Ewoud Kieft schreef een verbluffend mooi boek. Het heet: Het plagiaat. De polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken
en verscheen onlangs bij Vantilt. Kieft (1977) is als onderzoeker
verbonden aan het NIOD en de Universiteit Utrecht. De Contrabas reisde
naar Utrecht, om het daar, in Kiefts prachtig ingerichte
studeervertrek, te hebben over ditjes en datjes. En over het boek dat
hij heeft geschreven, een boek dat niet alleen verbluffend mooi is,
maar ook handreikingen biedt voor het hedendaagse intellectuele debat,
dat wel eens onder de stofdoek door mag. Omdat het vandaag 2 november is, komt Theo van Gogh ook even langs.
CB: Ter Braak krijgt het in 1930 als jonge essayist meteen al aan de stok met de bijna-leeftijdgenoot Van Duinkerken. Inzet van de vele jaren durende polemiek is van meet af aan de vraag, of religie een rol hoort te spelen in persoonlijke oordeelsvorming en levenshouding. Ter Braak wijst de religie voor hemzelf af, maar voelt zich toch aangetrokken tot 'ware gelovigen' als Henri Bruning en, ondanks hun meningsverschillen, Anton van Duinkerken. Kun je in het heel kort iets over de chronologie van de pennenstrijd vertellen?
EK: Eigenlijk begint die naar aanleiding van Marsmans 'bijna-bekering' in 1926. Die voelde zich hevig aangetrokken tot de club jonge katholieke schrijvers die tijdens de jaren twintig een voorhoede in de Nederlandse schrijverswereld vormden, waar toen eigenlijk niemand omheen kon. Namen als Jan Engelman, Albert Kuyle, of Gerard en Henri Bruning kent bijna niemand meer, maar toen speelden zij een centrale rol in het literaire leven. De schok van de Eerste Wereldoorlog had veel jongeren in zijn greep en zij zochten naar een nieuw 'bezield verband'. De levensbeschouwelijke scheidslijnen leken te vervagen. Marsman profileerde zich als leider van de Nederlandse moderne literatuur en begon zich in het tijdschrift van de 'ongebonden' schrijvers, De Vrije Bladen, steeds katholieker uit te laten. Ter Braak raakte geërgerd en zette een tegenoffensief in, dat èn Marsman van het doopvont moest redden èn de Nederlandse literatuur voor eens en altijd tegen religieuze fratsen moest beschermen.
Dat leek behoorlijk te lukken, maar met de komst van Van Duinkerken in de Nederlandse letteren kreeg Ter Braak een tegenspeler waar hij niet op gerekend had. Van Duinkerken was namelijk totaal ongevoelig voor erkenning in de 'moderne' literaire milieus, maar zette met zijn Hedendaagse Ketterijen uit 1929 frontaal de aanval in op de moderniteit. Ter Braak was blij verrast door dit levensbeschouwelijke zwaargewicht, hij was juist op zoek naar een zo direct mogelijke ideeënstrijd binnen literatuur, en in 1930 schreef hij 6 artikelen tegen Van Duinkerken waar de strijdlust van af spatte. Van Duinkerken reageerde aanvankelijk wel erg filosofisch (thomistisch) en zijn weerwoord leek toch niet helemaal opgewassen tegen het geweld waarmee Ter Braak, inmiddels versterkt door Du Perron, hem op de man af bestookte.
Pas na 1933 bleek Van Duinkerkens sterkste troef: hij wist de zwakke plek van Ter Braak bloot te leggen door hem constant te confronteren met diens eigen, vaak verholen, dogma's èn de praktische consequenties van diens skepsis in die tijden van politieke crisis. Tussen 1935 en 1937 groeiden hij en Ter Braak steeds meer naar elkaar toe, ze schreven in '37 zelfs in onderlinge samenwerking boeken over de betekenis van het christendom voor de Europese beschaving - dit om een positief weerwoord tegen het oprukkende nazisme te bieden. Maar in 1938 brak er iets in de trouwe vijandschap die zij zelfs al voorzichtig met 'vriendschap' begonnen aan te duiden. Ter Braak koos toch voor de intellectuele ongebondenheid, cultuurbehoud als antwoord op de nazidreiging voldeed niet voor hem. Alsof hij de breuk met zijn tegenspeler wilde forceren, stak hij in 1938 en 1939 de loftrompet over Van Duinkerkens aartsvijand, de Nietzscheaanse katholiek Henri Bruning, pleitbezorger van het fascisme nota bene. Marsman mengde zich op dat moment ook weer in de strijd en vanaf moment werd duidelijk dat Nietzsches eis van cultuurvernieuwing het ging winnen bij Ter Braak. In 1939 en 1940 probeerde Van Duinkerken hem nog uit alle macht, en met steeds scherpere stukken, over te halen tot het verdedigen van 'oude' vaststaande waarden, maar met Ter Braaks De nieuwe elite werd duidelijk dat die zijn engagement alleen nog maar wilde stoelen op pragmatische gronden.
Na Van Duinkerkens woedende recensie van dat boekje, najaar 1939, verklaarde Ter Braak plechtig de polemiek ten einde.Toch blijkt achteraf dat hij tot aan mei 1940, tot twee weken voor zijn zelfmoord, nog volop bezig is geweest met de levensbeschouwelijke strijd die hij toen al zo'n tien jaar met Van Duinkerken had gevoerd.
CB: Is die strijd na de Tweede Oorlog in het voordeel van Ter Braak beslecht, of is hij gewoon niet voortgezet?
EK: Eigenlijk is hij gewoon niet voortgezet. Ter Braaks zelfmoord op de dag van de Duitse inval kreeg een symbolische lading. En Ter Braak zelf werd het symbool van de onafhankelijke kritische geest. De scherpe randjes van zijn denken zijn eigenlijk altijd genegeerd; bijvoorbeeld dat zijn 'afscheid van domineesland' óók een afscheid van de Verlichting inhield - wat dat betreft week hij niet van zijn inspirator Nietzsche af (bij wie dat overigens ook vaak over het hoofd wordt gezien). Kortom: er ontstond ongelooflijk snel een totaal andere beeldvorming, waardoor men lange tijd niet doorhad waar die strijd eigenlijk over ging.
CB: Hoe ben je op het spoor gekomen van de polemiek tussen Van Duinkerken en Ter Braak?
EK: Ik werkte als stagiaire bij het NIOD-project cultuur en modernisering 1900-1940 en was bezig met de relatie tussen religie en moderniteit. Ik merkte dat in verschillende boeken naar de polemiek Van Duinkerken en Ter Braak werd gerefereerd en ging er van uit dat het wel een bekend, en dus bestudeerd, onderwerp zou zijn. Ik wilde er wat meer over weten, het thema van levensbeschouwelijke strijd boeide mij, zocht naar een boek erover, waarvan ik dacht dat het wel zou bestaan. Dat was dus niet zo, en in de biografieën (Hanssen, Van der Plas) bleek er nauwelijks aandacht aan besteed te zijn. Zo rolde ik er een beetje in.
CB: Het lijkt voor ons, zoveel jaren later, bijna onvoorstelbaar dat twee figuren uit twee zo verschillende werelden elkaar toch zo hartstochtelijk bestreden. Hoe komt het, volgens jou, dat deze verwoede pennenstrijd, die meer dan tien jaar besloeg, zo onbekend is gebleven, daar waar Uren met Dirk Coster van Du Perron nog wel enigszins bekend is?
EK: Dat heeft volgens mij veel te maken met de invloed van de Tweede Wereldoorlog, die een soort breuk heeft geslagen tussen het cultuurleven van het Interbellum en dat van na de oorlog, dat overigens de laatste jaren wel sterk aan het veranderen is denk ik. Heel lang heeft men zich simpelweg niet voor kunnen stellen hoe diffuus het levensbeschouwelijke en politieke debat eigenlijk was tijdens het Interbellum. Het bekende 'goed-fout' schema heeft ons beeld van de jaren dertig lang bepaald en voor een goed deel ook de naoorlogse literaire canon. Cultuur- en literatuurhistorici hebben, nog steeds wel, de neiging om hun eigen politieke correctheid op het verleden te projecteren. Maar het debat tussen Van Duinkerken en Ter Braak was zo hartstochtelijk omdat het verdedigen van 'democratische waarden' voor hen eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend was. Zij beiden, en vrijwel alle schrijvers en kunstenaars van hun generatie, waren tijdens de jaren twintig en begin jaren dertig antidemocraat.
Zij zochten naar alternatieven voor de Verlichtingswaarden, die zij, onder de indruk van de Eerste Wereldoorlog, failliet hadden verklaard: Ter Braak in de Nietzscheaanse stroomfilosofie, Van Duinkerken in het anti-burgerlijk katholicisme, dat sympathiek stond tegenover het Italiaanse fascisme. Zowel katholieke als 'moderne' schrijvers van hun generatie zagen op dat moment meer onderlinge overeenkomsten dan verschillen. Pas met de opkomst van het nazisme in de loop van de jaren dertig voelden Van Duinkerken en Ter Braak zich geconfronteerd met de consequenties van hun denken, en confronteerden zij elkaar daarmee.
