Omdat in het stuk van René Huigen en de reacties eronder het gegeven macht expliciet aan bod kwam, en omdat er in het stuk van Ton van ’t Hof nog eens melding is van een klacht over een zogezegd tekort aan denken op het internet, hierbij hopelijk twee vliegen in één klap: een stukje over macht en poëzie vertrekkend vanuit het denken van een filosofe. Eerst een relativering in verband met het denken van filosofen. Zoals met alle gedachtegoed dient men hier op zijn hoede en kritisch te blijven. Het is ook niet omdat het gedachtegoed van een filosoof ergens bijgehaald wordt dat iets beter of noodzakelijkerwijze interessanter wordt (en dit geldt uiteraard ook voor de poëzie). In dat verband meld ik wat ik onlangs las over een stukje van het gedachtegoed van Deleuze en Guattari dat door het Israëlische leger aangewend wordt om het leger een air van geleerdheid te geven en tegenstrevers te imponeren (1). Filosofen hebben het net als u en ik lastig met de dingen, omdat die nu eenmaal complex zijn. Het is daarbij zeker geen goed idee om filosofen te bewieroken omdat ze vrienden van de wijsheid zouden zijn. Met dit alles in gedachten, steken we alsnog van wal.
In 'Over geweld' van Hannah Arendt worden de woorden macht, sterkte, kracht, autoriteit en geweld nauwkeurig tegenover elkaar afgewogen. Zo nauwkeurig wordt er in dat werk met woorden omgesprongen, dat dichters er een gedeelde woordgevoeligheid in kunnen smaken. Ook Arendt schreef overigens een tijdje poëzie, maar haar talent lag vooral in het denken over politiek. Ze schreef onder andere werken over totalitarisme en over revolutie. Macht ziet ze als iets dat een groep heeft die eensgezind wil handelen: ‘Macht komt overeen met het menselijke vermogen niet slechts te handelen, maar in eensgezindheid te handelen. Macht is nooit de eigenschap van een individu; het behoort aan een groep, en blijft slechts bestaan zolang de groep bij elkaar blijft.’(2) Meermaals wordt macht buiten dat boek gezien als haast synoniem voor geweld, en dus geheel negatief, maar volgens Arendt treedt geweld net vaak op waar macht ontbreekt. Geweld onderscheidt zich duidelijk van macht door het instrumentele karakter ervan (wapens, van metaal, (of ook taal, denkt een dichter dan)), en kan perfect door één individu uitgeoefend worden. Uiteraard is de combinatie van macht en geweld legio, vooral op het politieke vlak. Arendt wijdt erg interessante bladzijden aan deze combinatie, en aan de verhouding tussen macht en geweld, met voorbeelden uit de 20ste eeuw, en met bijvoorbeeld een herkenbare constatering dat geweld in het politieke veld vaak in onmacht eindigt.
Wat de noodzaak van macht betreft, zou ze op dit moment in de politieke actualiteit wellicht wijzen op de hopelijk nog reële macht van de VN om het geweld in Libanon blijvend te weren. Of, in onze eigen contreien, op de vermeende machteloosheid van de politieke meerderheid tegenover de opkomst van extreem-rechts. In Arendts visie zou de meerderheid hier haar macht moeten laten gelden en politiek weerwerk bieden in plaats van programmapunten van extreem-rechts te incorporeren en zo de macht ervan te vergroten, of in plaats van slapjes over extreem-rechts te weeklagen. In dat opzicht is het door Arne Schoenvuur op dit log al eerder aangehaalde initiatief van muzikanten in België om bij de komende gemeenteraadsverkiezingen een concert voor de verdraagzaamheid te organiseren een lovenswaardig voorbeeld van het gebruik van hun macht bij hun publiek. Dat extreem-rechts onlangs nog bij een samenkomst deze geplande concerten veroordeeld heeft, geeft een goed beeld van het geslaagde opzet van de muzikanten, en van de bedenkelijke intenties van de partij.
