Micha Hamel (1970) is dirigent en componist. Zijn concertmuziek werd uitgevoerd door de belangrijkste Nederlandse orkesten en ensembles. Als dirigent begon hij zijn loopbaan met eigentijdse muziek. Sinds 1998 is hij een graag geziene gast bij de orkesten van de Nederlandse Radio. In 1999 dirigeerde Hamel een tournee van het Ensemble Modern uit Frankfurt. Zijn debuten bij het Orchestra Sinfonica di Friuli Venezia Giulia en het Orchestra Gaetano Donizetti Bergamo leidden tot een regelmatiger samenwerken. Voorts leidde hij het Orchestra Regionale di Toscane alsook het orkest van de RAI Torino. In 2006 debuteerde hij succesvol bij het Hallé Ochestra in Manchester. Recentelijk ontwikkelde Micha Hamel zijn derde bezigheid in de kunsten: poëzie. Zijn eerste gedichten publiceerde hij in 2003 in literair tijdschrift De Gids. Een jaar later verscheen zijn eerste dichtbundel Alle enen opgeteld bij uitgeverij Augustus. Deze werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs. In november 2006 verscheen zijn tweede bundel Luchtwortels.
1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met het gedicht 'Conclusies' uit mijn tweede bundel, Luchtwortels.
Conclusies
Als er iets als
er is, als is er
is, als er iets
is als is, als als
als is, er er, is
is, is iets er, is
er iets, is iets
iets
en als iemand verzucht in wat voor waanzinnig geworden
voortjakkerende wereld we leven, zeg ik juist niet, er hangt een
miljard mensen roerloos achter een scherm tot pap te verzakken.
Niet aan luchtwortels zwieren we heen en weer maar tussen ge-
droomde daden in de bijschaduw van ons kinderleed. Kijk, als
we vallen bezeren we ons niet aan de stoeprand maar aan de
wet die maakt dat we opengereten worden. Een man drinkt
omdat hij werkelijk van plan is de brief te schrijven die hij in die
lege fles kan stoppen. Liegt het beest. Blaat stellig menig halfgare
belhamel. Maar ik, ik ga. Struikel misschien weer. Kopje onder
in mijn wond – en zo donkert van achter de boekenkasten de dag
die begon met het leegpeuteren van muizenvallen en eindigt in
doorzonrosé, opruimen om het opruimen, en onverschilligheid –
voor mij komt het daglicht niet van een ster maar uit een volgspot;
is de maan geen bal maar een schijf. Een hele prestatie zou het
zijn om aan het eind van de maand alle overtollige minuten
mee te nemen naar de volgende. Was ik leraar leerde ik
mij een lesje. En nu de frases tot fata morgana’s vervagen
ontvouwt het besef dat mijn lichaam uitsteeksels heeft
die holtes opzoeken moeten. De cirkel is rond. Vraag nee
maak hier uw persoonlijke saldo op. Doe gewoon
alsof ik zeebenen heb, spring slootje met een flik-flak en
plons in een trog. Jodel een canon naar God en zoek ruzie
met andere vreemdelingen over de beste plek aan het raampje in
een ruimteveer. Die dieren, en zeesterren zéker, die zitten in een –
die zien een totaal andere film, slimmerik. En jij, jij, jij, jij en jij,
ook jij bent op je verjaardag geboren.
2) Waarom poëzie?
Ik hou erg van poëzie. Boeken dikker dan 300 pagina’s lees ik niet. Ik krijg ze niet uit, een enkele uitzondering daargelaten. Dat komt door van alles, natuurlijk. Het zegt iets over hoe mijn hersenen werken. Maar ik vind ook hard werken fijn, dus ik heb overdag altijd veel te doen: studeren, repeteren en tegen deadlines aan zitten pennen en zo. En dan het gezin. Dus met een dik boek verlies ik gauw contact. Ook houd ik van nieuwe gedachten, maar vaak weer niet zo heel erg van filosofische en religieuze teksten. Wel van de grote goeie, maar er is ook veel gedreutel. De poëzie biedt mij completere zichten op het leven dan romans en filosofie en religie, denk ik. In deze fase van mijn leven.
