Hè ik wou jij was de lucht
dat ik je ademen kon
en je zien in het hooge licht
en door je gaan kon.
Waar zijn je armen en je handen
en die witte overschoone landen
van je schouders en schijnende borst --
ik heb zoo'n honger en dorst.
Herman Gorter, Verzen (1890)
Wat een vitaliteit heeft dit gedicht. Het had, een dubbele o daargelaten, vandaag of morgen geschreven kunnen zijn en worden.
Ik wist niet dat de kreet 'hè' (wordt hier niet eigenlijk 'hé' bedoeld?) ook in 1890 al gangbaar was. Dat tussenwerpsel is ongetwijfeld ouder dan de Nederlands taal zelf.
De zin dat Gorter zou willen dat hij 'je ademen kon' doet me aan Nabakov denken, die bijvoorbeeld in Lolita ook zo allesomvattend kan laten liefhebben. De hoofdpersoon, Humbert Humbert, zou Lolita wel binnenstebuiten willen keren, om haar ingewanden te kunnen kussen!
Gorter zou je wel willen 'ademen' en heeft 'zoo’n honger en dorst' naar 'die witte overschoone landen / van je schouders en schijnende borst'.
'Hè ik wou jij was de lucht' - de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dnbl.org) weet over deze beginzin van Gorter te melden dat 'de directe wijze van zeggen in regel 1 - de bijzin onverbonden en in hoofdzinconstructie, type I know you know he knew', bij Gorter veelvuldig voorkomt. Bijvoorbeeld ook in de zin 'ik heb gevonden de wereld is groot', eveneens in Verzen, doet Gorter dat.
De gedichten van Gorter lijken daardoor iets samengeperst te zijn. Alsof je door samengeknepen ogenspleten naar de wereld om je heen kijkt, tussen je wimpers door.
Herman Gorter (1864-1927) stapelt beeld op beeld, maar behoudt een doorschijnende ijlheid. Alleen de allergrootsten weten hun pen in inkt te dopen die zo tijdloos is.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Het interessante aan dit gedicht vind ik vooral de kennelijke tegenspraak die schuilgaat tussen beide strofen. In de eerste: 'Hè ik wou jij was de lucht', in de tweede: 'Waar zijn je armen en je handen'. In de eerste schijnt hij dus het lichaam te willen verruilen voor een ijlere, onstoffelijke substantie, maar in de tweede hongert en dorst hij naar armen, handen, schouders en borst. Het doet denken aan Luceberts
Daarom mij moet men in een lichaam
Niet doen verdwijnen
Dat vermogen de engelen
Met hun ijlere stemmen
uit 'De schoonheid van een meisje'.
Waar de beide strofen elkaar niettemin ontmoeten is in de gebruikte beelden: de landen zijn wit, de borst is schijnend, net als het hoge licht van de adem en de lucht. Hij vergelijkt het lichamelijke dus met iets anders, iets ijlers, en lijkt dat beeld vervolgens te prefereren, maar net als Lucebert is hij te veel mens (of: te weinig dichter) om niet toch terug te keren naar het vlees.
Gorter: geen Tachtiger, maar een Vijftiger! (In elk geval niet 'tijdloos', maar dat terzijde).
Geplaatst door: Rutger H. Cornets de Groot | 12-11-06 om 19:04
Nabokov, Sander
en 'daarom mij mag' en niet 'moet', Rutger.
Geplaatst door: Dirk Vekemans | 13-11-06 om 12:11
Die slotzin is t mooist.
Geplaatst door: Adriaan Krabbendam | 13-11-06 om 13:59
Ik citeerde uit het hoofd, Dirk, en op een of andere manier vind ik hier 'moet' beter dan 'mag' - maar je hebt gelijk, het is het laatste.
Geplaatst door: Rutger H. Cornets de Groot | 13-11-06 om 15:29