Hans Groenewegen (1956) publiceerde de dichtbundels grondzee (De Slibreeks), lichaamswater, en gingen uit sterven (beide Wereldbibliotheek). Hij essayeert over poëzie voor diverse tijdschriften; bij uitgeverij Vantilt verschenen de essaybundels Schuimen langs de vloedlijn en Overvloed. Hij componeerde de bloemlezing Vrede is eten met muziek. Sporen van oorlog in de Nederlandstalige poëzie (Van Gennep) Hij redigeerde voor de onvolprezen de poëzie & poëtica reeks van de Historische Uitgeverij essaybundels over het werk van Hans Faverey, Lucebert en Kees Ouwens. Op zijn webiste www.hansgroenewegen.nl staat een vierde dichtbundel: het schone geheim, een labyrint. Ook houdt hij daar sinds 1 augustus 2006 onder de titel dagtekst een dagboek bij van onbecommentarieerde citaten uit zijn dagelijkse lectuur – met andere woorden: een proefondervindelijk zelfportret als lezer.
(1) Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
kleine apologie van het schrift
alles was noch geschieht,
wird schlimmer sein, als was war
zoals het ging en gaan zal, gaat het – dat het zo gaat
is onverdraaglijk, schrijf ik over van een meermaals
overgeschreven tekst die ooit, voor hij voor het eerst
werd overgeschreven, was opgetekend uit een vreemde
mond of uit een mij onbekende eigen mond, zoals
dat bij jezelf ook wel eens gaat, je hoort een stem
iets zeggen wat een vonk door je synapsen blaast
zo dat je het ondoordringbare kort doorziet in licht
dat je herkent en het is je eigen stem die iets vertelt
wat je ergens op zou moeten schrijven
wat niet vergaat en wat je terug kon vinden als
wat gezegd was dat zou zijn wat je dan net zocht
het luchtschrift van je ademnood, het handschrift
van een blindganger, een vlugschrift, uitvlucht, inzicht
in het ondoordringbare dat aanhoudend opdringt
kijk ik van het onontwarbaar kluwen duister buiten
in het ogeslagen boek, slaat het licht dat me daarin
opgaat door de ruiten en door het stervormig gat
vlaagt kou naar binnen over het hele onvoorbereide lichaam
aan de hand die wat de ogen daarin zien
als citaat noteert: dat het zo gaat is onverdraaglijk.
zo was het, zo is het en zo zal het zijn
(uit en gingen uit sterven, Amsterdam 2005)
(2) Waarom poëzie?
Het verhaal gaat dat de jonge Karel van de Woestijne bloedspuwde. De diagnose luidde 'maagzweren'. Van de Woestijnes broer Gustave van de Woestyne, zelf een groot schilder, telegrafeerde professor Gustaaf Verriest ("broer van Hugo Verriest, die G. Gezelles hersenen heeft gewogen", voegt Gustave van de Woestyne in een noot toe) met de bede naar zijn broer in Latem te komen kijken. Bij het ziekbed aangekomen, ingelicht over de ziekte, voelt Verriest de pols van de zieke en zegt: "Ik zal de dichter Karel van de Woestijne genezen, en 't zal bovendien niet lang duren." Hij kijkt in de boekenkast en pakt er de Ilias uit en gaat aan het ziekbed zitten lezen, hardop. "Ik verstond er niets van", schrijft Gustave, "want het was Grieks. Ik zag aan de ogen van Karel dat hij, integendeel, veel genoot. Zo heeft Prof. Dr. Gustaaf Verriest tot vijf uur zitten lezen, tot wanneer hij op zijn uurwerk keek, en zag dat het tijd was om weg te gaan. Hij nam nog eens de pols vast en zweeg. Hij heeft met Karel over niets anders gesproken (...) en is vertrokken. Onderweg heeft hij mij gezegd: 'De koortsen zijn gevallen'. Ik vroeg: 'Is hij gered?' En met een schone lach rondom de lippen, antwoordde hij: 'God dank, ja. De dichter is gered (...)'".
