Peter Theunynck (1960) is een vreemde combinatie van dichter, huisman en copywriter. Eind 2006 verscheen Traangasmaatschappij, zijn vijfde dichtbundel. Daarvoor kwamen Berichten van de Panamerican Airlines &C°(1997), De bomen zijn paars en de hemel (1999), Man in Manhattan (2003) en Bijzonder Heden (2003). Kwetsbaarheid, melancholie, humor en liefde zijn kernwoorden in zijn werk. In zijn vrije uren maakt hij een biografie over Karel van de Woestijne.
1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Tralies
Op die vrijdag in mei – 25°C i/d schaduw - beslist
de gorilla van Frankfurt, jawel meneer de supergorilla
van de Zoo van Frankfurt, zonder vrijgeleide, zonder permissie:
«we zijn ermee weg». Dat doet hij gewoon. Langs de poort. Als paniek.
Het spat ervan in het rond. Het springt ervan op zijn kangoeroes!
Ineens iedereen sleedoorn, elk hart djembeet naar zijn naaste dorpen.
Met een handvol pinda's, aan een armpje zo dun van een meisje
zestien, uit welke schoen haalt ze de moed, terug naar de kooi.
Het is mooi geweest zo. Vanwaar die opwelling?
Ineens mensenvloed. Iedereen kruipt uit de huid van zijn struik.
Loopt waar hij niet gaan kan. Glimt zijn tanden bloot. Wat een gelag.
Wat schattig zo'n hulpeloos beest. Wat houden mensen van tralies.
Uit: Traangasmaatschappij
2) Waarom poëzie?
Al van in mijn jeugd voel ik de enorme drang om iets te maken. Doelpunten scoren met de kop bijvoorbeeld. Helaas, als spits was ik te traag. Ik ben ook nogal onhandig: dus niet voor automonteur, loodgieter of meubelmaker in de wieg gelegd. Ik hoopte ooit dat ik zou kunnen schilderen, maar ook dat werd een fiasco. Met woorden wou het op een zeker ogenblik wel min of meer lukken. Dan probeer je maar met je beperkingen te leven en je ontdekt dat je daar ongelooflijk veel plezier aan kunt beleven. Waarom schrijven, waarom poëzie? Omdat het zo ontzettend leuk is om woorden af te richten en taalconstructies in elkaar te knutselen die op een zeker ogenblik een eigen leven gaan leiden. Het hakken, monteren, snoeien, pointilleren en musiceren in taal: daar doe je het voor. Dat is absolute fun!
3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik heb gemerkt dat ik veeleer een fan ben van gedichten dan van dichters.
Zo ben ik dol op 'Twelve Songs' van W.H. Auden (met name IX : 'Stop all the clocks, cut off the telephone’; en XII: 'Some say that love’s a little boy, And some say it’s a bird’).
'Schatplichtig' van Leonard Nolens ken ik uit het hoofd (‘Ze slaapt en dat is stil. Dan sneeuwt het in de kamers van het huis waarin ik woon met mijn vriendin’), naast Paul Snoeks 'Vijfde gedicht voor Maria Magdalena' of 'Het luchtkasteel' (‘Ik wil, voor ik verander in een kei, een mier of een papaverbloem, de schepper worden van een luchtkasteel.’)
Op een of andere manier voel ik mij erg aangetrokken tot de 'platanen bij het station in nîmes' van Miriam van Hee (‘ze werden oud en zouden doodgaan / net als wij maar zonder angst / alsof ze ergens weet van hadden / en wij niet’), maar ook tot het 'Zelfportret' van Roland Joris (met dat woord ‘weerbarstigheid’ dat zo treffend zijn inhoud verklankt).
Van Peter Holvoet-Hanssen vind ik 'Rozenbloedje' een pareltje (die kadans en die herhaling en variatie van ‘alles komt toch goed’).
'Als de maan lachte, ze zou op jou lijken' van Sylvia Plath blijft in mijn hoofd nazinderen, 'Veel heb ik te danken aan wie ik niet lief heb' van Szymborska heeft een kamer in mijn hart. Ook een regel als ‘Zoiets heet God verzoeken / zoals het landschap in zijn klavers lacht’ van Hedwig Speliers komt op de gekste momenten bovendrijven.
Van de laatste dichtbundels van Gerrit Kouwenaar vind ik bijna alles goed. De melancholie en de verwoording van 'de totaal witte kamer' raakt mij tot in het diepst van mijn ziel. En zo zou ik nog even kunnen doorgaan. Want ik vergeet nog een hoop gedichten die de fundamenten zijn waarop ik verder bouw.
Die ideale bloemlezing zit in mijn hoofd: die woorden, die ritmes, die klankkleur… Dat alles vermengt zich met mijn eigen ervaringen, eigen muziek, eigen lievelingskleuren en –woorden tot iets nieuws.
4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Alle Nederlandstalige gedichten die ik hierboven opsomde, zouden in de bloemlezing moeten komen. Maar zal ik hier even 'Rozenbloedje' intikken? Dan hoeven jullie dat al niet meer te doen (of staat het er al in?).
Rozenbloedje _
Roos, wees gegroet
ontluik in tegenspoed
geen boom – die nog tuurt
wolkendoorn verstikt de buurt
roos roosje bloed
alles komt toch goed
kind sterft een eeuwigheid te vroeg
vader verdrinkt zich in de kroeg
roos roosje bloed
alles komt toch goed
al word je in een vaas gezet
moeder komt nooit meer uit het bed
Roos Roosje bloedt
nooit komt iets nog goed
de tijd strikt ons met een list
dromen rotten uit de kist
Frau Rosenblut
wij blazen in het roet
kommt alles wieder – gut
komt het ooit weer goed
weet het niet, mijn bloed
vraag het aan de doorn
die de roos behoedt
© Peter Holvoet-Hanssen
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties