Jan Hanlo (Bandoeng 1912 – Maastricht 1969) is het kind dat niet wilde opgroeien. Hij is de Peter Pan die verliefd was op zijn moeder, de Heilige Maagd Maria, en jongetjes. Het is knap als iemand zijn waanzin (wie diens biografie leest kan daar niet omheen) omzet in beeldschone poëzie. Velen, al dan niet (deels) psychiatrisch, proberen het, maar slechts enkelen lukt het (denk bijvoorbeeld aan Sylvia Plath). Het resultaat bij Jan Hanlo is een kwetsbare, originele en vooral iele poëzie. Een groot oeuvre schreef deze dichter niet, maar o zo fijn. Het gedicht 'ik noem je etc.' is daar, hoe iel ook, een overdonderend voorbeeld van. Let op de titel zonder hoofdletters (zoals het hele gedicht): een erfenis van de jaren 60/70 (waar de verveelde afkorting 'etc.' onmiskenbaar naar verwijst), maar vooral ook een symbool van die kwetsbaarheid.
ik noem je bloemen etc.
ik noem je: bloemen
ik noem je: merel in de vroegte
ik noem je: mooi
ik noem je: narcissen in de nacht
waaroverheen de wind strijkt
naar mij toe
ik noem je: bloemen in de nacht
Jan Hanlo, Gedichten (1958)
Dit is kinderlijk en geniaal tegelijk. Dit is uniek. Die merel in de vroegte, is de observatie van een verfijnde ziel. Ik stel me voor dat ik ontwaak in een vakantiehuisje aan zee. Veel te vroeg ontwaak ik, door die veel te dunne gordijnen in vakantiehuisjes aan zee. Je hoort een merel zingen. Dit is vakantie, besef je dan: veel te vroeg wakker worden door de invloeden van buiten waarvan je je thuis zo goed afgeschermd hebt. De poëtische ziel is de ziel van de verwondering – Hanlo had er waarschijnlijk geen vakantiehuisje voor nodig. Hij ontwaakte in zijn kleine portierswoning van de Geerlingshof in Valkenburg aan de Geul. En dan die ‘narcissen in de nacht’. Waarom is dat zo mooi? Omdat ze jou, de lezer, de verliefde observeerder, niet nodig hebben. Bloemen, en zeker de narcistische narcis, behouden hun schoonheid ook zonder toeschouwer – licht of duisternis, hun pracht ís. De wind strijkt ze zacht naar je toe, wat jouw verlangen alleen maar groter maakt.
'Mijn vrienden'
Jan Hanlo woonde in het kleine portiershuisje van de Geerlingshof te Valkenburg aan de Geul. Het huisje was één kamer groot – daarin stalde Hanlo zijn motorfiets en stonden een eenpersoonsbed en een tafel met stoel. Een raam van het portiershuisje keek uit op een akker. Als er rabarber op stond, staken de kinderen uit de buurt soms een stengel door het openstaande raampje, Hanlo strooide er dan wat suiker op. Op de dag dat Hanlo verongelukte met zijn motor, had hij zijn kunstgebit niet in: dat stond in een glas water op de vensterbank van zijn huisje (en werd bezit van het Letterkundig Museum).
Volwassen vrienden had Hanlo niet. In het portiershuisje vond men na zijn dood een schriftje dat een aantal lege pagina’s telde en waar op de laatste pagina stond geschreven: 'Mijn vrienden', met een streep eronder. Er stond een aantal namen die waren doorgestreept of van een vraagteken voorzien; het merendeel van die pagina was leeg.
Veelzeggend is ook de volgende anekdote. Ser Prop (tegenwoordig uitgever van bibliofiele dichtbundels) had als student aan de opleiding tot basisschooldocent te Maastricht literatuurles van Harry M.G. Prick (later conservator van het Letterkundig Museum en biograaf van Lodewijk van Deyssel). Prick vertelde, op vermaarde wijze, over Hanlo en diens poëzie. Ser Prop, onder de indruk van het verhaal van Prick, besloot Hanlo een briefje te schrijven. Daags na het versturen ervan ging de deurbel bij huize Prop. De moeder van Ser Prop opende de deur en zag een kleine man met een rood baardje staan. Hij had een lederen jas aan en een helmpje op. Tussen zijn hoofd en het helmpje had hij stukjes krant gestopt tegen de kou. 'Is Ser Prop thuis', vroeg de man, 'hij is een vriend van me.'
Zo meen ik dat ook jij bent
Zo meen ik dat ook jij bent, is de titel van de biografie (1998) van Jan Hanlo geschreven door Hans Renders. De titel is afkomstig van een gelijknamig gedicht, een van de mooiste die Jan Hanlo geschreven heeft. Het is het gedicht van een observeerder, die wel verlangt naar contact, maar niet verder komt dan menen wie die ander is.
Dit is andere koek dan zijn naïeve gedichten 'Tsjielp' en het beroemde 'Oote oote boe' (dat een Tweede Kamervraag voor de minister opriep). Maar het kinderlijke van Jan 'Peter Pan’ Hanlo blijft gelukkig ook in 'Zo meen ik dat ook jij bent behouden'.
Zo meen ik dat ook jij bent
zoals de koelte ’s nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent
als melk
als leem
en ’t bleke rood van vaal gesteent
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten voor het oud is
zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent
Jan Hanlo, Gedichten (1958)
Als je bandopnamen van gesprekken met Jan hanlo beluistert, valt je zijn zoekende manier van praten op. In het gedicht hierboven 'herinneren' met name de laatste vier regels daar sterk aan. Steeds dat nevenschikkende voegwoord ‘en’ om zijn uitdrukken in taal te preciseren maar ook te verruimen. Het is Hanlo’s broze ziel die schuivend onderzoekt.
In 1997 verzetten buurtbewoners zich tegen het voornemen van de gemeente Valkenburg aan de Geul om een hof naar Jan Hanlo te vernoemen. Omdat Jan Hanlo pedofiele neigingen had. Die neigingen waren er – in mijn naïviteit geloof ik dat Hanlo het bij kijken liet. De Jan Hanlohof is er nooit gekomen. En toch kwam het er: de dichter Wiel Kusters (1947) gaf naar aanleiding van deze onderbuikdaad tegen de poëzie in 2002 een publicatie uit, getiteld: Jan Hanlohof.
© Sander Bisscheroux (zie ook zijn weblog)

Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Geachte M>
In uw verhaal schrijft u, dat Jan Hanlo geen volwassen vrienden had.
Nu hangt het er maar van af, wat u onder vrienden verstaat.
Als het om een sexuele relatie gaat hebt u gelijk, als het om gewone vriendschap gaat, is het de vraag of dat klopt.
In ieder geval heb ik zijn buurman ,GRad Schoren, die in die tijd huismeester was op Geerlingshof
Vaker horen vertellen, dat hij vele avonden zeer intensief mat Jan Hanlo over veele zaken gesproken had.
Ook had Jan Hanlo intensief kontakt met de kinderen van GRad.
Over een daarvan, Josje heeft Jan Nog een gedicht gemaakt.
Alhoewel dat soms aanleiding gaf tot discussie wisten ze heel goed een oplossing te vinden voor Jans grote liefde voor kleine jongens.
Grad Schoren leeft nog en woont in Valkenburg.
Hij is altijd enthousiast om over Jan Hanlo te praten.Ik denk toch, dat Grad Jan wel als vriend beschouwt.
U kunt het navragen.
Bij deze,
Jan Verhaegh
Geplaatst door: Jan Verhaegh | 13-9-06 om 8:53