De veel oudere Heiner Müller legt in een interview, na een ingrijpende operatie aan zijn keel, het verband tussen zijn slokdarmkanker en de jaren na 1989 dat hij nauwelijks kon schrijven, vanwege de bestuurlijke verplichtingen die hij op zich had genomen om nog iets van de complexiteit van de geschiedenis te redden uit de overwinningsroes van hen die claimden dat nu het einde van de geschiedenis was gekomen. Ergens in de jaren vijftig schreef de middelbare Lucebert tijdens een creatieve (=(esth)et(h)ische) crisis een strofe waarin hij zijn gedicht laat zeggen: "ik ben de stem die geen stem geeft / aan wat al reeds stem heeft / maar die op een pijnlijk zwijgen / het wonderbeeld van een woord legt / en als het dan van alle angst genezen is / weet wat ik met dit alles heb gezegd / het gedicht is een amulet".
Poëzie is verweerschrift, dat de complexiteit redt; ze is eenvoudige ontsnappingsroutes uit de versimpeling. Poëzie is het mondkapje dat de zuurstof filtert uit het fijnstof van de dagelijkse feiten. Poëzie tast door de dikke lagen taalgruis, dat dagelijks wordt uitgestort, over werkelijkheid daaronder.
(3) Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
De volgende zes enkelingen staan voor alle andere dichters die om herlezing vragen vanwege de onvoorwaardelijkheid waarmee ze de zintuigelijke en sociale voorwaarden van hun existentie bevragen, de individuele ademtocht waarop zij klank organiseren, de uitzonderlijke wijze waarop ieder van hen woorden en beelden ordent en zich erdoor laat ordenen, de kennis van en nieuwsgierigheid naar eindeloze eigenaardigheden van het medium, de bijzondere manier waarop ze elk zich met hun voorgangers verstaan.
Erich Arendt herlees ik om de manier waarop hij zichtbaar maakt dat het (natuur)landschap onderdeel is van de geschiedenis – als deelnemer, als toneel en als drager van de ingegrifte sporen; Heiner Müller om de wijze waarop hij de doden in zijn werk laat opstaan en om zijn engagement los van optimisme of pessimisme; Hans-Eckardt Wenzel om de vonken van eenvoud en de dwingende hartstocht. Lucebert herlees ik om zijn onvermoeibare streven wat donker in hem opkomt helder te benoemen; Hans Faverey om zijn transparantie; hen beiden beluister ik om hun voordracht, waarvan de muzikaliteit is ontstaan uit een volledig begrip van de grammaticale-, klanktechnische- en betekenisstructuren van hun gedichten én van de verhouding daarvan tot het gewone dagelijkse taalverstaan van degenen die naar hun voordracht luisteren; Ouwens herlees ik omdat hij ooit, als spel, één vinger aan de muze gaf, en zich daarna in ernst maar niet zonder humor en zelfspot, deel voor deel weigerend aan haar heeft overgegeven; van Ouwens de gevangenschap, van Lucebert de (niet ongevormde) ongebondenheid, van Faverey het openende, van Gerlach de taaite van haar strohalmen, van X Y ...
(4) Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Dansmuziek
Ik maak het verschil weg tussen stukken met en zonder opwinding.
Voordat je muziek verandert kan je beter leren vechten
omdat je je op straat moet verdedigen, alleen tegen velen
die merken dat je hun dansmuziek hebt veranderd, in het donker
tussen twee kapotte straatlantaarns.
Ik maak het verschil weg tussen voor en na bedreiging.
Ik maak voetstappen in het donker in een straat die langer wordt.
Je kan beter je vingers leren beschermen in een ijzeren handschoen
als een lange handschoen van een vrouw die zich geleerd heeft zich
op muziek uit te kleden.
Zij horen herhalingen en pas dagen later merken zij dat het geen zijn,
geen herhalingen,
en zij rennen gillend de straat op om mij te zoeken
en zij rennen gillend de straat op om mij te zoeken
als zij merken dat ik afscheidsmuziek gemaakt heb waarop zij niet
goed kunnen dansen. Dag, nacht!
(Nachoem M. Wijnberg uit Langzaam en zacht opgenomen in Uit 7)
© Interview: Arnoud van Adrichem
© Foto: Hans Groenewegen
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties