In 1999 presenteerden G.J. Dorleijn en C.J. van Rees de eerste bevindingen van het ‘aandachtsgebied Literatuuropvattingen’, een wetenschappelijk onderzoeksproject dat door het NWO is gefinancierd. Sinds de publicatie van Literatuuropvattingen in het perspectief van het literaire veld zijn in vaktijdschriften theoretische inzichten geformuleerd die het Nederlandse (en Vlaamse) poëtica-onderzoek in een bredere sociologische context situeren.
Uiteenlopende casussen hebben intussen het belang van een dergelijk breed, literair-institutioneel perspectief aangetoond.
Inmiddels hebben Gillis Dorleijn en Kees van Rees, voortbouwend op de cultuursociologische veldtheorie van Pierre Bourdieu, het boek De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000 (Vantilt 2006) het licht laten zien. In een inleidend hoofdstuk bieden beide onderzoekers inzicht in de perspectieven die de cultuursociologie aanreikt voor (de verbreding van) het onderzoek van literatuurhistorici.
Het is bekend: het literaire (sub)veld is een steeds wijzigende verzameling van instituties (of organisaties), actoren (of instanties), instrumenten en strategieën. Instituties zijn betrokken bij de materiële en de symbolische productie van literatuur, en staan in voor distributie en consumptie. Een literair veld is uiteraard nooit autonoom, maar is steeds dynamisch en staat in relatie tot andere (sub)velden; het maakt deel uit van het culturele veld, bij uitbreiding van het maatschappelijke veld. De veld- en de systeemtheorie hebben sinds enige tijd school gemaakt; meer bepaald sinds de jaren tachtig is de veldtheorie ook geïntroduceerd in het literatuurwetenschappelijk onderzoek in Nederland en Vlaanderen.
Een veld is voortdurend aan verschuivingen onderhevig, en in dat veld veranderen niet alleen de instituties van gedaante (of van organisatievorm), de relaties tussen de spelers zijn evenmin statisch, en de denkwijzen van actoren binnen die instituties zijn uiteraard ook variabel.
Binnen dit theoretische kader is het interessant om de werking van een literaire institutie te onderzoeken. In De productie van literatuur zijn casussen uit twee eeuwen Nederlandse literatuur behandeld; Joris Janssens heeft in de handelseditie van zijn proefschrift De weifelende ezel. Over Vlaamse identiteit en Nederlandse poëzie 1893-1925 de Noord-Zuid-kwestie vanuit een gelijkaardige veld- en systeemtheoretische invalshoek bestudeerd. En er zijn nog recente publicaties die theoretisch-methodologisch (eigenlijk op te vatten als een combinatie van verschillende, complementaire methoden) op dezelfde leest zijn geschoeid (zoals Periodieken en hun kringen, Vantilt 2006).
Een instituut dat zich profileert als centrum van de poëzie in het Nederlandse taalgebied (de draaischijf-retoriek, waarover meer in Een beeld van poëzie) kan vanuit die uiteenlopende invalshoeken als onderzoeksobject worden beschouwd. Vragen naar de organisatie van de institutie en de verhouding tot andere instituties zijn dan interessant, alsook de vraag naar de literatuuropvattingen die de literaire institutie ontwikkelt, welke de eventuele impact van die literaire opvattingen op de productie en de consumptie van dichtbundels is, et cetera.
Het is ook bekend: alle instituties en spelers van een literair veld hebben hun literatuuropvattingen. Niet alleen de tijdschriften en de critici, niet alleen de onderzoekers, ook de boekhandels, de uitgeverijen, de literaire focuspunten, tijdschriften en organistoren van poëzie-evenementen, de Fondsen voor de Letteren. Allen produceren hun beeld van literatuur, en proberen dat beeld te legitimeren.
Een centrum voor de poëzie gaat dus ook uit van een beeld van poëzie, en probeert dat te rechtvaardigen of te rationaliseren. De ‘informatie-opdracht’ is eigenlijk een schaamlapje voor een (particuliere) literatuuropvatting. Het is daarom in principe interessant na te gaan op welke opvattingen over poëzie (over literatuur, over cultuur in het algemeen) die opvattingen zijn gebaseerd. Want allerlei handelingen (zoals het artistieke beleid, de uitgeefpolitiek) zijn daarop geënt. Elke actor, zo stellen Dorleijn en Van Rees, maakt gebruik van tijds- en plaatsverbonden normatieve opvattingen.
Dat doet dus ook het Poëziecentrum, dat namens het Vlaams Fonds voor de Letteren een mandaat heeft gekregen als ‘focuspunt’. Meer nog, een recente tijdschriftenenquête heeft aangetoond dat Poëziekrant zelfs een van de meest bekende (herkenbare) visitekaartjes van het VFL is.
Een beheersovereenkomst stipuleert dat het instituut gedurende enkele jaren een eigen beleid kan ontwikkelen. Dat kan geschieden met een structurele subsidie van iets meer dan 300.000 euro op jaarbasis. Dat betekent, kort samengevat, dat de normatieve opvattingen van het centrum ruim worden betoelaagd. Of: het VFL ondersteunt de wijze waarop het instituut een beeld van poëzie ophangt en (andere) ‘leden van de samenleving ertoe brengt culturele goederen en praktijken op een bepaalde manier waar te nemen en te waarderen’ (De productie van literatuur).
Poëziecentrum staat in voor zowel de materiële als de symbolische productie van poëzie (beide productiemethoden zijn onderling afhankelijk). Dat wil zeggen: de uitgeverij produceert dichtbundels, bloemlezingen, een reeks ‘Dichters van nu’, en periodiek: de Poëziekrant; het centrum produceert (een) beeld(en) van poëzie, en kent (per definitie een eigen) literair kwaliteitslabel toe aan (een segment) van de (Nederlandstalige) poëzieproductie.
Waarom wordt het werk van de ene dichter wel, en dat van de andere niet uitgegeven? Waarom wordt bepaald dichtwerk hoger gerankt dan ander, welke poëzie krijgt verhoudingsgewijs meer aandacht dan andere, enzovoort. Het stellen van de vragen impliceert niet het beantwoorden ervan.
Kernbegrippen in Les règles de l’art van Bourdieu zijn macht en distinctie. Een literair veld vertoont een dynamiek omdat er een voortdurende strijd om de macht plaatsheeft. Daartoe worden allerlei instrumenten en strategieën ingezet die gericht zich op het verwerven, handhaven en vergroten van die macht. Het spreekt voor zich dat een centrum van de poëzie, gemandateerd door het VFL, die (relatieve) macht heeft. Bij gebrek aan andere instituties is dat een comfortabele solo-positie; ik had het eerder al over het gebrek aan een middenveld dat voor meer diversiteit (ook in de beeldvorming van poëzie) zou kunnen zorgen (zie Een beeld van poëzie. Poëziebeleid in Vlaanderen, Garant 2006).
De studie van het literaire (sub)veld focust dus op de werking van literaire instituties, en de onderlinge relaties met andere instituties en spelers. Het lijkt me dan ook op zijn minst interessant, zoniet relevant, dat er kritische vragen worden gesteld bij die werking, en dat de literatuuropvattingen die aan de grondslag liggen van de werking, van het gevoerde beleid, worden bevraagd. Een van de vragen is dus welk beeld van poëzie door zo’n instituut wordt geproduceerd en (maatschappelijk) verbreid, hoe bepaalde beleidsdaden worden gerechtvaardigd, vanuit welke vooronderstellingen die beelden worden tot stand gebracht.
Zoals onderzoekers participant zijn in een literair (sub)veld - ook zij hanteren standpunten, ze evalueren en hiërarchiseren literaire werken - zo gaat ook een instituut uit van normen en waarden. Dat een dichter de hoogte wordt in geprezen in een tijdschrift, dat werk van bepaalde dichters wordt uitgegeven, dat bepaalde dichtbundels wel en andere niet, beknopt of uitvoerig worden besproken, zegt meer dan gewoon iets. Je kan het constateren, en daar vervolgens vragen bij formuleren. Het instituut waarvan sprake is dus betrokken bij de materiële en symbolische productie van poëzie. En vanuit die betrokkenheid kunnen kortom vragen worden gesteld over opvattingen, belangen, strategieën, het handhaven van macht in het subveld.
Interessant is bijvoorbeeld de vraag welke status een bepaald dichter wordt toegekend, omdat zijn bundels in het fonds worden opgenomen, omdat een bundel wordt geselecteerd voor een recensie, of dat een presentatie wordt georganiseerd, et cetera. Kwaliteit is geen godgegeven eigenschap, zo lees ik ook in de oratie van Jos Joosten. Kwaliteit wordt toegekend, en de redenen waarom iets kwaliteit wordt toegedicht zijn het object van onderzoek. In het besef dat ook de onderzoeker zelf die normatieve standpunten over literatuur heeft, en zich daar bewust van is. Kwaliteit is niet intrinsiek met een tekst verbonden: kwaliteitsbeoordeling verandert, wordt ingegeven door de materiële producent (het prestige van de uitgeverij), de manier waarop en de plek waar werk wordt gedistribueerd, hoe dat werk door welke critici en in welke kranten en tijdschriften wordt gepercipieerd (het symbolisch kapitaal).
Die oefening heb ik ondernomen voor het Gentse Poëziecentrum, zoals diezelfde oefeningen ook voor het Nederlands en het Vlaams Fonds voor de Letteren, en voor alle andere instituties en actoren van het literaire (sub)veld kunnen worden gemaakt. Vragen naar de aard van literaire opvattingen en hun impact op het veld leveren een bepaald beeld op. Dat beeld zegt niet alleen iets over een speler of een institutie, het zegt ook iets over literaire opvattingen en hoe die de werking van een instituut bepalen (en andersom). Uiteindelijk zegt dat beeld natuurlijk ook iets over de onderzoeker zelf die het beeld schetst op basis van zijn onderzoek (van beleidsdocumenten, statuten, jaarverslagen, publicaties, aanwezigheid in het literaire landschap et cetera).
Een centrum dat een bepaalde macht vertegenwoordigt in het literaire systeem produceert in dit geval beelden van poëzie. Die beelden zijn het resultaat van een amalgaam van vooronderstellingen over aard en wezen van wat poëzie zou kunnen zijn. Wat volgens het centrum poëzie zou moeten zij, of best kan zijn. De vragen naar de wijze waarop die literatuuropvattingen zich hebben ontwikkeld, welke dominant zijn, hoe een maatschappelijk verbreid beeld van poëzie wordt gelegitimeerd (door het centrum, door het VFL) bieden inzicht in de werking van een instituut. Want die verzameling opvattingen rechtvaardigt een bestaan, ze verantwoorden een bepaald beleid.
In Een beeld van poëzie viseer ik daarom geen personen, in tegenstelling tot wat Bart FM Droog beweert. Ik stel kritische vragen bij gesubsidieerde beelden van poëzie. Vragen die zijn ingegeven door een bijzonder respect voor de eenmansonderneming die het Poëziecentrum is. Maar idealisme, en de geschiedenis van die onderneming, kunnen mijns inziens niet verhinderen dat onderzoeksvragen worden gesteld en dat ik als onderzoeker ook mijn opvattingen kan formuleren.
In een open brief van Jozef Deleu wordt die oefening als 'infaam' voorgesteld. Ik weet nog steeds niet wat daar infaam of dus schandalig aan zou zijn. Wat vermag ten slotte de relatieve macht van een academicus tegenover de relatieve macht van een literair instituut. Het stellen van de vragen en de formulering van kritische kanttekeningen worden blijkbaar al beschouwd als een poging tot in diskrediet brengen of als een daad van opportunisme. Met deze tekst heb ik alvast die misvatting proberen weg te werken.
© Yves T'Sjoen, 2007
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Misschien is de open brief van Deleu een prima aanleiding voor het "stellen van vragen" of de "formulering van kritische kanttekeningen" bij Deleu zelf, zijn "werking" en de subsidiering van die "werking". Of heeft mijn oog een parallelzichtafwijking?
Geplaatst door: marcel raman | 22-2-07 om 9:44
Dag Yves,
Als ik de theorie van Bourdieu begrijp, dan houdt die ook in dat ze komaf maakt met het idee van de onderzoeker als buitenstaander. Iedere speler in het veld speelt een machtsrol en wordt tegelijkertijd beïnvloed door de machtsverhoudingen van de andere spelers.
Wil je de veldtheorie correct toepassen, dan moet je alle verhoudingen in kaart brengen, ook die van jezelf tot de anderen.
Wat in al de reacties op je bijdrages en de aanverwante discussies impliciet gebleven is, is de vraag naar jouw geschiedenis tov het Poëziecentrum.
Waar komt jouw motivatie vandaan? Is ze louter academisch? Valt ze enkel te verantwoorden met academische theorieën? Je hebt een voorgeschiedenis bij het Poëziecentrum waar je werkzaam was als redacteur en uiteindelijk steeds meer het redactiebeleid bepaalde. Jullie wegen scheidden. Waarom? En nog belangrijker, in hoeverre heeft die breuk je gemotiveerd in je kritiek op het Poëziecentrum?
Ik twijfel niet aan je integriteit als academicus door eventueel te suggereren dat je uit rancune een aanval uitvoert op het centrum. Maar ik weet dat er al meermaals op die breuk is gezinspeeld en dat het mede daardoor is dat je kritiek ten aanzien van het Poëziecentrum al te gemakkelijk terzijde wordt geschoven als een persoonlijke aanval van een gefrustreerd academicus.
Het knappe aan Bourdieus theorie is dat hij begrippen als "macht", "invloed" en "agenda" depolitiseert. Hij benoemt ze als (f)actoren in een groter geheel en beschrijft hun verhoudingen. Het is zaak al die elementen zo goed en gedetailleerd mogelijk te beschrijven, wil je de theorie ten volle benutten.
En waarom Deleu Anciaux in CC zet? Om zijn brief meer kracht bij te zetten, me dunkt. Om te tonen dat hij het meent. Zo weten ze het in Brussel ook wat die T'Sjoen uitspookt. Het heeft wat weg van intimidatie. Ik vind het onkies. Maar eerlijkheidshalve moeten we aan Deleu zelf vragen waarom hij Anciaux in CC heeft gezet.
groeten,
Arne.
Geplaatst door: Arne S. | 26-2-07 om 15:23
Er bestaat een Gentse uitdrukking: "Vragen staat vrij maar refuseren staat er bij".
Wat in het kader van deze hele discussie rond het Poëziecentrum zou kunnen geparafraseerd worden tot: "Vragen staat vrij, antwoorden is er nooit bij".
Geplaatst door: marcel raman | 9-3-07 om 17:22