenis verraadt’.
Het eerste gedicht, 'Novecento', plaatst ons meteen in de landelijke omgeving van Wellings jeugd. De kleren waarin hij naar school en naar de kerk gaat, stinken naar varkensvet. Het geslachte varken staat voor de dood, belangrijk thema in deze bundel, maar ook voor het leven want dat varken is goed voor een zij spek ‘als een baar goud’. Op zijn transportfiets rijdt de slagersjongen / dichter over de lege wereld. Hij moet die zij spek in zijn mand aan de man brengen. Dat is lastig in een lege wereld. Te meer daar het eigenlijk te laat is want de maden kruipen er al uit. De dood is snel en rigoureus.
Het motto voor in de bundel, van Peter Handke, geeft dat ook aan. De voorbijgaande tijd zet de dichter aan tot dichten over de voorbijgaande tijd.
Naast vergankelijkheid en dood is de (ongrijpbare) liefde zeer aanwezig in deze bundel. In een interview noemt Welling zich terecht een romantisch dichter ‘in de strikte betekenis van het begrip Romantiek’.
Daarvan getuigt ook het tweede gedicht met woorden als dakraam, barrevoets, maankleed en tinnen soldaat. Verderop komen we tamboerijnen, knapzakken en kampvuur tegen. Dat toon en sfeer wat al te romantisch worden, probeert Welling, denk ik, te vermijden door wat aan de syntaxis te sleutelen. Dan krijg je strofen als
Je al verzilverd bent
en een morgen herinnert.
Jezelf nu niet verzetten kunt.
Een nazaat als lappenpop
tegen je kuiten tikt
vergeten altijd hindert.
(uit ‘Onder het dakraam’)
Hier zijn een paar voegwoorden verdonkeremaand. Misschien had de dichter een voor mij duistere reden voor dit soort ingrepen.
De liefde wordt raak verwoord in een viertal gedichten met de titel ‘Naakt’. Met krachtige beelden schildert Welling hier de lichamelijkheid van de vrouw. In ‘Naakt 2’ tutoyeert hij ‘de almachtige vrouw’ aanvankelijk om na wat nadere detaillering beleefd te eindigen met deze strofe:
En mogen de schemerlampen in de avond
uitgaan, de kranten gevouwen worden
dan almachtige vrouw duw dan
het lichaam in de nacht en
maak het groter dan uw schaduw.
Welling blust zijn hartstocht met understatements als ‘ze is wel prettig om naast te liggen’ en spreektaal als ‘zo kom je ze niet vaak tegen’ (Naakt 3). Vrouwen brengen hem uit zijn evenwicht, dat is duidelijk.
Welling is een man die naast zijden spek ook nachten moet zien te verkopen. In ‘De blinde’ schrijft hij: ‘Een slechte nacht verkocht die veel te donker en slapeloos bleek’. De liefde werd mechanisch bedreven.
Ook hier waart de dood rond. En zeker ook bij ‘Nonnen’ is dat het geval: ‘Ze vergissen zich strooien hun leven plat / op de vloer en beitelen zich aan de banken.’
Maar hij moet wel oppassen voor gemakkelijke regels als ‘in de lampetkan brulde de zee’. En voor de overdaad van de laatste regel van het volgende gedicht:
Stervende zwanen naderen
drijven onze vijvers binnen.
Als wij de deurposten niet aankruisen
dan wordt het voor ons gedaan.
We dreggen ze als verdronken witlof
roeren in de pantomime van een doofstom ballet.
Maar meestal weet hij maat te houden. In gedichten als ‘Vier geheimen’, ‘Gebed’ en ‘Rangen en standen’ bereikt Welling een heel hoog niveau. Ik citeer het laatste:
Rangen en standen
Ik heb een oom die een sigaret tussen
wijsvinger en duim doofde
die grijze handen belegd met gele
nicotinenagels om een vet zwart vet geweer klemde
die een kameraad op een granaat zag duiken
ergens in de oost.
Ik heb een vader die een schoenendoos
als stripboek uit 1950 leest
met klapperbomen, te grote helmen,
rokende lachjongens bij een afkoelende bren.
Ik heb een broer die op de geitenpaden
in de Balkan een leger zag opdoemen
die over ballistiek praat als over
een goede passeerbeweging.
Ik heb een zoon die met melktanden
op zijn onderlip bijt die het allemaal
nog wel eens wil horen zijn klappertjes
laat verregenen, de verhalen naspeelt.
Ik ben de toelis die zijn pen opnieuw laadt
die het uit sterven kan voorschrijven.
Dit is aardse, beeldrijke, enigszins melancholische poëzie. Ook ritmisch klopt het. Ik ben nu al benieuwd naar zijn derde. Hopelijk duurt dat niet nog eens twaalf jaar.
© Henk van Loenen, 2007
Sjef Welling, De Aanzegging, ISBN-10: 90-78215-05-4 ISBN-13: 978-90-78215-05-4, € 12,50, uitgeverij Kontrast
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Vreemd dat hier nog geen reactie op gekomen is, ’Rangen en standen’ kent toch prachtige regels, regels op het scherp van de snede. Welling lijkt me de John Steinbeck van het Brabantse land.
Geplaatst door: Kees Godefrooij | 26-3-07 om 21:43