Het woord macht krijgt bij Arendt dus een veel minder negatieve klank dan dat het in ons dagelijks taalgebruik heeft. Nu eens toepassen buiten het strikte veld van de politiek, en laten we eerst eens op onszelf proberen. Met zijn vrij groot lezersaantal heeft dit weblog dus Arendtsiaanse macht als we het tenminste eens zijn en blijven dat we met zijn allen over de poëzie willen lezen en schrijven. Een beetje 'macht', maar dus ook verantwoordelijkheid. We zijn het aan onszelf en de poëzie verplicht hier met respect voor de lezer en medeschrijver over de poëzie te schrijven, omdat we anders ons doel, over de poëzie nadenken en schrijven, voorbij schieten door taal die het risico loopt geïnterpreteerd te worden als kwetsend of in het ergste geval als destructief. Op zo’n moment verliest een weblog aan verantwoordelijkheid en in Arendts visie ook aan 'macht'. Het is ook dat wat iemand als Hans Groenewegen aanvankelijk en wellicht nog altijd stoorde aan webloggen: er werd / wordt wel eens met woorden over en weer geschoten, of er werd / wordt wel eens caféetje gespeeld (dat laatste is geen bezwaar als het niet de hoofdmoot uitmaakt, vind ik: elk medium heeft zijn bijzonderheden). Veelgelezen webloggen zouden, om het met gezond verstand te zeggen en het ook eens van een Arendtsiaanse kant te bekijken, voorzichtig met hun ‘macht’ moeten omspringen, iets wat uiteraard ook voor kranten en tijdschriften opgaat.
Nonchalant omgaan met macht en het aanwenden van geweld is een euvel dat ook overdreven cynisme karakteriseert. Cynisme is een vorm van geweld, en zoals Vande Veire schrijft in zijn verhelderend essay over het fascisme (3), vanuit psycho-analytisch oogpunt is cynisme zelfs een vorm van sadisme, omdat de met cynisme bejegende lezer of toehoorder beroofd wordt van het genot van zelf een oordeel te vormen, of zelf terdege kennis te nemen van het behandelde onderwerp. Cynisme is een wapen van taal.
Macht van welke aard ook dient gelegitimeerd te zijn volgens Arendt, en daar kan het schoentje lelijk wringen. Hoe zit het in dat verband met de veelbesproken macht van literatuurwetenschappers ten opzichte van de dichterswereld? De legitimiteit van de macht van de literatuurwetenschapper ligt in zijn beschrijvende taak binnen de discipline literatuurwetenschap die hem in een kader van verplichtingen, verantwoordelijkheden en afspraken opgedragen werd door de academische overheid ten behoeve van studenten, het onderzoek en de gemeenschap. Het proces van canonisering van de literatuur ligt daarmee echter niet uitsluitend in zijn handen; er zijn nog andere poortwachters in het fameuze bourdieuse veld. Ik denk aan literaire tijdschriften, podiums, uitgevers, critici, collega-dichters, en eens de poort voorbij, ook de lezers of het publiek van podia. Er zijn uiteraard ook dichters of kunstenaars die in hun bestaan een rol gespeeld hebben voor hun publiek en hun collega's, en die niet in de canon geraakt zijn. De bourdieuse interpretatie van de dichterswereld (focussen op de canon, en hoe dichters daar geraken) is beklemmend. Het is wel erg cynisch te stellen dat dichters die hun mening geven (zoals u en ik hier op dit log bijvoorbeeld) dichter naar het centrum willen schuiven. Alsof een dichter begint te dichten of dicht om territorium te veroveren. Alsof alles wat hij over de poëzie zegt, rechtvaardiging is van het eigen werk, in plaats van een poging om mee te denken over de poëzie die hem als kunst lief is. De strategie van het ontmaskeren die typisch is voor deze gedachtegang is er een van cynisme, en kan her en der zijn nut bewijzen en zelfs nodig zijn, maar op lange termijn is het er ook een die belastend is voor de ervaring. Hannah Arendt zou zeggen: een strategie die belastend is voor het handelen. En, zo kunnen dichters eraan toevoegen, belastend voor de poëzie in de ruimste zin van het woord.
