De dichter Wiel Kusters (1947) is opgegroeid in Spekholzerheide. In deze Kerkraadse regio, diep in het zuiden van Nederland, stond een aantal kolenmijnen. In zijn grootse 'poëtische vertelling' Er lag een kussen op verhaalt hij in 723 woorden over zijn opa en al die andere opa's die door het werken in een kolenmijn silicose hebben gekregen. Stoflongen.
Er lag een kussen op
De laatste tien maanden van zijn leven brengt mijn grootvader
zittend door dag en nacht. Silicose. De toestand van zijn
zwaar aangetaste longen verslechtert met de dag. Hij zit in
een rieten stoel met hoge armleuningen bij het open raam.
Soms hijst hij zich op aan het tafeltje dat voor hem staat.
Voorovergebogen, met zijn handen de zijkanten van het blad
omklemmend, staat hij daar dan, hoestend, hard en lang,
vanuit de diepte. Wanneer hij zich daarna weer laat zinken is
dat bijna een vallen. Mijn grootmoeder heeft hem te steunen.
(...)
Uit: Een bezoek aan de leermijn (1984)
Wat volgt is een adembenemend relaas over het eenvoudige en zware leven in die beroete streek.
Ook ik ben opgegroeid in de mijnstreek – toen die begon af te takelen. Waar toen een mijnberg was, ligt nu een overdekte skibaan met kunstsneeuw – 'van zwart naar wit', dichtte Kusters daarover.
In het dorpje Eygelshoven keek het huis van mijn ouders aan de achterzijde uit op de koeltoren van de particuliere mijn Laura. Die mijn was vernoemd naar de vrouw van de eerste mijndirecteur. Dagelijks kropen honderden mannen in zijn Julia.
Tegenwoordig geef ik lessen Nederlands, ook in de geboortestreek van Kusters: Spekholzerheide. Elke leerling daar kent een opa met stoflongen. Kusters Er lag een kussen op maakt indruk. Literatuurles die naar de keel grijpt. Ik ben Kusters dankbaar.
De poëzie van Kusters is van de streek. Maar ook meer. De beeldspraak die hij ontleent aan de wereld van de kolenmijnen maakt de poëzie van Kusters uniek. Ze gaat over tegenstellingen: licht en donker, hoog en laag, afkomst en streven. Het geologenhamertje, glinsterende kristallen, geheimzinnige fossielen, het ingesloten zijn, het licht weer zien; parallellen met universele thema's liggen voor de hand. Juist dat maakt de poëzie van Kusters zo goed: de kleine grauwe streek van Spekholzerheide en haar markante inwoners, worden van ons allemaal.
In 1959 was ik met mijn vader in de leermijn: een initiatie
die dat niet mocht zijn. We liepen en kropen door schaars
verlichte gangen, de oefenmijn. We waren in de aarde en
waren daar niet. Er is daar en toen een foto gemaakt. Men ziet
ons daarop, gehelmd. Denk niet dat ik het verzin.
Later. Vreemde kamer, vreemde vloer. Plotseling iets als een
helling, maar onzichtbaar. Lopen: vreemd.
De tafel boven een afgrond.
Iemand hoest op en spuwt in de kachel.
Uit: Een bezoek aan de leermijn (1984)
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties