F. Starik (1958) debuteerde eind jaren tachtig met de bundel Nepvuur, maakte deel uit van de Maximalen, was jarenlang voornamelijk actief als beeldend kunstenaar, waaraan zijn tot dusver enige roman Mijn leven als Museum (1993) herinnert, die twee jaar later werd uitgebreid met Nieuwe Vleugel, na een zwijgzame periode gevolgd door de bundels Simpele Ziel (2002) en De grote vakantie, beide bundels met cd, in 2004 gecompleteerd door de gelijktijdig verschenen bundels Rode Vlam en De verdwijnkunstenaar en het vorig jaar gepubliceerde De eenzame uitvaart waarvan binnenkort de tweede druk in mid-price editie verschijnt. F. Starik is te volgen op zijn site www.starik.nl met onder andere een regelmatig bijgehouden agenda en weblog.
(1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Ik zou mij graag aan u willen voorstellen middels het titelgedicht van mijn volgende bundel, die in april 2007 uitkomt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. De titel ontleende ik aan een goedkope Zuid-Afrikaanse supermarktwijn, die lang niet smerig smaakt. Wie het woord leest, is geneigd althans het eerste deel van het woord als song te zien, dan krijg je zoiets als een luid gezongen lied. Dit is dan ook een van de eerste gedichten uit de nieuwe bundel die daadwerkelijk op muziek is gezet: een gruizige, haperende wals. De eerste tien lezers die zich per e-mail na lezing van dit mini-interview bij mij aanmelden, krijgen het gedicht vermomd als lied gezamenlijk per e-mail opgestuurd in WMA-formaat. Dat heeft voor de geïnteresseerde lezers tot voordeel dat men van tien anderen het e-mailadres bemachtigt en zo een aardig inzicht krijgt of, en zo ja door wie, deze rubriek daadwerkelijk gelezen wordt. Mijn e-mailadres is eenvoudig te googlen: op mijn site vindt u overal van die leuk vormgegeven apenstaartjes waarop de lezers kunnen drukken.
Songloed
Noem ons deelgenoot. In feite
delen we niets, roepen hallo en goed
en maken ons weer haastig kwijt
en uit de voeten.
Zie dit niet als spel, we moeten wel.
Glanzend gepoetst staan we in de schaduw
aan de rand van de kuil, met bladeren bedekt
en smalle takken: zo houden we ons schuil.
Wij, zeg ik, maar ik bedoel meer jullie.
Niet ik, in mijn dunne schil, ik wil
altijd in het licht verblijven.
Ik zoek de zonzij van de straat.
Een lach die schalt. Een harde droge hoest.
De weg die afloopt naar een ijzeren afvoerput.
(2) Waarom poëzie?
Dat gaat vanzelf. Vanaf mijn ontwaken, zeg maar een moment in mijn tiende levensjaar, dat er – zoals in mijn ouderlijk huis gewoonte was – op zondagmiddag werd geborreld, klassieke muziek werd gedraaid, ik aan tafel zat en geen tekening maakte maar een verhaal schreef, geheel gemodelleerd naar het script van de compositie: ik meen dat het om het tweede pianoconcert van Beethoven ging. Er kwam een held in voor, die een hoge berg moest beklimmen, de top bereikte, in vertwijfeling achterbleef, wellicht zelfs naar beneden stortte, voordat hij helemaal boven was. Niet veel later volgde de schokkende, puberale ontdekking dat het ‘ik’ niet noodzakelijk met de wereld samenvalt: sindsdien heb ik geprobeerd die twee uitersten te verzoenen, de scheppende harmonie te bereiken, die mij die zondagmiddag voor het eerst deelachtig werd. Het is alles ontroering en overgave.
The medium is altijd ondergeschikt aan the message. Ik ben vrij uitgebreid opgeleid als beeldend kunstenaar. Ik heb jarenlang ook helemaal niets gedaan. Ik heb uitbundig liefgehad. Ik heb jarenlang voornamelijk muziek gemaakt. Er waren altijd momenten dat ik gedichten moest schrijven. Het leven is een zoektocht, en ik wil verslag doen, leren, delen.
Ik heb altijd uit mezelf en van mezelf willen leven, de romantische notie van de artiest. Ik beschouw het als een groot voorrecht en geluk dat het me gegeven is, mijn leven naar mijn eigen ideaalbeeld te modelleren. De laatste jaren ben ik eigenlijk alleen nog maar dichter, met alles wat daar omheen hangt. Dat is niet zozeer het gevolg van een wilsbeschikking, ik constateer dat achteraf, met een lichte verbazing. Goh, ik doe bijna niks anders meer. De eenzame uitvaarten kosten veel tijd. Dit jaar treed ik op zo’n tachtig keer op. Ik ben een kind van het geluk.
Ik ben natuurlijk ook gewoon een kleine zelfstandige, ik ben een bedrijf dat het product Starik uitbaat: je kunt mij huren voor liedjes, beelden in de openbare ruimte, gelegenheidsgedichten, een mooie brommertocht, ik kan voor u dansen op een graf, aan het eind van de week werk ik u literair af op het Lowlands Festival, gevolgd door de Uitmarkt, de week erna zeg ik ’s nachts geile gedichten in een geïmproviseerde nachtclub in theater Bellevue tijdens het theaterfestival in Amsterdam, en dan moet het seizoen nog beginnen.
Het is onmogelijk liefde (een kunstwerk, een gedicht, noem het inspiratie) te gewinnen door zich op een bepaalde manier te gedragen. Liefde komt vanzelf, we moeten er maar op wachten, als het er niet is, en als zij komt, moeten wij haar genadiglijk en vreugdevol ontvangen. De kunst is nu, leren afscheid af te nemen. Maar wat ons werkelijk waardig is, zal altijd bij ons blijven. Ik heb een zoon, die ik beter ken dan ik ooit een ander mens zal kennen. Ik zal hem nooit volledig begrijpen. Dus. Waarom poëzie?
(3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Ik heb mijn poëzie altijd voorafgaand aan publicatie aan andere dichters laten lezen, met hen bediscussieerd, dat heeft invloed, meer dan wat ik zomaar lees. (Sinds ik de eenzame uitvaart beheer, streef ik er wel naar de volledige jaarproductie van de Nederlandse contemporaine poëzie bij te houden.) In het bijzonder heb ik op een gegeven moment in mijn ontwikkeling een beslissende briefwisseling met Koos Dalstra gevoerd. ‘Ge zijt zeer snugger in het observeren van anderen, maar niet in het observeren van uzelve als karakter in uw eigen drama. Weest niet meer op zoek naar een vader, maar zijt een vader.’ Paul van der Steen, ik mag zijn naam graag genoemd zien, ofschoon hij al lang dood is (mijn allerlaatste lezer, eenmaal zover gekomen, die mij een e-mail stuurt met de vermelding Van der Steen, kan, jawel, per post een exemplaar van zijn enig gepubliceerde bundel tegemoet zien.) En laat ik hier ook Ingmar Heytze noemen, die in laatste instantie gelijk heeft met zijn observatie poëzie = entertainment. Een ziekte, die je met een handvol hopeloze idioten deelt, zoals Menno Wigman schrijft. We zijn maar clowns, malle figuren met een dopneusje op. Hanz Mirck heeft mijn laatste bundel nauwgezet gelezen en becommentarieerd. Ik wil u ten slotte voorstellen aan Vrouwkje Tuinman, mijn strengste lezeres, van wie ik eigenlijk het gedicht 'Buxus' in deze online bloemlezing had willen opnemen, uit haar aanstonds te verschijnen bundel Receptie, maar dat had u, mijn lieve laatste lezer, in de veronderstelling dat wij elkaars geliefden zijn, waarschijnlijk klef gevonden. En dan had u misschien ook wel een klein beetje gelijk gehad.
(4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Een titelloos gedicht van Paul van der Steen (Haarlem 1950- Amsterdam 1991) postuum verschenen in de bundel Van gelijke duisternis (In de Knipscheer, 1996)
veel ben ik niet geworden
een handkus in de morgen
op een versnipperd theeblad
terwijl ik dat bijna nooit drink
hoeveel jaren nog moet ik dit
zien hoeveel stappen ver weg?
als ik leun tegen een slagboom
dan weet ik het: daar is het!
maar ik ben niet veel geworden
en ook daar zal ik niets
dan tot mijn lichaam behoren
dat al zo ver weg klinkt
© Interview: Arnoud van Adrichem
© Foto: Henrik Barends 2005
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Er is niks klefs aan hoor, als je een gedicht van je geliefde opneemt, die tenslotte ook dichter(es)is, gewoon omdat je het goed vindt. Maar wat een prachtig en diep tragisch gedicht van Van der Steen, die niet oud is geworden.
Geplaatst door: F. Papenhove | 19-8-06 om 9:48
Een briefwisseling, met Dalstra? Heeft hij die brieven dan ingesproken? Want schrijven kan hij, als bekend, niet.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 19-8-06 om 15:13
Een briefwisseling met Dalstra, jazeker.
In dien tijd was het nog te doen gebruikelijk zich op wat omsl8tige & volstrekt eigen wijze uit te drukken, edoch, de levenservaring, de hartstocht & het originele gedachtengoed van deze oudere broeder hebben veel voor mij betekend.
Dalstra kan wèl schrijven: in de jaren tachtig, jawel, produceerde hij twee geniale(!) edoch sterk hermetische bundels, CHAUVE & FROIT, in een zelfverzonnen mix van levende talen, van een vrijmoedige expirementeerlust, die men heden ten dage nog slechts zelden aantreft.
Geplaatst door: f. starik | 20-8-06 om 16:02
Kijk, die dichtbundels, daar ben ik dan weer m8ig benieuwd naar...
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 20-8-06 om 22:57