3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Guillaume Apollinaire, de meest veelzijdige, compleetste en vitaalste dichter aller tijden. Er is geen menselijke conditie die niet binnen zijn poëzie valt. Hij kan alles zien, alles voelen, en alles schrijven. Van de meest perverse gevoelens van erotiek tot de hoogste sensaties van spiritualiteit, van blinde woede tot intense compassie, et cetera. Hij is alles.
René Char vanwege de zienerachtige toon. Vanwege het vermogen om het moeilijkste te laten zien, de diepste lagen in de mens. Bij hem zie je altijd het scheppen in schepping. De kracht van de taal als een natuurkracht.
K. Michel, omdat het zo kraakhelder is, gemaakt met de onzichtbare hand. Het nét niet steriele dat onopvallendheid riskeert, maar altijd een edel gedachtegoed bergt.
Hans Magnus Enzensberger omdat hij van alles een gedicht kan maken. De levendigheid van zijn geest, de immer doorgaande bevraging. Altijd weer die wake-up-calls, geen minuut willen leven zonder vraag, uitleg of evocatie.
Alfred Schaffer omdat hij de wereld een koekje van eigen deeg geeft. Omdat hij de stekker bijna uit zijn taal durft te trekken. De hoekige schwung waarmee hij middels de poëzie een pad voor zichzelf hakt. Een routekaart door het bestaan.
Ilja Leonard Pfeijffer, hard voor zichzelf en anderen, maar roekeloos en geestig als geen ander. Het getoeter, de valse tonen, de opzettelijkheid, de memorabele frases, en het onafgebroken zwiepen met de roede.
C.O. Jellema. Altijd de diepte van de bijbelse thematiek. Poëzie waarin fundamentele ervaringen geuit worden. Het bestaan als gift. Het wonder van het leven, de onbeduidendheid van alles. Het luisteren naar zichzelf, de brug naar de ander.
Lucas Hüsgen vanwege de rituele kracht, de bloeiende maar nergens pronkende esthetiek, de zingzang van ootmoed en tederheid. De wond die hij maakt in zijn taal, die de muzikaalste taal is die er in Nederland geschreven wordt.
Tonnus Oosterhoff vanwege het geheim, het geheim dat achter de trucjes verborgen blijft. Een geniale goochelaar: bezig met een hoed en een staf, een duif en een rood balletje en een spel kaarten. En klooien. En dan: dán wordt het kunst: hij gaat door tot de staf weg is, het balletje groen en de duif dood. En het spel kaarten?
Wouter Godijn. De van-de-pot-geruktheid, de humor, de taal die hij verbruikt, verstookt, het affikken van zijn eigen gedichten, het huiveringwekkende deplaceren, de onafgebroken experimenteerdrift, de trouw aan de moderniteit, de begrijpelijkheid van de gedichten tegen het licht van de onbegrijpelijkheid van ons bestaan, het kan niet heerlijker.
4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Bestaat die online bloemlezing dan? Ik heb het niet zo op bloemlezingen. Meestal wordt een gedicht verkeerd overgenomen omdat er te haastig overgetypt wordt of de vormgever last krijgt van creativiteit en de resultaten vervolgens niet terugkoppelt naar de bloemlezer, of dat hij dat juist wel doet, maar de bloemlezer dan weer geen terugkoppeling geeft aan de dichter. Et cetera. Begrijpelijk, hoor, want er is meestal geen tijd en geen geld, en met het een óf het ander kom je een heel end, maar met beide het verst. Een afzonderlijk gedicht zwemmend in de virtuele ruimte ziet er altijd wat treurig uit. Alle macht aan de lezer: klik weg. Volgens mij voelen gedichten zich beter thuis in een boek. Maar dat is persoonlijk, misschien.
© interview Arnoud van Adrichem
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties