Over Het tongbotje, de verzamelde gedichten van Benno Barnard, verschenen al enkele jubelrecensies en het is niet mijn bedoeling er hier een aan toe te voegen. Niet dat ik dat niet wil, het tegendeel is waar en poëzie kan wat mij betreft niet genoeg bejubeld worden. Maar ik verklaar mij daartoe onbevoegd.
Wat wil ik dan met dit stukje? Het lijkt me niet helemaal onmogelijk om ook zonder de voor een recensent nodige academische onderlegdheid iets, iets, iets over de gedichten van Benno Barnard te schrijven. Uit louter enthousiasme dus, een gemoedsgesteldheid waarin naar mijn gevoel ook de beste recensies worden geschreven. Hoe zal ik het zeggen? Een treffen van twee creatieve zielen. I have a dream.
Alleen al het feit dat ik Benno Barnard persoonlijk ken en hem zelfs een vriend mag noemen, maakt een heuse recensie onmogelijk, maar belangrijker misschien is zijn invloed op mijn werk. Die is vrij groot, groot genoeg in ieder geval opdat ik er een uit zelftwijfel geboren beschroomdheid bij voel om over zijn gedichten ook maar te schrijven dat ik ze prachtig vind en ze tot de mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur vind behoren. Het is alsof ik daardoor ook in lovende termen over mijn eigen gedichten schrijf en dat kan niet de bedoeling zijn.
Maar ik wil iets rechtzetten. Ik schreef in een posting van anderhalve maand geleden, hier op de Contrabas, dat ik de titel van zijn verzamelde gedichten Het tongbotje maar hum hum vind als titel. Ik citeer mezelf: ‘Ik houd niet van verkleinwoorden, ik houd niet van kelners die zeggen: ‘Op een bedje van geblancheerde prei.’ Op slag geen honger meer ik.’
Het ‘tongbotje’, zo leerde ik later, is geen verkleinwoord, maar zo héét het ding dat van ‘s mensen spreekorgaan overblijft, als we op weg zijn weer gras te worden. Het is net zoveel verkleinwoord als ‘meisje’. Gustibus. Hoe heet het?
Dus neem ik hier ootmoedig de hoed af. Ik had het verkeerd voor. Dom van mij. Ook was mijn oordeel over de titelkwaliteit van Het tongbotje mij ingegeven door een andere titel, een fantoomtitel zo je wil die terug te vinden is in een waarlijk prachtig vers van zijn hand en die het uiteindelijk als titel niet heeft gehaald.
Schrijversmuseum
Letterenhuis, Antwerpen
Wat hebben we hier?
Geen tragische zwaardrest,
sprakeloos makende moeder
met kind, of onbederfelijke
mosselschelpen.
Geheugen natuurlijk wel:
borstbeeld, foto, schoenendoos,
desnoods de schoenen ook.
Maar hoe buitensboeks te bewaren
(gezwegen van obiter dicta,
het overal onder de sterren
beneveld bijeengezekene)
hun gekte, hun liefde, hun best?
Nee, geen Keltische gesp,
zeug van wijlen een vrouw,
hemelvretend concept.
Laat staan mode!
Alles wat we hier hebben
is bijzondere rommel –hooguit
het tongbotje van min of meer
melodieus tegen de tijd
getierd hebbende doden.
Getierd hebbende doden. De prachtigste fantoomtitel die ik ken. En mocht men mij later, veel later, die titel schenken, mocht men over mij zeggen dat ook ik, op de mij geijkte wijze, melodieus tegen de tijd tierde, ik zou beslist niet liggen woelen in mijn praalgraf.
Het is niet eenvoudig om over andermans gedichten te schrijven en helemaal voorbij te gaan aan de gedichten die je zelf wil gaan schrijven. Waarmee ik maar wil zeggen dat dergelijke regels mij enkele dagen zielsgelukkig maken en indien ik ze zelf had bedacht, dan had ik het vast van contentement niet overleefd.
Fantoomtitels. Ook daar begint Benno Barnard eigenlijk een wonderlijke gewoonte van te maken. Zijn monumentale Eeuwrest heette talloze jaren De noodzakelijke dubbelganger.
Ik behoor tot de mensen die het betreuren dat hij zoveel van zijn vroeger werk uit de verzamelbundel Het tongbotje heeft gegooid. Van zijn eerste drie bundels, Klein Rozendaal, Een engel van Rossetti en het door Herman de Coninck in 1986 tot beste bundel van het jaar uitgeroepen Het meer in mij, hield hij slechts een handvol verzen over. Op de persvoorstelling zei hij daarover dat hij gekozen had voor wat hij zelf goed vindt. Bescheidenheid is weliswaar een grote deugd maar mag natuurlijk ook geen Olympische discipline worden.
Verder over de door mij ootmoedig afgenomen hoed; – die had ik al tientallen keren afgenomen tijdens het lezen van zijn gelijktijdig verschenen essayboek Dichters van het avondland, waarbij ik vooral een grandeur voelde, een warme, eerlijke, lichtjes krankzinnige grandeur. Ik ben Benno Barnard erg dankbaar dat hij mij dichters als Nelly Sachs heeft laten ontdekken en regels als:
Een vreemde houdt altijd
zijn vaderland vast
als een wees
voor wie hij misschien niets
dan een graf zoekt
Ik ben hem dankbaar om eindelijk eens een leesbare introductie op de voor mij erg duistere poëzie van Paul Celan en Georg Trakl. Uit dat boek heb ik vooral geleerd dat het niet zinloos is poëzie lief te hebben en dat het dat nooit mag worden. Nu al weet ik dat, als ik de tijd krijg, ik dat boek nog vele jaren zal blijven lezen, net zoals ik zijn vorig essayboek over dichters, Tijdverdrijf voor enkele fijne luiden, uit 1987 alweer, stuk heb gelezen en waardoor ik tot een dieper begrip ben gekomen van wat ik zelf met potlood en papier probeer te doen. Benno Barnard dus, bij wijze van hulde. Lees zijn werk!
Het tongbotje, Benno Barnard, Atlas, 90 450 1283 9, € 34,90
© Koenraad Goudeseune
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties