Kan een professionele lezer wel het hele veld overzien? (Hans Groenewegen in zijn essay Vervluchtigend midden en de zucht naar onmiddellijkheid, Poëziekrant, mei-juni 2006)
Naar aanleiding van haar dertigjarig bestaan vroeg de Poëziekrant aan zes 'eminente poëziecritici' om 'eens na te gaan hoe het poëzielandschap in Vlaanderen en Nederland' in de periode 1976-2005 evolueerde. 'Het resultaat is,' volgens Poëziekrant, 'een overzicht met bewaarkwaliteiten.'
Hans Groenewegen tekende voor de 'veranderingen in de poëzie in Nederland tussen 1996 en 2005': Vervluchtigend midden en de zucht naar onmiddellijkheid, een essay waarin hij onder meer uitvoerig de intrede van het populisme in en de invloed van het medium internet op de 'wereld van de poëzie' aan de orde stelt. Aan het eind van zijn betoog komt Groenewegen tot het volgende oordeel:
'Hierboven heb ik enkele elementen aangestipt van de veranderingen die op dit moment plaats lijken te vinden op het terrein van de poëzie. Allereerst worden veranderingen zichtbaar op het terrein van de productievoorwaarden. De publicatiedrempel wordt lager. De hoeveelheid publicaties groeit. Maar ook in het veld van de consumenten verschuift heel wat. Er is steeds minder sprake van een brede kennis van wat wordt gepubliceerd. Lezers houden zich in gescheiden kringen op. Het is voor gewone, geïnteresseerde poëzielezers onmogelijk de totale productie van een jaar te overzien.
Poëzietechnische en thematische veranderingen die met genoemde verschuivingen samengaan, moeten nog uitkristalliseren. Om met zekerheid te kunnen spreken van tendensen van clustering van technieken en thema's tot een voor deze tijd bepalend poëtisch jargon, heb ik meer afstand nodig. De door de versplinterende aard van de veranderingen vergeefse strijd om de hegemonie wordt niet met (goede) poëzie gevoerd, maar met poëtische codes. Hoe die codes verbonden worden met de populistische redeneertrant van deze tijd, heb ik boven aangeduid.'
Dit is een helder geformuleerd eindoordeel, zoals je van een 'eminent poëziecriticus' mag verwachten. De redenering die er aan vooraf gaat wordt echter gekenmerkt door een ronduit negatieve toon ten opzichte van de geconstateerde veranderingen. Groenewegen steekt zijn ongenoegen over de gang van zaken niet onder stoelen of banken. Verder valt me op dat Groenewegen in de voorafgaande redenering een aantal opmerkelijke uitspraken doet over mogelijke invloeden van het internet op de poëzie zelf, die vervolgens, vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing, in het eindoordeel worden teruggebracht tot 'poëzietechnische en thematische veranderingen' die nog moeten 'uitkristalliseren'. Tot slot is de worsteling met de verantwoording van zijn persoonlijke keuze van de belangrijkste Nederlandstalige dichtbundels in het licht van zijn eigen eindoordeel heel begrijpelijk maar tegelijk ook vermakelijk.
Ik wil hieronder ingaan op de volgende drie vragen die ik overhield na lezing van het essay: (1) Waar stoelt het ongenoegen van Groenewegen nu precies op? (2) Wat is de houdbaarheid van de summiere onderbouwing van Groenewegens uitspraken over mogelijke invloeden van het internet op de poëzie zelf? (3) Hoe zou de persoonlijke keuze van Groenewegen van de belangrijkste Nederlandstalige dichtbundels tussen 1996 en 2005 kunnen worden geïnterpreteerd?
Het ongenoegen van Groenewegen
Groenewegen is boos. Hij spot, is soms behoorlijk ongenuanceerd, gebruikt honende adjectieven, hyperboliseert, kleineert. Enkele voorbeelden:
> 'Daarbij wordt een weblogmarketingconcept ontwikkeld onder het motto dat veel herrie over-maakt-niet-uit-hoofd-of-bijzaken de aandacht voor 'de poëzie' vergroot.'
> 'Adam Publiek en Eva Leeskring, die op integere wijze voor de Publieksprijs hun stem willen uitbrengen, hebben een aantal problemen.'
> 'In 2005 moest de politica Femke Halsema naast haar pogingen een kabinet van kleinburgerlijk saaie, asociale, slechtgeklede en dove heren van zijn spoor te krijgen, nog eens ruim vierduizend gedichten lezen.'