René Huigen pleit in zijn stuk voor meer dialoog tussen dichters en literatuurwetenschappers. Dat is een mogelijkheid en daar zijn vast nog argumenten voor aan te halen. Persoonlijk zie ik in verband met dichters en literatuurwetenschappers die zelf geen dichter zijn meer heil in een belangstellende maar kritische afstand van wederzijds respect (dat laatste vindt Huigen zelf ook belangrijk). Ik zie zeker geen voordeel in een verdoemend verweer tegen elke interpretatie die deze mensen over het werk of over de activiteiten van dichters schrijven. Het komt me voor dat we dan lijden aan een waan in verband met het al of niet aanwezige reservoir van macht (of laat ik het in deze context minder cynisch verantwoordelijkheid noemen): de waan dat de literatuurwetenschapper de macht / de verantwoordelijkheid heeft om de dichterswereld een welbepaalde kant op te sturen. Tenzij dichters hun 'verantwoordelijkheid' laten vallen en het gat vullen met klachten over hen die de 'macht' volgens hen dan wel hebben, lijkt me die waan echt wel een waan. Tenzij dichters beginnen te verwachten dat literatuurwetenschappers de poëzie gaan sturen, lijkt het me niet meer dan een waan. En wat is macht in zo’n klein groepje? En gaat het alleen om de macht om de poëzie te beschermen tegen de interpretatie van zij die observeren? De poëzie beschermt zichzelf wel, als ze met haar werkzaamheden en op haar manier met de wereld bezig is, en niet enkel angstvallig en bekijvend elke regel die over haar en haar dichters geschreven wordt herkauwt: dat werkt immers verlammend.
De legitimiteit van de (beperkte) macht van de literatuurwetenschappers ligt verankerd in het academische instituut, en dat instituut is, hoe imponerend het soms moge overkomen, niet de dichterswereld en al helemaal niet het lijf van de poëzie. Voor dichters die tegelijkertijd ook in dat instituut werken zal dat, zo denk ik hier met enige stelligheid, nog het duidelijkst zijn: dichten en academisch werk verrichten hebben niets met elkaar te maken.
Dit gezegd zijnde heb ik respect voor het werk van de literatuurwetenschap en vind ik het knap dat de literatuurwetenschap niet meer uitsluitend de literatuur van net na WOII beschrijft, maar een poging doet om het eigentijdse ook in kaart te brengen. Vaessens’ beschrijving van de huidige dichterswereld, met de verdiensten en tekortkomingen van die beschrijving, bepaalt de dichterswereld niet, en al helemaal de poëzie niet. Dichters die dat vrezen of menen, verwarren mijns inziens beschrijving en (eventueel foute of gebrekkige) interpretatie van bestaande gegevenheden met pertinent onbestaande plannen van zogezegd machtswellustige literatuurwetenschappers terwijl de 'macht' (en de 'verantwoordelijkheid') bij de vele dichters zelf ligt, en dus eigenlijk bij de poëzie. Over uitgevers en andere poortwachters hebben we het hier nu niet gehad.
Ondertussen heeft u misschien uw oren wel vol van dat woord macht, en dan nog wel in verband met de poëzie. Ik ben hier vertrokken vanuit de visie van de politieke denker die Arendt is (4). Voor haar is het menselijke handelen het allerbelangrijkst. Om als denkoefening deze visie toe te kunnen passen op de poëzie ga ik uit van de premisse dat de poëzie handelen is of kan zijn. Deze premisse kan uiteraard in vraag gesteld worden.* Zelf ben ik niet geneigd dat te doen. De poëzie is zeker handelen in verband met de taal, en de taal is een wezensbelangrijk gegeven van de mens; dat lijkt me al een hele taak. Soms wordt de taal losgemaakt van het wezenlijke van de mens (zoals dat in extreme mate het geval was in het nazisme en stalinisme) en is het de taak van de dichter om de taal aan de mens terug te geven en ze te helpen opnieuw menswaardig te zijn. Ook in minder extreme omstandigheden bekijken dichters en schrijvers het gebruik van de taal kritisch en creatief, en waar het kan innoverend. Of de poëzie in ons taalgebied ook politieke draagkracht heeft, en of ze dat wel moet hebben rechtstreeks met de vingers in de politieke pap, is weer een andere vraag.
