Wat poëzie is? Bijna altijd, een beproefde retorische truc, wordt de vraag verdraaid. Ook Jan Baeke gaat in zijn gedicht vertellen wat poëzie allemaal níet is. Hij is met zes verzen vertegenwoordigd in 25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten. Daarmee is de weinig bekende dichter een van de helden in de dikke bloemlezing die Chrétien Breukers samenstelde.
Gedicht en bloemlezing verdragen elkaar slecht. Poëzie en anthologie strijden, om de redenen die Baeke aanvoert: ‘Geen kwestie van meters of gewicht.’ De bloemlezer moet juist wel wegen en meten, en dat is het probleem met deze uitgave. Een boek dat niemand mag missen, je kunt er duizend ontdekkingen in doen. Maar ook een boek waarover iedereen gaat kissebissen, je kunt er duizend aanmerkingen op hebben. Breukers weet ongetwijfeld veel van de dichtkunst, maar naar ik vrees weinig van wiskunde.
De titel klopt in elk geval niet. Hij geeft geen beeld van de poëzie tussen 1980 en 2005, maar beperkt zich tot het werk van dichters die in deze periode hun debuut maakten. Daarin is hij streng. Ed Leeflang en J. Eijkelboom, die formeel eind 1979 debuteerden maar hun bundels pas voorjaar 1980 besproken zagen, mogen niet meedoen. Als iemand zo strikt met getallen is, verwacht je daar in de opzet van z’n boek iets van terug te vinden. Maar nee, er is gekozen voor de willekeur van het alfabet, een bloemlezing van Abspoel tot en met Zwagerman. De cijferfobie gaat zo ver dat in het boek niet eens de jaartallen van de dichters worden vermeld. Zoals trouwens ook pseudoniemen geheim blijven, schuilnamen als Ayatollah Musa of Stella Napels.
Chrétien Breukers was gierig voor zichzelf, hij gunde zichzelf één gedicht. Hij bejegent de meeste andere dichters gul, hij nam er 233 op. Zoveel? Ja, zoveel. Het geeft de bundel eerder het aanzien van een catalogus dan van een anthologie. Een woekerend onkruidveld in plaats van een geharkt tuinperk. Als je beter kijkt, blijken tal van dichtersplantjes heimelijk gewied. Geen aandacht voor Anne Vegter of Martin Reints, voor Jan Wolkers of Adriaan van Dis, voor Bart Chabot of Diana Ozon, voor Th. van Os of Andreas Oosthoek.
We moeten geloven dat Sylvia Hubers, Menno van der Beek en Han van der Vegt dichterlijke sterren zijn. Terwijl Anna Enquist en Esther Jansma als poëtische dwaallichten worden voorgesteld, goed voor slechts twee gedichten. ‘De bestsellerauteurs (…) zijn niet per se de beste dichters, maar de dichters die zichzelf het beste over het voetlicht kunnen brengen’, legt de samensteller uit. Dáárom begon hij aan deze taak. Hij wilde de canon niet volgen, maar een canon máken. Helemaal zelf bepaalde meters, hoogst persoonlijk geijkte gewichten. En vooral de messen geslepen. Precies wat poëzie is, maar wat een bloemlezing niet mag zijn.
---
25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten. Samenstelling Chrétien Breukers – 456 pag. / €20 – BnM Uitgevers, Nijmegen, ISBN 90 77907 20 3
---
Poëzie is geen fatsoenlijk onderzoek.
Aan poëzie ontbreekt het argument
van helder verlichte behandelkamers
de ontspannen zekerheid
van degelijke bewijzen
die soortgenoten en verschijnselen verbinden.
Poëzie is geen kwestie van meters of gewicht.
Het is geen zaak van massa
eerder één van geraamte
maar dan
zoals wij de botten aantreffen
op een wandeling langs strenge akkers
of op een bord
aan een belendende tafel.
Jan Baeke (geb. 1956)
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties