Alle rechtvaardiging is zelfrechtvaardiging. Dat geldt niet alleen voor dichters, maar ook voor wetenschappers. Enige bescheidenheid is hier daarom op zijn plaats. Ik heb geleerd dat we de wereld kennen door de vragen die we haar stellen. Stellen we andere vragen, dan kennen we een andere wereld. Kort en goed: de vragen die wetenschappers stellen, zijn andere dan die dichters zichzelf stellen en daarom leven beide groepen, overlappingen daargelaten, in nagenoeg gescheiden werelden. Dat is onvermijdelijk en tot op zekere hoogte ook noodzakelijk, maar op de totstandkoming van een wederzijdse begrip heeft dat niet altijd een gunstig effect.
Waar het mijns inziens in de Nederlandse Letteren aan schort is een vruchtbare dialoog. Toen ik aan de Universiteit van Michigan als writer in residence poëzie doceerde, viel mij op dat de academische en de literaire wereld met elkaar verweven waren; ja, er bestond een vruchtbare kruisbestuiving tussen beide disciplines. Je kwam er nog eens iemand tegen. Ann Carson bijvoorbeeld, die ik nog steeds dankbaar ben voor haar geheimtip om Marguerite Porete eens te gaan lezen. Er was hoor en wederhoor, een oprechte interesse in elkaars vakgebied. De dichter was iemand om serieus te nemen en niet bij voorbaat een querulant. Niet iemand die nog voordat hij iets gezegd had, verdacht was en die zichzelf eigenlijk moest schamen überhaupt een gedicht te schrijven.
Ik weet niet welke geest over dit laagland waait, maar open staat zij niet. Eerder is zij toornig en wrokkig, geborneerd, kleingeestig en is elke frisse wind gedoemd een hinderlijke tochtvlaag te zijn in de verkrampte nek van schoolmeesters en dominees. Klein is hun blikveld. Nog steeds. Zelfs waardering lijkt hier een vorm van gesublimeerde rancune. Vooruit, dichter mag men zijn bij hun genade. Ja, ook waar het de cultuur betreft, is het gedogen de Nederlander in het bloed gaan zitten. We geven tegenover anderen hoog van onszelf op, maar vergeten dat we elkaar onderling regelmatig voor rotte vis uitmaken. Als het moet sluiten we de gelederen zoals sektarische gemeenschappen dat doen. Om de schone schijn op te houden. Voor wie? Voor onszelf. Zo zou de Nederlandse poëzie in de wereld van een hoog niveau zijn. Zeggen wie?
Gerbrandy, Pfeijffer en andere autonomisten verdedigen de vorm en mogen daarover wekelijks in de krant schrijven, alsof ze iets nieuws over dit onderwerp te melden hebben. Wie zei ook al weer dat wie in eigen land een revolutie gemist heeft, hij het beste naar Nederland kan verhuizen, want daar gebeurt alles vijftig jaar later… Maak er rustig honderdvijftig jaar van. Tweehonderd, driehonderd jaar mag ook. Het probleem is dat men in deze tijden zelfgenoegzaam is. Zelfgenoegzaam in de zin dat niemand aan geen enkele andere tijd een voorbeeld neemt, omdat de huidige tijd als maatgevend wordt beschouwd.
De poëzie zou ten dode opgeschreven zijn, zo wordt beweerd. Het is een van de onhebbelijkheden van het moderne om met dergelijke uitspraken weg te komen. Hoezo dood? Er kan nog niet eens van onttakeling of verval sprake zijn, omdat er dan op zijn minst in de geschiedenis een punt moet zijn dat men als paradigma wenst te beschouwen ten opzichte waarvan dat verval kan worden afgelezen en, als dat dan toch moet, de dood van de dichtkunst kan worden vastgesteld. Zonder historisch bewustzijn zijn er überhaupt geen paradigma’s, laat staan paradigmawisselingen. En als ze er al zijn dan gaat het om persoonlijk hang ups van individuen waarover geen enkele ‘wetenschappelijke’ consensus kan bestaan.
Goed, laten we dit aannemen: de poëzie is stuurloos en heeft, als ze er al ooit zijn geweest, geen ijkpunten meer voor dichters om hun koers op te bepalen. De hoogleraar die steeds vaker van zich doet spreken, Thomas Vaessens, stelt het vast, maar om dat te kunnen vaststellen, moet hij op zijn minst die ijkpunten zelf toch wel hebben, lijkt mij, anders zou hij niet tot een dergelijke vaststellingen kunnen komen. Welke zijn zijn ijkpunten dan? Hij noemt geloof ik de historische letterkunde en zegt dat vanuit historisch letterkundig oogpunt de hedendaagse ontwikkelingen moeten worden begrepen, maar wat ik dan niet snap is dat hij kennelijk blind is voor het feit dat de veranderingen die er nu zouden zijn al veel eerder bij de opkomst van het moderne rond 1850 in gang zijn gezet.