> 'Pfeijffers Ratelband-betoog kan worden samengevat in een eenvoudig syllogisme.'
> 'Hij kon opnieuw pront naar voren treden in een poëtisch masker van het culturele centrum, dat van de modern sampelende dichter.'
> 'Aardiger is er naar te kijken in het besef dat de personen er niet toe doen. Dit in tegenstelling tot het werk van interessante dichters.' (Over Ilja Leonard Pfeijffer en Bart FM Droog als personen die er niet toe zouden doen.)
> 'Nu gaat het om interne marktjes, vaak met een sleets gerecyclede romantische opvatting van het dichterschap, gecombineerd met een doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-uitstraling.'
> 'Je hoeft niet langer in Amsterdam te wonen en daar in een van de gerenommeerde schrijverskroegen met de juiste persoon onzin uit te kramen. Literaire kroeglol heb je nu op een log. Met veel meer publiek. En voor prijzen ben je niet langer afhankelijk van de bestaande instituties of commerciële sponsors. Ergens een mecenas of ineengeslagen handen is voldoende. Op het net doe je wat je wilt wat je doet.'
> 'Maar onmiddellijk ontaardt het tot een confrontatie als op een riddertoernooi op zelfgetimmerde stokpaardjes met houten zwaarden.'
> 'Alsof de auteur bang is dat zijn tekst morgen is verlept.'
Nu heb ik met een dergelijke toonzetting geen moeite als deze (in mijn ogen) ook door de beschreven situatie wordt gerechtvaardigd. Maar dat komt hier slechts zelden voor. Waar stoelt dit ongenoegen nu precies op? Het antwoord op deze vraag moeten we, vermoed ik, zoeken in een uitspraak aan het eind van zijn uitvaring tegen 'de wet van het populisme': 'Als ik mijzelf in mijn eigen poëticale knoop mag draaien, veel goede poëzie heeft jaren nodig om een breder publiek te bereiken. Als de dichter bij voorbaat het publiek tot uitgangspunt had genomen, zou deze poëzie nooit goed zijn geworden.'
Deze roep om tijd vinden we ook, in negatieve zin, terug in de titel van het essay: 'de zucht naar onmiddellijkheid'. Verderop in zijn betoog komt Groenewegen hier nog een enkele maal op terug: 'Op het internet heerst ook een taboe op traagheid, denken en heroverwegen. Alles moet onmiddellijk.' En: 'Overlezen doe je klaarblijkelijk pas als je oprisping is verzonden.' Om tot slot klagend te uiten: 'Er lijkt, en ik herhaal mezelf, angst te heersen voor eigenschappen van tijd als uitstel en traagheid.'
Voor Groenewegen geldt klaarblijkelijk de norm dat 'veel goede poëzie' jaren nodig heeft 'om een breder publiek te bereiken'. Op zijn website schrijft hij (over Groenewegen in de derde persoon): 'Maar het dunkt hem een kwestie van fatsoen niet te snel iets te schrijven. Hij wil iemand uit laten spreken voor hij iets terugzegt. Over een debuut schrijven is iemand in de rede vallen.'
'Traagheid, denken en heroverwegen' riekt naar de onwrikbare spreuk op Groenewegens wapenschild, de norm die hij tot wet heeft verheven, waarmee kwaliteit in zijn ogen onlosmakelijk samengaat. En die norm wordt door het snelle medium internet blijkbaar met voeten getreden. Hij merkt op: 'Vooralsnog lijkt de belangrijkste invloed van het nieuwe medium op andere dichters [dan Tonnus Oosterhoff] een versnelling of verhaasting op verschillende terreinen.' Dit alles is mijns inziens een belangrijke constatering met betrekking tot de bril waardoor Groenewegen naar de veranderingen in het algemeen en de invloed van internet in het bijzonder kijkt: Wat goed is heeft tijd nodig om te rijpen, wat snel komt is niet goed, internet is snel, dus alles wat tot ons komt via internet is slecht. Dit heeft veel weg van het soort 'eenvoudig syllogisme' dat hij Pfeijffer verwijt: 'Pfeijffers Ratelband-betoog kan worden samengevat in een eenvoudig syllogisme. Moelijk is goed, ik doe moeilijk, ik ben goed.'
Het ongenoegen van Hans Groenewegen komt, meen ik, aldus voort uit de overtreding door internet, waar volgens hem het populisme hoogtij viert, van zijn persoonlijke norm dat goede poëzie en weloverwogen kritiek op poëzie vooral tijd nodig heeft, behoefte aan 'traagheid, denken en heroverwegen'. Ik wil hier de volgende kritische kanttekening bij plaatsen. Ik veronderstel dat Groenewegen chargeert. En wellicht onbewust. Er is op het internet veel goeds terug te vinden. Dit geldt niet in de laatste plaats voor een deel van de inhoud van Groenewegens website zelf. Daarnaast zijn er inmiddels nogal wat sites van gerenommeerde dichters waarop uitstekende poëzie staat. Groenewegen lijkt vooral bezwaar te maken tegen interactieve sites als Dicht Talent, Poëzierapport en de Contrabas, waar soms onomwonden wordt gereageerd en, met name op Dicht Talent, amateurpoëzie openbaar wordt gemaakt. En met dit laatste is, denk ik, niks mis mee, zo lang je maar beseft in welke omgeving je je bevindt.
Ik kan op grond van het voorgaande maar één conclusie trekken: de kennis van Hans Groenewegen van wat er zich op het internet afspeelt is onvoldoende om er een gerechtvaardigd oordeel over uit te spreken. Hij zou zich over dit fenomeen iets langer moeten buigen, wat bewuster moeten reflecteren - 'traagheid, denken en heroverwegen' - alvorens de vierschaar te spannen.
Over mogelijke invloeden van het internet op de poëzie zelf
Over de mogelijke invloeden van het internet op de poëzie zelf uit Groenewegen zich als volgt:
'Het net verandert de intensiteit van zelfreflectie op alle niveau's. Ik ben geneigd te zeggen dat daarmee ook iets primairs als vakkundigheid aan erosie onderhevig is. Er lijkt, en ik herhaal mezelf, angst te heersen voor eigenschappen van tijd als uitstel en traagheid. Die angst zou kunnen corresponderen met de onverschilligheid voor het verleden, voor wat eerder en elders geschreven werd. Naast 'te moeilijk' is 'erudiet' een veelgebruikt scheldwoord.'
'Veel van wat je op internet ziet verschijnen, is eenvoudige, direct verstaanbare poëzie. Vaak is het saai omdat het noch in beeldspraak, noch in techniek of thematiek, noch in taalvermogen of benutting van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de taal iets toevoegt aan wat je al kent als je meer dan tien dichters hebt gelezen. Misschien heeft dat niet alleen met de desinteresse in de ontwikkeling van vakmanschap te maken. Anders dan papier eist de gemiddelde netlezer korte, weinig complexe teksten. In die zin komen schrijver en lezer elkaar op het net tegemoet.'
'Mogelijk heeft de techniek om in één gedicht niet te verbinden elementen bij elkaar te plaatsen, die door steeds meer papieren dichters wordt toegepast, iets te maken met de wijze waarop men surft of zapt. Je zou in dit verband kunnen spreken van een nieuwe realistische code. De gebruikte technieken van montage en associatiebreuken lijken nieuw te zijn als je ze afzet tegen de oude realistische codes. Zet je ze naast de dagelijkse vormen van perceptie en communicatie, blijken ze vaak eenvoudig gekopieerd.'
Ik zet het bovenstaande nog eens op een rijtje (1) De 'vakkundigheid' van hedendaagse dichters is onder invloed van internet 'aan erosie onderhevig'. (2) Er heerst onder de internetdichters 'onverschilligheid voor het verleden'. (3) 'Veel van wat je op internet ziet verschijnen, is eenvoudige, direct verstaanbare' - 'saaie' - 'poëzie.' (4) 'Mogelijk heeft de techniek om in één gedicht niet te verbinden elementen bij elkaar te plaatsen, die door steeds meer papieren dichters wordt toegepast, iets te maken met de wijze waarop men surft of zapt.'
Ik zou haast zeggen: Waar gaat dit over? Heeft Groenewegen het hier over de 'amateurpoëzie' die je op Dicht Talent kunt vinden? Misschien over de poëzie voor de wat gevorderden op Meander? De Contrabas publiceert nauwelijks poëzie en op Poëzierapport komen alleen maar gedrukte bundels aan bod. En ik vrees bovendien dat hij mijn eigen website, 1hundred1, nog nooit heeft bezocht, alhoewel zijn opmerking over 'technieken van montage en associatiebreuken' op mijn poëzie betrekking zou kunnen hebben (maar daar moeten we het in een andere debat dan nog maar eens over hebben).
Opnieuw moet ik constateren dat Hans Groenewegen de plank misslaat, niet weet waar hij het over heeft. Opnieuw maakt hij zijn eigen adagium - 'traagheid, denken en heroverwegen' - niet waar. Hij trekt te snel conclusies, zou wat vaker online moeten zijn. HANS, waar moet dat heen! De onderbouwing van bovenstaande uitspraken is belabberd. De houdbaarheid vooralsnog nada.
Groenewegens persoonlijke keuze van de belangrijkste dichtbundels
En dan zijn keuze van de dichtbundels. Laat ik de feiten op een rijtje zetten. Hij koos voor de periode van de laatste tien jaar voor 28 Nederlandse en 11 Vlaamse dichters: de eer valt ten beurt aan drie bundels van H.H. ter Balkt, Arjen Duinker, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens, Kees Ouwens, Nachoem M. Wijnberg, twee bundels van H.C. ten Berge, Anneke Brassinga, Eva Gerlach, Christine D'Haen, Jacques Hamelink, Stefan Hertmans, Erik Spinoy, Toon Tellegen en één bundel van Dirk van Bastelaere, Huub Beurskens, Erik Bindervoet, Paul Bogaert, Hugo Claus, F. van Dixhoorn, Elisabeth Eybers, Guillaume van der Graft, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Elma van Haren, Miriam Van hee, Judith Herzberg, Peter Holvoet-Hanssen, C.O. Jellema, Joke van Leeuwen, Lidy van Marissing, Cees Nooteboom, Tonnus Oosterhoff, Gertrude Starink, Mustafa Stitou, Hans Tentije, Peter Verhelst en Ellen Warmond.
Niets op aan te merken, zo op 't eerste gezicht. Een fraaie lijst van over het algemeen wat oudere, vrijwel allemaal gerenommeerde en gelauwerde dichters, van wie ik menig bundel in mijn boekenkast heb staan. Over de gedichtendagbundel zegt Groenewegen in zijn essay evenwel het volgende: 'Tot nu toe is gekozen voor bekende, dus veelal Noord-Nederlandse dichters zonder builrisico voor de organisatie: Toon Tellegen (2000), Judith Herzberg (2001), Hugo Claus (2002), Eva Gerlach (2003), Rutger Kopland (2004), Gerrit Kouwenaar (2005). ' Maar hé, vijf van deze zes dichters komen ook voor op zijn eigen keuzelijst, en de meesten zelfs met meer dan één bundel!
'Kan een professionele lezer wel het hele veld overzien?' vraagt Groenewegen zich tot slot af. Door zijn vele (neven)activiteiten, luidt zijn antwoord, heeft hij 'niet alle dichtbundels van de afgelopen tien jaar evenveel recht gedaan'. Een halfslachtig antwoord, waarbij Groenewegen niet duidelijk uitspreekt of hij alle bundels die jaarlijks bij reguliere uitgeverijen verschijnen (tegenwoordig pakweg zo'n 130 tot 140 bundels per jaar) ook daadwerkelijk leest. Wel geeft hij aan dat soms 'de aard van iemands bijdragen aan discussies op het web al voldoende (is) om elke nieuwsgierigheid naar zijn of haar poëzie te doven'. Ik kan niet anders dan concluderen dat ook de 'professionele lezer' Groenewegen, evenals 'Adam Publiek en Eva Leeskring', niet in staat is om het hele poëtische veld goed te overzien. Wellicht ook mede daarom is Groenwegens persoonlijke keuze van de belangrijkste dichtbundels tussen 1996 en 2005 zo 'builrisicoloos' geworden.
Groenewegen heeft de Nederlandstalige poëziewereld met zijn overzicht geen goede dienst bewezen. Hij heeft niet voldaan aan zijn eigen zorgvuldigheidscriterium van 'traagheid, denken en heroverwegen'. Zijn negatieve toon is ongerechtvaardigd, de onderbouwing regelmatig vluchtig, zijn keuze voor de belangrijkste Nederlandstalige bundels 'builrisicoloos' en gestoeld op een gedeeltelijk overzicht van het hele poëtische veld. Misschien had Groenewegen, zoals Chrétien Breukers al eerder opmerkte, deze klus aan een ander moeten overlaten.