E
en tweede reden is meer letterkundig van aard denk ik: Ter Braak en Du Perron zijn literair gezien tot 'overwinnaars' uitgeroepen na de oorlog: hun directe stijl, zonder literaire opsmuk en wars van alle verhevenheid, is nu nog steeds herkenbaar, terwijl Van Duinkerkens werk, maar ook dat van Marsman bijvoorbeeld, ontzettend oubollig of bombastisch overkomt. Daar moet je echt doorheen lezen om überhaupt te kunnen zien wat er staat. Wat er volgens mij gebeurd is, is dat deze literaire 'overwinning' enigszins geassocieerd wordt met de levensbeschouwelijke strijd van het Interbellum. Wat toch echt een heel andere was. En dat is denk ik nog een reden waarom men zich niet heeft kunnen voorstellen dat Van Duinkerken ooit een volwaardige tegenstander van Ter Braak en Du Perron heeft kunnen zijn.
CB: Heb jij, tijdens het schrijven van je boek, sympathie opgevat voor de figuur Van Duinkerken? En voor zijn standpunten?
EK: aanvankelijk was het meer een soort sympathie voor de underdog, maar ik moet zeggen dat de Van Duinkerken van eind jaren dertig steeds meer respect afdwong bij mij: zijn antinazisme wordt dan echt onverbiddelijk. En zijn stukken tegen Ter Braak ademen echt frustratie over diens twijfelachtige houding, en over de mislukte toenadering tussen hen. Hij verliest in die stukken ook zijn beheersing, wat op de een of andere manier toch indruk maakte.
CB: Hoe zie jij de figuur Ter Braak? Uit wat ik ook weer in jouw studie leest, komt hij (vind ik) naar voren als een studeerkamergeleerde, die weliswaar hele felle oordelen wist te vellen, maar in de praktijk hopeloos verloren liep. Een zijvraag daarbij: wellicht is Van Duinkerkens werk gedateerd, maar het proza van Ter Braak is vooral gortdroog, vind je niet?
EK: Ter Braaks essay's voor de krant vind ik zeker niet gortdroog, de meeste daarvan zijn gewoon ontzettend goed en volgens mij voor veel journalisten nog steeds een standaardwaarde. Dat idee dat Ter Braak een studeerkamergeleerde was onderschrijf ik maar ten dele: in mijn boek besteed ik veel aandacht aan de spanning tussen theorie en praktijk in Ter Braaks denken maar daarmee schets ik een strijd die in hemzelf woedde. Met andere woorden: Ter Braak probeerde juist constant zijn denken aan de praktijk te toetsen en dat maakt hem ook zo interessant. Dat hij daar niet uitkwam ligt volgens mij niet zozeer aan dat hij een wereldvreemde studeerkamergeleerde was, maar meer dat het probleem waar hij mee worstelde, het zoeken naar een postchristelijke èn postverlichtingsmoraal (hetzelfde probleem als Nietzsche in feite), heel moeilijk op te lossen is en juist in de jaren dertig wel erg heftige vormen aannam. De nazi's waren in feite met dezelfde onderneming bezig. Dat Ter Braak daar niet het hoofd aan heeft kunnen bieden zegt misschien wel meer over zijn tijd dan over hemzelf.
CB: De spanning tussen theorie en praktijk: daar lijk je ook aan de kern van het conflict tussen Van Duinkerken en Ter Braak te raken...
EK: Ja, dat zou je inderdaad wel de kern kunnen noemen. Hun polemiek werd eigenlijk de hele tijd voortgedreven door de vraag wat de praktische consequenties van hun ideeën waren, hoe leefbaar die eigenlijk waren binnen de contexg van de jaren dertig. Ter Braaks eis dat elke persoonlijkheid oorspronkelijk moet zijn, en alle traditionele waarden dus als ballast overboord gegooid dienen te worden, stond in spanning aan de behoefte om zich op ongecompliceerde wijze te engageren tegen de nazi's. Van Duinkerken had dit probleem van zijn tegenstander goed door, maar hij zelf bepleitte, ja belichaamde welhaast, een alternatief dat voor Ter Braak evenmin leefbaar was: Van Duinkerkens ongecompliceerde engagement vanuit de katholieke traditie stelde hem dan wel in staat om manhaftiger dan Ter Braak antinazi te zijn (althans in 1939-1940), maar hij verdedigde daarmee iets heel anders dan Ter Braak wilde verdedigen. En ik denk dat dit probleem nog steeds wel speelt in onze cultuur. Er is een hele precaire balans tussen de wens om een oorspronkelijk individu te zijn, en de vrijheid die daarvoor nodig is, én de noodzaak om als samenleving een zeker gemeenschappelijke binding te houden. En op het moment dat de maatschappelijke spanningen toenemen blijkt hóe kwetsbaar dat evenwicht is. Het integratiedebat op dit moment laat zien dat dat aan buitenstaanders heel moeilijk uit te leggen is, omdat we het zelf nauwelijks kunnen verwoorden. Waardoor onze cultuur eigenlijk een heel geslotene is.
CB: Hebben Ter Braak of Van Duinkerken nog opinies die een rol kunnen spelen in dat integratiedebat? (Ter Braak als Theo van Gogh en Van Duinkerken als Job Cohen?).
EK: tussen Ter Braak en Du Perron en Theo van Gogh, maar denk bijvoorbeeld ook aan het manifest van kunstenaars voor vrijheid van meningsuiting van Hans Teeuwen c.s., loopt een heel directe lijn: Van Gogh's ideaal was 'ideeënstrijd', Ter Braak verklaarde polemiek tot zijn persoonlijke 'levensvoorwaarde', en ook Forum was gebaseerd op de 'polemiek als levensbevestiging'. Dit idee van een open discussiecultuur waarin alles gezegd moet kunnen worden, al was het maar als waarborg tegen geestelijke verdrukking, is nog springlevend. Het enige verschil met Ter Braak is misschien dat die beter doorhad dat vrijheid van meningsuiting op zichzelf genomen niet zo veel betekent, maar pas gaat werken als je de kunst verstaat om daadwerkelijk te communiceren met mensen waar je het volstrekt oneens mee bent. Maar hij had wel de druk van het nazisme nodig om dat te beseffen.
Van Duinkerken als Job Cohen, tja, dat zou best kunnen: maar dan hebben we het wel over de Van Duinkerken van eind jaren dertig, die zich dan eigenlijk van radicale jongkatholiek tot een verzoenende christenhumanist had ontwikkeld. In 1939-40 deed Van Duinkerken inderdaad pogingen om 'de boel bij elkaar te houden' - een zo breed mogelijk antinazistisch front te maken. Zijn meningsverschillen met Ter Braak hadden in dat verband een heel nieuwe lading gekregen, die was hij bijna gaan koesteren als een bewijs dat er achter hun ogenschijnlijke onverzoenbaarheid nog overkoepelende universele waarden scholen.
Het meest relevante voor de huidige debatten vind ik misschien wel het besef dat zowel Van Duinkerken als Ter Braak hadden, dat een democratische en pluralistische samenleving heel goed gedijt bij uitgesproken ideologische, of zelfs fundamentalistische gesprekspartners. Dat je die dus ook niet als te radicaal moet weren uit het debat, maar juist naar manieren moet zoeken om de confrontatie aan te gaan. En ook al ben ik wel kritisch op Van Gogh's botte-bijl-strategie, die vond in ieder geval wel dat een imam openlijk mag zeggen dat homo's van het flatgebouw af mogen worden geduwd, net zoals hij mocht zeggen dat moslims geitenneukers waren. Als je deze openheid optilt naar een net iets constructiever niveau heb je kansen op een mooie discussie, denk ik.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Het grote verschil tussen Ter Braak en Van Duinkerken enerzijds en Van Gogh en Cohen anderzijds, is dat die eerste schrijvers zijn.
x
Geplaatst door: Xavier Roelens | 3-11-06 om 15:16
Dit was even om hun plek in het openbare debat – waar schrijvers toen wel aan deelnamen – weer te geven.
En verder spijt het me dat ik het op deze plaats moet zeggen, maar Xavier: als je niet anders dan arrogante opmerkingen te maken hebt, doe dat dan ergens anders.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 3-11-06 om 18:09
"waar schrijvers toen wel aan deelnamen"
Inderdaad, dat was wat ik ook bedacht, maar niet wou expliciteren. Bedankt om het in mijn plaats te doen.
x
Geplaatst door: Xavier Roelens | 3-11-06 om 22:56