Er is ten opzichte van toen werkelijk niet zoveel veranderd. Vanwaar dan nu die noodkreet. Die had evenzo uit de mond van Baudelaire kunnen klinken. Toen al schreven schrijvers voor glossy’s en bereikten de succesvolste onder hen de sterrenstatus en werden sommigen zelfs politici. Toen ook waren er, zoals nu, schrijvers die tegen al die nieuwlichterij te hoop liepen, met dat verschil dat er toen, in tegenstelling tot nu, veel geld door de schrijvers met die nieuwlichterij werd verdiend. Ik ben er van overtuigd dat opnieuw geld de onderscheidende kwaliteit zal blijken te zijn en dat er in wezen tussen de krant en het internet niet zoveel verschil is. Zelfs niet tussen de uitvinding van de boekdrukkunst en het internet. Zeker geen kwalitatieve.
Waar het om gaat is dat op massale wijze opnieuw kennis ontsloten wordt. De vraag is nu wie die gaat beheren. Het ware probleem betreft daarom het machtsvraagstuk en heeft niets met literatuur of de kwaliteit van literatuur te maken. Zij die door de infrastructuur van het medium waarvan zij zich kunnen bedienen vrij toegang hebben tot die macht, merken dat ze die aan het verliezen zijn. Nieuwe noodverbanden om de groeiende complexiteit van de intellectuele gemeenschappen bijeen te houden zijn nodig. En om die te kunnen leggen, deze (nood)verbanden, is er een ziekenbroeder en een patiënt nodig. De poëzie lijkt een gewillig slachtoffer te zijn. Het is aan de dichter om te zeggen: over my dead body!
Ik zelf zou de oplossing zoeken in een structurele verandering van het bedompte culturele klimaat, dat nog steeds regentesk en niet van deze tijd is. Het internet is vrij toegankelijk, maak nu ook de kranten toegankelijker, niet door het niveau te verlagen, maar door die minder als een bastiljon van goede manieren en verfijnde smaak te beschouwen. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat meer en meer intellectuelen, zoals ik in mijn omgeving merk, zich aan de schrijvende pers storen en van hen vervreemd weten. De media realiseren zich kennelijk niet dat hun positie niet meer zo exclusief is als die ooit geweest was en dat in een land van hoogopgeleiden tienduizenden anderen die krant kunnen volschrijven of een actualiteitenprogramma kunnen maken. Kortom: zij hebben geen alleenrecht meer op wat zij als de waarheid beschouwen, maar claimen dat wel.
Open ook de poorten van de universiteiten voor schrijvers en kunstenaars om er lezingen, colleges en gastcolleges te geven. Ja, het gebeurt, maar te weinigen en alleen door een kleine door regenten aangestelde elite van gunstelingen, die, om in de gunst te blijven, elkaar vooral na moeten blijven praten. De poëzie is, om me tot haar te beperken, afhankelijk gemaakt van enkelen, die zich niet eens de moeite hoeven te getroosten om zich op welke wijze dan ook te verantwoorden. Ze gedragen zich als koningen. En ook dat is niet nieuw. Men leze Musil, die in Postume herinneringen van een levende al in 1935 vaststelt dat de mens als cultuurconsument in diepste wezen ontevreden is met de mens als cultuurproducent.
Er is geen wederzijds vertrouwen meer in het project dat Literatuur heet. Frank Starik repte op de Contrabas reeds over het feit dat hem bij het lezen van Ongerijmd succes was opgevallen hoe slecht Vaessens (en hij niet alleen, RH) over bepaalde zaken geïnformeerd blijkt te zijn. Dit is een punt van kritiek dat ik, als ik een wetenschapper was, mijzelf zou aanrekenen en zeker niet nadat ik in krant of weekblad allerlei persoonlijke opvattingen over poëzie had gedebiteerd. Soms vraag ik me af waar de wetenschappelijke integriteit is gebleven. Een meteoroloog bestudeert het weer, maar hij heeft niet de pretentie om dat te veranderen en rampen te voorkomen. Hoe zit dat met literatuurwetenschappers?
Als hun verweer luidt dat er in de literatuurwetenschap andere variabelen zijn dan in de meteorologie, dan hebben ze gelijk, maar welke zijn die variabelen dan? Waar halen zij de pretentie vandaan om door middel van hun ‘onderzoek’ de literatuur zo te beïnvloeden dat zij het literaire klimaat gaan bepalen? Voor de rode draad die zij zien, kan ik er zo tien voor in de plaats stellen. De weg uit het labyrint wijst Ariadne ons al lang niet meer. De minotaurus zijn we zelf en Perseus is gevlogen.
© René Huigen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Lammert Voos
Daan Doesborgh
Quirien van Haelen
Menno van der Beek
Mart van der Hiele
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Peter M. van der Linden
Gert de Jager
Het Utrechts Dichtersgilde
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Chrétien Breukers
Onno Kosters/Dick Groot
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Erik Nieuwenhuis
Annemarie Estor
Wouter Godijn
Spijkers met koppen.
Over je analyse van het project Literatuur nog dit: is het zo dat volgens jou zowel schrijvers als academici veronderstellen dat zij weten wat literatuur is en daar te vlug genoegen mee nemen?
En hoe zie jij die herovering op de kranten?
En wat de noodverbanden betreft: digg, technorati, delicious, squidoo en myspace zijn noodverbanden die nu een steile opgang kennen. Ze gaan er (een beetje zoals google) van uit dat jij en ik de beste referenties zijn om te oordelen of iets goed of niet goed is. Schuim drijft boven, dat soort redeneringen. Totale of totalitaire vrijheid, noem het wat je wil. Maar ik vermoed dat jij een ander soort noodverbanden voor ogen hebt.
PS: Ik heb Vaessens trouwens om een reactie gevraagd op het Contrabasdebat. Het antwoord luidde kort maar krachtig: "geen zin, geen tijd". Blijkbaar hebben logs als deze nog niet voldoende status om er een uitstapje aan te wijden.
Geplaatst door: Arne Schoenvuur | 23-8-06 om 15:54
"Waar het om gaat is dat op massale wijze opnieuw kennis ontsloten wordt. De vraag is nu wie die gaat beheren. Het ware probleem betreft daarom het machtsvraagstuk en heeft niets met literatuur of de kwaliteit van literatuur te maken."
Lees ik hier een wetenschapper die er gemakshalve vanuit gaat dat de eigen zucht naar macht wel ergens goed voor zou moeten wezen?
Als ik voor mijn beurt spreek - of gewoon voor mezelf - is het machtsgeoriënteerde denken meestal het probleem.
De idee dat er machtshebbers moeten zijn kom je weinig meer tegen in het paradigma waarin ik veelal vertoef.
Geplaatst door: Peter de Groot | 23-8-06 om 16:37
Peter,
Is iemand die zijn kennis deelt met iedereen iemand die zijn macht vergroot of verkleint? En is iemand die zijn kennis met niemand deelt iemand die zijn macht vergroot of verkleint? Of is net het selectieve delen van kennis net de macht vergroten?
Waar René Huigen voor pleit doet me sterk denken aan de veldtheorieën van Bourdieu. Huigen lijkt er vanuit te gaan dat je pas kennis kunt delen als je het centrum van een veld (bvb de kranten) veroverd hebt.
Bevindt de poëzie zich niet in een paradoxale positie? Enerzijds wil ze in de marge blijven opereren, daar waar nieuwe kennis en nieuwe ervaringen vorm krijgen. Anderzijds willen dichters dat die “ontdekkingen” of “kennis” toch een plaats krijgen in het centrum. Voor dat laatste wordt (of is het werd?) dan voornamelijk naar uitgevers, redacteurs, critici en wetenschappers gekeken.
Als de dichter zich niet bekommert om die transfer naar het centrum (prototypisch een museum, de canon of een bloemlezing), kan zijn poëzie dan overleven? Is hij of zij dan pretentieus of naïef omdat hij een opname in het centrum niet nodig acht?
Huigen ziet poëzie niet als een gewillig slachtoffer (over zijn lijk!, liever een dode dichter dan dode poëzie). Daarbij aansluitend kan je stellen dat het voor de dichter aangewezen is om de weg van zijn oeuvre naar het centrum te begeleiden, dat hij die voorziet van een dialoog. Omgekeerd moet er ook sprake zijn van een dialoog door diegenen die het centrum menen te bewaken. Vaessens claimt dat centrum te bewaken, zijn functie verplicht hem daar ogenschijnlijk toe. Maar hij spreek klaarblijkelijk niet met kennis van zaken. Hij neemt lukraak op en verantwoordt zich niet.
Vaessens lijkt overigens literatuurgeschiedenis te willen schrijven zonder daarbij de fout te maken om de trends te missen. Hij wil de criticus zijn die het impressionisme maar niets vindt waarna blijkt dat het “the next big thing” is. Het is een angst die er bij kunsthistorici à volontè wordt ingepompt. De houding van Vaessens heeft met legitimiteit te maken. Heeft hij het recht om zich specialist moderne literatuur te noemen als hij het bloggebeuren mist? Wat wordt er eigenlijk verwacht van een specialist hedendaagse Nederlandse literatuur? Hoe moet hij zich legitimeren? Aan de hand van het aantal ontdekkingen? Of door het feit dat hij als eerste een aantal nieuwe trends heeft blootgelegd?
Peter, je schrijft dat het paradigma van het machtsgerichte denken nagenoeg verdwenen is uit de kringen waar je in vertoeft. Hoe komt dat? En is het echt helemaal niet aan de orde?
Geplaatst door: Arne Schoenvuur | 23-8-06 om 17:28
"Peter, je schrijft dat het paradigma van het machtsgerichte denken nagenoeg verdwenen is uit de kringen waar je in vertoeft."
Beste Arne,
Ik weet niet waar ik dat geschreven zou hebben.
- Lezen zou een kunst kunnen wezen, al was het van het hogere soort.
Macht... Het feit dat ik er om moet lachen...
Geplaatst door: Peter de Groot | 24-8-06 om 8:33
"De idee dat er machtshebbers moeten zijn kom je weinig meer tegen in het paradigma waarin ik veelal vertoef."
Ok, niet helemaal hetzelfde idd. De kringen worden meteen een stuk kleiner.
Geplaatst door: Arne Schoenvuur | 24-8-06 om 10:54