Ton van 't Hof
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Beste Ton,
Je ziet spoken.
Tot zover mijn snelle reactie. Voor een meer diepgaande reactie neem ik wat meer tijd.
x
Geplaatst door: Xavier Roelens | 24-8-06 om 14:55
Ik wens niet te reageren op de tekst van Ton, maar wil wel even melden dat ik het essay met belangstelling gelezen heb. Mijn conclusie was: Poëziekrant heeft aan een man die nog geen hond kan tillen gevraagd om een olifant op te heffen. Ik bedoel daarmee: de laatste jaren heeft de auteur van dit overzicht vooral gelezen wat hij wilde (en kon) lezen, en in zijn plaats had ik hetzelfde gedaan, maar ik schrijf geen 'overzichten'. Het is niet hét absolute overzicht, maar een overzicht, het overzicht van Groenewegen. Wel jammer en ietwat misleidend dat dat in Poëziekrant als evangelie wordt verkocht.
Nog dit: wie in een dergelijke overzicht voorbij gaat aan een dichter als Menno Wigman, wil en moet ik eigenlijk niet ernstig nemen.
Ter verdediging van Hans Groenewegen wil ik aanvoeren dat zelfs de sterkste mens ter wereld geen olifant kan tillen.
Geplaatst door: Philip Hoorne | 24-8-06 om 15:38
Hoe goed ik Oosterhoff ook vind -- of hoe inspirerend meer -- het feit dat hij zijn bewegende gedichten op internet publiceert maakt het nog geen internet-poëzie. Het is nieuw, spannend, en vooralsnog onpeilbaar -- nog niets inhoudelijks over de gedichten gelezen, laat staan analytisch; ja, ze bewegen -- maar het is even onzinnig dit internet-poëzie te noemen als een gedicht op een poster poster-poëzie.
Geplaatst door: Ruben van Gogh | 24-8-06 om 16:29
"Het is natuurlijk de vraag of haastig geschreven dingen daarom ook slechter uitvallen dan dingen waar men lang over doet. Bach en Mozart werkten zeer snel, Beethoven zer moeizaam, maar daarom is Beethoven nog niet beter dan de andere twee."
uit: Geschiedenis van de Russische literatuur, Karel van het Reve, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1985.
Geplaatst door: F. Papenhove | 24-8-06 om 18:31
Lieve poëzievrienden en vriendinnen: Zer moet zeer zijn. Zie boven.
Geplaatst door: F. Papenhove | 24-8-06 om 18:36
@PH: Groenewegen argumenteert expliciet dat hij het veld niet kan overzien en ipso facto dat zijn overzicht daarmee per definitie beperkt is. Dat schrijft hij in precies dat overzichtsartikel in de Poeziekrant. Dus kun je niet volhouden dat de Poeziekrant hem laat evangeliseren. Als de Poeziekrant dat had gedaan hadden ze dat hele stuk van Groenewegen over die publieksprijs moeten schrappen en gewoon alleen de lijstjes met de favorieten moeten laten staan. Snappu?
@ Ton: Hans houdt inderdaad geloof ik niet zo van de verslaving aan openbaarheid die Internet in de hand werkt. En eerlijk gezegd, we zien gewoon heel wat ondoordachts in de discussies plaatsvinden, wie zou dat durven ontkennen.
Anderzijds is het niet zo dat hij zekere interessante en waardevolle aspecten van het internet volstrekt zou negeren. Er worden hier en daar wel degelijk, voorzichtig allicht, complimenten uitgedeeld.
Ook dat HG meer tijd zou moeten spenderen aan internet om met een eindoordeel te komen is een opvatting die we in de tekst van HG zelf kunnen lezen. bv in deze alinea (& ik heb de relevante zinsnede tussen asterisken gezet):
"Initiatieven met interessante perspectieven werden ondernomen door Philip Hoorne en Jeroen Mettes. Dichter Hoorne startte poezierapport.blogspot.com. Inmiddels met assistentie wordt een groot deel van de poëzieproductie gevolgd, zowel het perifere als het centrale. Literatuurwetenschapper Mettes begon op poëzienotities.nl met de systematische bespreking van alle recente poëzie die bij zijn boekhandel om de hoek te vinden was. *Ze zijn op het moment dat ik dit schrijf tekort bezig om er definitieve oordelen over te hebben.* Maar het zijn goede voorbeelden van wat er mogelijk is, in welke richting de poëtische openbaarheid kan ontwikkelen en welke bezwaren die je er tegen zou kunnen maken."
Tot slot nog iets over je verwijt aan Hans dat hij stemming maakt. Ik krijg de indruk, ook van de eerdere reactie van Chrétien, dat met name het woord 'populisme' steekt. Maar het is toch zeker niet zo dat Hans die term zo maar uit de lucht laat vallen, zoals je stukje het hier laat doen lijken! Om een of andere reden zijn jullie allebei voorbijgegaan aan toch wezenlijke opmerkingen als deze:
"Zo prijzen de organisatoren hun prijs aan: ''Voor het eerst mag het publiek bepalen wat het de beste Nederlandstalige poëziebundel van het jaar vindt. De prijs beoogt meer aandacht voor de poëzie, die zij o zo waardig is.'' 'Het publiek' en 'de poëzie', het zijn twee populistische abstracties waarachter een ingewikkelde werkelijkheid schuilgaat. Met hoeveel stemmen ontstaat er een 'het publiek' dat groot genoeg is om de stemmen van familieclans en vriendencirkels te neutraliseren?"
Dit punt is toch heus niet triviaal hoor. Kijk, die publieksprijs was een prachtig spel en een amusant spektakel met grappige ontwikkelingen er in en ik heb me er zelf ook met plezier tegenaan bemoeid, heel spannend en heel leuk, maar laten we elkaar geen mietjes noemen: literair gezien heeft het giene ruk opgeleverd. De gedichten waar op gestemd is zijn er niet beter van geworden en niemand heeft een ander inzicht in de poezie verkregen. Mogelijk heeft er ergens iemand een gedicht gelezen dat hij anders niet gelezen zou hebben (minstens lazen velen die nooit gedichten lezen het gedicht van de neef of buurvrouw waar op gestemd moest worden). Op zijn hoogst heb ik een beter inzicht gekregen in hoe je mensen kunt mobiliseren om op deze of die bundel te stemmen. Zonder, nogmaals, dat bij dat mobiliseren ergens van een literaire argumentatie sprake was - en dat zou ook lastig zijn, want helder argumenteren dat bundel X beter is dan alle andere bundels van een jaar, dat gaat toch meestal niet zonder doorzichtige idiote aannames.
Dus stond het "publiek" (wie, ik?) centraal en niet de poetische inhoud. Dat kun je best populisme noemen. "Het Publiek" is inderdaad net zoiets als "Het Volk". En probeer maar eens een niet-populistische publieksprijs te doen! Een die het dus zonder dat soort abstracties klaart. Lukt je niet, lekker puh!
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 25-8-06 om 20:26
Samuel, gisteren plaatste Kees Fens in de Volkskrant de volgende opmerking:
'Hier worden wij steeds meer bedreigd, door internet en vooral door het autobiografisch geschrijf van het weblog, dat elektronische openbaar toilet.'
Toen ik dit las, dacht ik onmiddellijk aan Hans Groenewegen. Ik geloof dat hij de woorden van Fens onderschrijft. Dat is in elk geval een indruk die ik van hem, na het lezen van zijn essay, heb overgehouden. En die indruk heb ik hierboven getracht te motiveren.
Het antwoord van Wim Noordhoek, gericht aan Kees Fens, is me uit het hart gegrepen: 'Maar 't is niet waar dat de misère van internet komt [...] Integendeel. Internet is een middel. Hoe je het gebruikt staat vrij.'
Ik heb me verbaasd over de onomwonden wijze waarop Groenewegen zijn persoonlijke ongenoegen in zijn essay heeft verwerkt. Dat had ik niet verwacht, dat stuitte me bij het lezen tegen de borst. Zoals hij zich ongetwijfeld regelmatig ergert aan populisme op het web. Het spreekwoord 'de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet' drong zich in deze context meerdere malen aan mij op.
Daarnaast ben ik van mening dat Groenewegen een aantal uitspraken doet over mogelijke, vooral negatieve invloeden van zappen, surfen en het internet op het werk van dichters, die hij op geen enkele manier onderbouwt: 'Poëzietechnische en thematische veranderingen die met genoemde verschuivingen samengaan, moeten nog uitkristalliseren. Om met zekerheid te kunnen spreken van tendensen van clustering van technieken en thema's tot een voor deze tijd bepalend poëtisch jargon, heb ik meer afstand nodig.' Waarom dan toch die uitspraken gedaan? Waarom nu geen 'traagheid, denken en heroverwegen' betracht?
Delen van zijn essay hebben in mijn ogen dan ook een 'populaire, oppervlakkige, enigszins demagogische betoogtrant'.
Ik heb voorts weinig aan te merken op Groenewegens analyse van de Publieksprijs. De Publieksprijs was, naast het waardevolle blijvende overzicht dat hij nu nog biedt, inderdaad ook 'een prachtig spel en een amusant spektakel', waarbij, dat moet toch worden gezegd, internet opnieuw slechts als medium diende. Het zou op televisie of radio net zo goed spel en spektakel zijn geweest. Waarbij de fraudegevoeligheid niet zozeer aan internet heeft gelegen, maar vooral aan ons gebrek aan financiële middelen om dit met behulp van de juiste software op een veiligere wijze te regelen. (Een probleem waar we overigens opnieuw voor staan.)
Tot slot steekt het verwijt van populisme inderdaad, maar dan alleen omdat Groenewegen mijns inziens te weinig oog heeft voor de goede ontwikkelingen die ook op het internet waarneembaar zijn. Zoals, bijvoorbeeld, de onmiskenbare ontsluiting van een enorme hoeveeldheid informatie, ook op het gebied van de poëzie. En dan heb ik niet alleen maar, zoals Hans Groenewegen, het overzicht van de Publieksprijs op het oog.
Geplaatst door: Ton van 't Hof | 25-8-06 om 22:28
Ja hoor. Vriezen is weer terug van vakantie. Helemaal uitgerust en in staat om ons alles weer eens haarfijn uit te leggen. Gelukkig zijn er nog de beschouwers, die ons af en toe eens bijlichten, in deze sombere tijden.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 25-8-06 om 23:38
Weet je? Ik begrijp totaal niet waar deze hele controverse over gaat.
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 26-8-06 om 3:28
Geeft niks. Zelfs jij begrijpt wel eens wat niet. Dat is – voor mij – een hele geruststelling.
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 26-8-06 om 10:27
By the way: hoezo controverse? Ontstaat er meteen een controverse als iemand het niet eens is met een stuk, pardon, een tekst van Hans Groenewegen?
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 26-8-06 om 11:05
@SV: In dezelfde Poëziekrant staat ook een equivalent stuk over de Vlaamse poëzie. Daarin doet de auteur tenminste nog de moeite om zoveel mogelijk namen te noemen van dichters die in die tien jaar actief waren. Groenewegen doet dat niet. Zijn uitgangspunt was niet: welke dichters deden ertoe in de laatste tien jaar, maar wel, ik ken een aantal dichters, wat hebben die de laatste tien jaar uitgespookt. Da's iets helemaal anders.
Geplaatst door: Philip Hoorne | 26-8-06 om 12:02
Philip: Hans is tenminste zo eerlijk zijn eigen positie als criticus steeds te relativeren. Iedere kritische positie is relatief maar niet iedereen is zo netjes daar ook zijn conclusies uit te trekken. Het idee dat je een beter overzicht levert als je zoveel mogelijk namen noemt lijkt mij nou juist een vorm van obscurantisme. Bij hoeveel procent van de dichtende medemensen genoemd begint het overzicht dan kritische waarde te krijgen?
Geplaatst door: Samuel | 26-8-06 om 14:26
Samuel.... je lijkt Jeroen Mettes wel, zo tendentieus...
Geplaatst door: Chrétien Breukers | 26-8-06 om 14:38
Wel, heb je ooit Jeroen Mettes en Samuel Vriezen in één vertrek gezien?
Geplaatst door: Samuel Vriezen | 26-8-06 om 17:08
De opdracht luidde: 1 decennium Nederlandse poëzie belichten. Niet gering, begin er maar eens aan. Ik vraag me zelfs af of iemand dit wel kan. Maar als iemand de klus aanvaardt, pretendeert hij van wel. Hans Groenewegen heeft gedaan wat iedereen in zijn plaats had gedaan: kijken waar hij goed in is, een inrijpoort zoeken die hem ligt en daar een stuk aan ophangen. Vanuit ongetwijfeld veel achtergrondkennis, ik betwist dat niet. Maar daarmee hebben we nog geen geschiedenis van de Nederlandse poëzie 1995-2005, we hebben een opiniestuk. Flink gewerkt, maar naast de kwestie.
Geplaatst door: Philip Hoorne | 26-8-06 om 18:19