(1) 'Deleuze inspiratiebron Israëlisch leger', Leon Heuts in Filosofie Magazine, nr 7, 2006.
(2) 'Over geweld', Hannah Arendt, Atlas, 2005, p. 67.
(3) 'Neem en eet. Dit is je lichaam. Fascinatie en intimidatie in de hedendaagse cultuur'. Frank Vande Veire, Sun, 2006.
(4) Voor een kritische kijk op het werk van Hannah Arendt:
- 'Het ketterse begin. Arendt over de filosofie van het actieve leven', Dirk De Schutter, Damon Budel, 2005
- 'De ontdekking van de wereld. Over Hannah Arendt', Peter Venmans, Atlas, 2005.
* toevoeging op 6/09 na verdere lectuur van Arendt: zij plaatst de kunst niet bij het handelen in haar onderverdeling tussen arbeiden, werken en handelen, maar geeft haar een bijzondere plaats bij het werken. Daarmee gaat ze voor de kunst naar een autonome visie, dan wel naar een visie waarbij de kunst op een haast politieke manier bij de maatschappij betrokken is. Of ze wat ik hierboven onder handelen ivm de poëzie (handelen in de taal) schreef ook werkelijk handelen zou noemen of eerder werken, is me op dit moment nog niet duidelijk. Daarvoor zal ik naast het essay over arbeiden, werken en handelen dat ik nu las haar 'Vita activa' moeten lezen.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Peter en zijn macht: Dit is een zeer slechte vertoning.
Geplaatst door: Peter de Groot | 26-8-06 om 22:08
Gerard Walschap in een brief over het verschil tussen een literair en een wetenschappelijk of academisch werk : " Een goed kunstwerk maken is moeilijker dan een goed wetenschappelijk werk leveren (...), maar het talent ertoe is zo weinig zeldzaam en zo volledig aangeboren dat men geen reden heeft om er mee te pralen (...)."
Geplaatst door: sacha blé | 27-8-06 om 12:06
Beste Herlinda Vekemans – dank voor uw uitvoerige analyse over macht. Ik heb die met interesse gelezen. Macht is beslist meer uw specialisme dan het mijne en dienaangaande heeft u veel meer in mijn woorden gelezen dan ik ermee bedoeld kan hebben. Ik heb over macht slechts terloops iets vastgesteld, overigens, zonder mijzelf daarin te laten kennen, dacht ik zo. Als ik schrijf dat alle rechtvaardiging zelfrechtvaardiging is, dan bedoel ik dat wij redeneren zoals het ons ‘uitkomt’. Niet omdat wij opportunistisch zijn, maar omdat wij niet anders kunnen. Het komt uit ons. Dat is waarom discussiëren zonder stellingen te betrekken zo waarachtig moeilijk is. Men moet, ieder vertrekkende vanuit een ander standpunt, gemeenschappelijke gronden zien te vinden zonder daarbij de grondslagen van eigen overtuigingen te verliezen. Waar vinden we zulke gronden? In de filosofie en de literatuur, jawel. Ik zal om mijn steentje bij te dragen aan de verbetering van de algehele dialoog Hannah Arendt daarom zeker gaan lezen. Mag ik wel nog enige kanttekeningen plaatsen bij uw opmerkingen over de door u genoemde ontmaskeringstrategieën, die volgens Hannah Arendt evenzeer kenmerkend voor het cynische denken als belastend voor het handelen zouden zijn, vooropgesteld dat het handelen is wat men doet als men zich van taal bedient. Ik betwijfel het en zou daar eens een uitgebreide 'verhandeling' over moeten schrijven, maar niet nu en niet hier op deze plek. Als u met ‘cynisch’ het door Peter Sloterdijk in zijn Kritiek van de cynische rede geboekstaafde ‘kynische’ bedoelt, dan zeg ik: ja. Als u met 'cynisch' het burgerlijke cynisme van Nietzsche’s Wille zur Macht op het oog heeft, dan zeg ik subiet: nee. De ethische kringen van Onfray zijn mij liever dan het fameuze door u en Arne Schoenvuur aangehaalde bourdieuse veld. Het kynische bevraagt en beproeft de macht, daagt die uit, steekt op lucide wijze de draak met haar, vindt zijn belichaming in mensen als Diogenes van Sinope. Zoals u begrijpt is zijn ‘geweld’ mij liever dan dat van Alexander de Grote, die, zo wil het verhaal, de arme filosoof in zijn regenton eens op kwam zoeken en hem vroeg hoe hij zo kon leven en wat hij zich wenste om zijn lot te verbeteren. Waarop Diogenes de koning gevraagd zou hebben of hij misschien een stapje opzij wilde doen, want door diens schaduw ontnam hij hem de behaaglijke warmte van de zon. De statische zon der poëzie, zou Carlos Drummond de Andrade zeggen.
