Saskia de Jong (1973) debuteerde in 2004 met de bundel zoekt vaas, wat haar prompt een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs 2004 opleverde. Het juryrapport meldt onder andere: 'Als er een trend is in de richting van toegankelijker poëzie, dan is de bundel zoekt vaas van Saskia de Jong daar zeker geen voorbeeld van. Zij schrijft raadselachtige gedichten waaruit woorden en soms zelfs hele zinsdelen lijken te zijn weggevallen. Daardoor breekt ze op een heel eigen manier de taal open, een taal die soms bitter klinkt en die gepreoccupeerd lijkt met het gewelddadige van het christelijk offer. Een weerbarstige taal, die je niet vaak hoort en die je niet met rust laat.' In 2005 verscheen bibliofiel de opvolger poëzie, waarin De Jong speelt met het genre van de fotoroman. Recent verscheen bij uitgeverij Prometheus haar nieuwste dichtbundel resistent die binnenkort in literair tijdschrift Parmentier zal worden besproken.
1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Dat is er een uit mijn laatste bundel resistent, de titel is 'nur erhitzen':
het is maandag in tegenstelling tot vrijdag
dus is dit hoe je de tijd doorkomt
genoeglijke aandoening zover je kunt kijken
er worden volop stillevens geboden (als
niet bij jou thuis dan bij mij) na verloop
van tijd wordt men verwijderd, uw kinderen
en gekken hoeven niet verstaanbaar
je pantoffels staan klaar
pamflet van het eeuwige leven
is dit escher?
of een lolly eten al flierefluitend, ja
het doet ertoe wat simpelweg
in steken aaneen valt
te rijgen, plausibel
hoor ik nu denken, voor dieren niet
hier toont zich de afvalrace, het
vervangender lot
2) Waarom poëzie?
Omdat ik lui ben? Geen zelfdiscipline heb? Taal is mijn, vooralsnog eerste, grote liefde. In alle vormen. Daarbinnen heeft poëzie een streepje voor: omdat ze bij uitstek talig is, én, de kick van de poëzie, het ogenschijnlijk verleggen van het brein, heb ik nog niet bij een andere kunst mogen ervaren. Proza vind ik gezellig, lekker lezen, knus. Rust. Er is nooit iets geweest wat ik wilde doen, behalve lezen. Als ik gedwongen werd te kiezen, zou ik nog altijd de voorkeur geven aan lezen boven schrijven.
Veel meer dan bij poëzie moet je bij proza technisch inzicht hebben, weten waar je mee bezig bent, vooruitdenken. Ik kan me niet voorstellen dat je nog kunt genieten van het lezen van een roman als je deze technieken eenmaal onder de knie hebt. Je moet veel meer echt iets vertellen. Ik heb niet per se die behoefte. Voor proza moet je, vermoed ik, ook meer met de lezer bezig zijn, en eerlijk gezegd ben ik dat met poëzie nooit.
Plaatjes draaien doe ik graag. Daarmee vertel ik wel een verhaal, maar een heel oppervlakkig, verre van subtiel verhaal. Maar dat ik naast de literatuur geen interesses zou hebben, is inmiddels wel achterhaald. Momenteel ben ik met beeldend kunstenaar Ine Lamers met een tweede video-installatie bezig, waarin we zowel ons eigen als elkaars terrein bespelen en gezamenlijk scenario en montage voor onze rekening nemen. Essays schrijven is ook iets wat ik vaker zou willen doen. Dat heeft wellicht iets te maken met een voorname voorkeur voor de poëzie: het studeren, het onderzoeken, het filosoferen.
3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik durf niet te spreken van inspiratiebronnen. Er is zo weinig eigenlijk wat ik gelezen heb. Ik ben nog niet zo lang bezig met de poëzie, een jaar of tien hooguit, en een enorme herkauwer. Ik kan niet zeggen dat wat ik schrijf aanzienlijk veranderd is van stijl of toon. Ik vermoed mijn inspiratie met name uit het dagelijks leven te halen, dus het gehele pakket van proza, poëzie, non-fictie, film, tentoonstellingen, muziek, de krant, vrienden, eten, natuur, de stad etc. En letterlijk alles wat talig is: uithangborden, bijsluiters, gebruiksaanwijzingen etc. Wel zijn er uiteraard de schrijvers die ik graag en vaak lees: H.H. ter Balkt, Kees Ouwens, Tonnus Oosterhoff, Les Murray, Bart Meuleman, Gerrit Kouwenaar, Zbigniew Herbert.
4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Deze vraag vind ik heel erg moeilijk. Ik heb niet een uitgesproken voorkeur voor specifieke gedichten, het is eerder een bundel, of zelfs een oeuvre, waarnaar mijn voorkeur uit gaat. Met een bloemlezing doe je mij in het geheel geen plezier. Vandaar dat ik een gedicht kies uit de bundel die ik nu aan het lezen ben, De sonnetten van de kleine waanzin van Hans Andreus. En dan nog vind ik de keuze heel moeilijk, alle gedichten uit deze bundel zijn prachtig. Van willekeur is nog net geen sprake bij het kiezen van gedicht nummer 21.
Bloemen leven licht-zinnig in hun bladen.
Dieren lopen vanzelfsprekend; ze zwijgen
van wat ze zouden kunnen zijn; hun daden
gebeuren altijd nu; dieren zijn eigen.
Mensen doen alsof. Bestaan in ijskoude,
denken, denken, denken dat zij bestaan.
Geen mens kent een mens. Men wil zich vasthouden.
Angst laat niet los. Men kijkt zijn spiegel aan.
En hangt zich op aan winterse systemen
of takken van geloof. Maar dood is dood.
Men neemt zich mee en is niet mee te nemen.
En ik ben eenzelfde. Maar leg mij bloot,
omdat ik zien wil wie ik toch nog ben.
Ik moet toch een mens zijn die ik herken.
© interview Arnoud van Adrichem
© foto Sanne Peper
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Zou je de poëzie van saskia de jong postmodernistisch willen noemen?
Geplaatst door: veerle | 23-5-07 om 13:40