Marleen de Crée (Bree, 1941) studeerde kunstgeschiedenis aan de K.U. Leuven. Ze debuteerde in 1969 met Ofelia speelt met de maan en publiceerde tot op heden meer dan 15 dichtbundels, die onder meer bekroond werden met de Maurice Gilliamsprijs, de August Beernaertprijs en de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen. In 1990 verscheen de verzamelbundel: Over de Brug der Aarzelingen. Poëzie 1969-1989. Sinds 2002 verschenen van haar drie bundels bij uitgeverij P: Bloedspiegel (2002), Vita Vita (2004) en Sibylla (2006). Naast dichteres is Marleen de Crée ook beeldend kunstenaar.
1. Met welk gedicht van uzelf zou U zich aan de lezer willen voorstellen?
Het liefst zou ik me willen voorstellen met een sonnet. Deze dichtvorm beantwoordt aan de twee belangrijkste technische eisen die ik mezelf stel bij het schrijven, namelijk muzikaliteit en vormdiscipline. Mijn oordeel is als je het in het bestek van 14 lijnen niet gezegd krijgt moet je gaan nadenken en knippen. Ook vind ik het een aangenaam idee dat het sonnet als dichtvorm van alle tijden is en me absoluut niet het gevoel geeft een dichtvorm te zijn met een te strak keurslijf maar eerder het bevrijdende van een lied.
Mijn presentatie-sonnet komt uit ‘Brieven aan Plinius’(1984) en is gericht aan mijn eerste uitgever (van uitgeverij Colibrant) en goede vriend J.L. de Belder die destijds afscheid nam van zijn leven.
I
ik zeg je, Plinius, het is september.
de dichters keren in ’t getij.
en vruchten rijpen aan de warme muren,
vergeet dat niet: het zijn de laatste uren
van de zomer. warmte, niets kan nog gebeuren.
het zijn de stille dagen van het jaar,
want alles wordt geduldiger gedragen
in veelvoud van de laatste dracht.
september weet wat dierbaarheid betekent
en liefde tekent schaduwen van was.
ik zeg: voorzichtigheid werd ooit berekend
aan de contouren van een waterglas.
de druiven, Plinius, de laatste schragen
van wat een dichterzomer was.
2. Waarom poëzie?
Omdat poëzie de klank en het woord is van het lichaam. Poëzie gaat, als ze goed is, tot de essentie. Ze is de bloedstroom door de aders van het woord, ze brengt de zuurstof naar het hart van de mededeelbaarheid.
Van hoeveel beschavingen is de geschiedenis niet overgeleverd in rituele- en andere gezangen. Het is het overdenken waard. Poëzie is tegelijkertijd mysterie en verheldering. Er gaan bij het lezen of het zeggen ervan cognitieve poorten open die men zonder de incantatie van het gedicht eventueel zou voorbijgaan.
Poëzie maakt de mens menselijker.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen?........
Alle dichters die mij intrigeren, verbijsteren, verrukken enz. zullen ergens wel een residu in me hebben achtergelaten. Als dichter zitten we wereldwijd in een fantastisch gezelschap.
Als ik zeg: Rilke, Villon, Lorca, Célan, Lucebert, Claus en Pernath, voel ik me ogenblikkelijk schuldig ten opzichte van al de anderen die ik niet vernoem om de opsomming niet te saai te maken. Of ze werkelijk inspiratiebronnen zijn kan ik niet zeggen. Inhoudelijk zeker niet. Zeker zal ik besmet zijn met hun muzikaliteit, maar dat ben ik ook van de gezongen oude verzen die je kan horen bij onder andere de ensembles ‘Le Poème Harmonique’ en ‘L’Arpeggiata’, of bij de soms prachtige wereldmuziek. Als het goed is, is een dichter verondersteld begiftigd te zijn met supergevoelige receptoren. Zo, laat maar komen.
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing van de Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Maurice Gilliams, jarenlang mijn goede vriend, Prins van onze Letteren. Hem wil ik herdenken bij mijn keuze. Gilliams maakt het me ook hierbij niet gemakkelijk. Ik denk ook niet dat dit ooit zijn bedoeling geweest is. Kies ik het onverwoestbare gedicht ‘Winter te Schilde’ of ‘Tristitia ante’ of, of? Neen, ik ga mij beperken tot een gedicht uit ‘Bronnen der slapeloosheid’. Deze bundel is zijn laatste, zijn moeilijkste, zijn meest geciseleerde.
In ‘De Bronnen der slapeloosheid’ lees ik het meest de Gilliams die ik gekend heb, de ouder geworden Elias, niets veranderd maar scherper en schrijnender, ontdaan, kaal, tot op het bot de dingen en het gemis ontledend. Ik aarzel nog tussen de sonnetten IX en III. In beide teksten kan men de auteur weervinden. De man die altijd aarzelde tussen weemoed en luciditeit. Hoe gevoelig zijn teksten ook op de lezer overkomen, men vergisse zich niet, ze zijn scherp uitgesneden. Het zijn gedichten van een diepe en onsentimentele tederheid.
Sonnet IX (‘Hoe zal het zijn als de zwaardvis nadert / in ’t wassend water der barbaarse dromen?’) is mij zeer dierbaar omdat er in een kort bestek afscheid genomen wordt van het dichten en het leven. Gilliams’ houding was er een van fatalistisch verzet, als dat bestaat: ‘tot in het bot verkleumd van zwijgzaamheid’ eindigt hij. Het gedicht van mijn ultieme keuze zal toch sonnet III uit dezelfde bundel worden.
Wolvin en wolf in ’t winters ledikant
als het gehuil des harten krimpt tot fluistren:
uit de angsten ranken namen op in ’t duister
met in hun wijn de bloedsmaak van het lam.
Als in de tijd van de ouders zijn de nachten,
op ’t huis gestapeld drukt het tempelpuin;
en waar een lichtstraal door een schaduw suist
bederft de waan tot schimmel op de wanden.
’t Gedroomde kinderhandje slaapt in ons;
zijn polsje klopt gelijk in nood de borst
der vogels die men treurig vrij moet laten.
Samen, onder de vlag van ’t beddelaken,
als na een veldslag zijn wij opgebaard.
Maria’s hand rust op mijn grauwend haar.
In dit klassiek geworden gedicht schrijft Gilliams in feite zijn biografie. De onrustige, verlangende, bange mens vindt toch ergens een rustpunt: in ’t winters ledikant waar hij de wolvin laat voorgaan. Dit is geen technische stunt van een geroutineerde schrijver. Het bewijs hiervoor staat in de slotzin: ‘Maria’s hand rust op mijn grauwend haar’. Kinderloos, het verleden materiëel uitgewist door de tijd, de gedachten rauw in het hart, slaapt de dichter niet maar denkt na in de beschermende aanwezigheid van Maria. En zo was het ook.
Daarom verkoos ik dit gedicht als mijn mooiste omdat het niettegenstaande zijn vormelijke volmaaktheid mij ook mijn vriend laat zien zoals hij was.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
hallo, moet voor school een gedicht op zoeken op het internet.
maar nou had ik een vraagje... hheft u ook geboorte gedichten???
GR. romy
Geplaatst door: romy | 10-5-07 om 17:23