Geplaatst door: rené huigen | 28-8-06 om 11:54
Dank voor de aanvullingen en de interessante vragen. Vooral uw laatste opmerking is treffend. Diogenes ‘cynische’ visie op macht is iets wat de poëzie zeker kan uitdragen. Eerlijk gezegd vermoed ik dat Arendt de zin van Diogenes ook bij het handelen zou zetten, en in al zijn apolitiekheid zelfs politiek zou vinden (Arendt maakt een onderscheid tussen arbeiden, werken en handelen: voor haar behoren o.a politiek en spreken tot het handelen). Als dat cynisch is hebben we dat zeker nodig. Sloterdijks boek over de cynische rede las ik niet, maar ik meen uit uw sympathie voor Diogenes te kunnen opmaken dat u het honen om te honen, het weghonen, ook niet constructief zou vinden. Een te cynische interpretatie van Bourdieu op de dichterswereld (iets wat ik dus beklemmend vind en wel eens lees bij literatuurwetenschappers) zou zijn: elke dichter die zijn mening geeft, wil eigenlijk gewoon maar aandacht, ipv mee helpen denken over de poëzie. Ik kijk zelf niet met deze visie naar de poëzie. Ter verdediging van literatuurwetenschappers dan weer heb ik in het stuk zo hoop ik geargumenteerd dat het niet zo voor de hand ligt henzelf van machtswellust ivm de poëzie te verdenken, zoals af en toe dichters dat wel eens doen.
Een specialisme is het onderwerp van bovenstaand stuk zeker niet van me; ik had net het boek van Arendt uit toen het woord macht een paar keer opdook in de stukken hieronder, en ik me afvroeg of de ideeën in het pas gelezen boek ook op de poëzie en de wereld errond van toepassing waren. Misschien heb ik door het onderwerp zo te kiezen en uw naam nog eens te vermelden de indruk gegeven dat ik meende dat uw stuk daarover ging; dat was niet zo, maar dat heeft u ondertussen al terecht benadrukt.
Mijn lectuur wordt vooral gestuwd door nieuwsgierigheid. Ik lees op dit moment rond het totalitarisme o.a. uit een bezorgdheid ivm de groeiende aanwezigheid van extreem-rechtse tendensen in Vl. Arendt is qua bijleren uit de geschiedenis (bv. over de vraag: hoe vermijdt men de verdere opkomst van partijen die wellicht niet vies zouden zijn van totalitarisme) pessimistisch: ze meent dat elke situatie op zich bekeken moet worden (dat is eigenlijk ook optimistisch en hoopvol). Het optimistische dat ik vond in haar boek ivm het vermijden van verder politiek extreem-rechts onheil was haar eigen kijk op macht: de macht van de meerderheid heeft wel degelijk iets te betekenen. Ik ben zelf een kind van de jaren'70 en deel intuïtief de afkeer van macht zoals die ook in de reacties onder de vorige stukken aan bod kwam, maar ik heb door de lectuur van haar boek de zaken eens van een andere kant bekeken en beter beseft dat macht meer is dan alleen maar het voor ons vies geworden woord. Het hoort bij de democratie, en daardoor bij het vermijden van totalitarisme.
Geplaatst door: Herlinda Vekemans | 28-8-06 om 18:37