Wim van Til (51) is voor zijn dagelijks brood directeur van !nderdaad, bureau voor training, opleidingsadvies en begeleiding. Sinds 2000 is hij tevens onbezoldigd directeur van een poëziecentrum, tot voorkort gevestigd in Geffen: een verzamel- en studiehuis voor moderne Nederlandstalige poëzie. Tussen het beheren van zo’n 10.000 poëzietitels en het geven van bedrijfstrainingen door, vindt Van Til de tijd om aan zijn eigen gedichten te werken. Vanaf 1981 verschenen vier bundels en enkele bibliofiele uitgaven van zijn hand.
‘Als ik een inval voor een gedicht krijg, in de auto bijvoorbeeld, dan moet ik vaak snel even een notitie maken, ergens op een achterkantje. Als je het niet meteen noteert, vergeet je het weer. Het schrijven zit altijd een beetje klem tussen de andere bezigheden. De rustiger perioden van het bedrijf, de dagen rond kerst en in de zomer, dat zijn ook niet echt de momenten om eens lekker rustig aan je eigen werk te gaan zitten.’
Het poëziecentrum lijkt me een bewerkelijke aangelegenheid. Hoe doe je dat?
‘Het wordt belangrijk op het moment dat iemand opbelt en zegt: “Ik zou dan en dan langs willen komen en gebruik maken van het centrum.” Een journalist bijvoorbeeld, die zich op een dichtersinterview wil voorbereiden, of iemand die een bloemlezing aan het samenstellen is. Het zijn vaak hele gerichte vragen, en afhankelijk van de vraag liggen er dan al boeken en artikelen klaar. Dat is ook het leuke: alvast wat dingen klaar leggen, beetje speuren vooraf en sturen.’
Je moet intussen een schat van zeldzame uitgaven in huis hebben.
‘Zeker, en het aardige is dat mijn perceptie van wat zeldzaam is, daardoor verandert. Een onbekende dichter die ooit eens vier gedichten gestencild heeft rondgestuurd aan vrienden, dat levert ook iets zeldzaams op. De meeste vrienden hebben dat weggegooid of ergens neergelegd, en als dat dan plotseling, geniet en voddig ergens opduikt, dan is dat feitelijk zeer bijzonder.’
Hoe ga je om met de ontwikkeling van printing on demand? Hou je ook de bundels bij die uitkomen bij een internetuitgever als Gopher?
‘Nee, dat vind ik wat ver gaan. Het zou alleen interessant zijn als iets bij bijvoorbeeld Gopher verschijnt van iemand waar ik al werk van in huis heb. Maar dat is eigenlijk nog nooit gebeurd. Dichters hebben zelden de neiging om uit publicatiedrang een stapje terug te doen. Dan wachten ze liever maar even tot er weer ergens een nieuw fonds gestart wordt.’
Of ze beperken zich tot bibliofiele bundels.
‘Een aardig voorbeeld is Hans van de Waarsenburg. Die begon bij een grote uitgeverij en kreeg op een gegeven moment te horen dat hij daar niet meer uitgegeven zou worden. Je ziet dan een periode aanbreken van meer bibliofiel werk, vaak hele mooie uitgaven, en intussen is hij nu bij de Wereldbibliotheek terechtgekomen. Dat is mooi: als je een heel oeuvre van een dichter bijeen hebt, zie je de tocht die zijn poëzie maakt. Dat kan bij het poëziecentrum.’
Spiegel je je aan het meest bekende poëziecentrum, in Gent?
‘Ik ken Willy Tibergien wel, maar heb met hem eigenlijk alleen de normale contacten die ik vroeger ook had. Ik kwam er al lang als consument en heb nog steeds goed contact met Gent, maar dat is het. Ik streef er niet naar hun goede werk nog eens dunnetjes over te doen.’
Geen uitwisseling van database bijvoorbeeld?
‘Nee. Daar hebben we het eigenlijk ook nooit over gehad. Misschien dat het er ooit nog van komt, maar Gent doet méér dan ik. Wat ik met het poëziecentrum nastreef, moet iets zijn wat er in Nederland niet is, of wat moeilijk te realiseren is. Ik ga ervan uit dat je in het Letterkundig Museum véél meer informatie kunt vinden dan bij mij. Maar om toegang te krijgen tot al dat materiaal moet je meer moeite doen. Bij mij kun je heel gericht iets vinden, een vraag stellen waar je redelijk snel antwoord op krijgt. En als je materiaal nodig hebt, dan ligt het er een paar minuten later.’
Als je het tenminste in je collectie hebt zitten.
‘Een hele voorzichtige schatting: ik denk dat er per jaar tussen de achthonderd en tweeduizend bundels verschijnen, misschien nog wel meer. Dat hou je nooit bij. Net als bij het schrijven zelf, loop je altijd achter het ideaal aan. Op een gegeven moment kwam ik van iemand voor het eerst een plano tegen. De eerste plano die je tegenkomt is een eye-opener: één velletje met een gedicht, zou dat vaker gebeuren… En dan kom je er achter dat er een drukker of uitgever is die dat regelmatig doet, dat er dus nog een hele wereld vol plano’s bestaat! En dan blijkt de wereld plotseling vol van bibliofiele drukkers te zijn… Dat is een enorme frustratie. Een lekker pijnlijke frustratie: er is héél véél. En dan laat ik de uitgaven van vertalingen in het buitenland nog buiten beschouwing!’
Dus je richt je ook nog op buitenlandse uitgaven van Nederlandse poëzie in vertaling?
‘Er zijn zo verschrikkelijk veel gekke uitgaven waar je min of meer toevallig op kunt stuiten. Via een regionaal krantje in Winterswijk vond ik bijvoorbeeld Gerrit Komrij in het Georgisch. Heerlijk: ik snap niets van dat Cyrillisch schrift, maar als object is het toch schitterend! Of er blijkt in Zweden een uitgever tal van Nederlandse dichters in mooie kleine boekjes uit te geven. Het moet wel betaalbaar blijven natuurlijk. Het poëziecentrum kost me al best een hoop geld en het levert niets op. Van iemand die er gebruik van maakt, krijg ik ook liever een mooi boekje dan geld.’
Ik kwam het poëziecentrum voor het eerst tegen op Rottend Staal, in een oproep aan dichters om materiaal of minstens informatie aan te leveren. Krijg je daar veel reacties op?
‘Nee, niet veel, maar dát er reacties zijn, vind ik het belangrijkst. Ik heb onder meer van Arjen Duinker een reactie gehad, die ook een aantal buitenlandse bundeltjes heeft. Ik heb nu zijn Franse vertaling, en zijn Italiaanse vertaling, alleen die Portugese uitgever van hem wil maar niet reageren. Maar dat zijn wel de leuke dingen: ook al lees ik bijna geen Italiaans, het gaat mij erom dat een bezoeker het kan vinden. Hetzelfde geldt voor vertaalde dichters als Kouwenaar, Kopland, Faverey: ook die buitenlandse uitgaven geven een beeld van de ontwikkeling en ontvangst van een dichter.’
Nu zit je middenin de verhuizing van het poëziecentrum naar Bredevoort Boekenstad.
‘Eind september met de boel zo’n beetje over zijn. Dus half oktober hoop ik er ingericht te zijn. Ik mag tenminste hopen dat het inrichten minder tijd kost dan het inpakken, uitruimen en verhuizen. Ik woonde eerst in Geffen, ben in 2001 verhuisd naar de Achterhoek, dichtbij Bredevoort. Ik verhuis het poëziecentrum nu pas omdat het in Geffen prima stond en het daar nog gekoppeld was aan mijn bureau !nderdaad. Dat zit daar nog steeds. Eigenlijk heb je binnen de bedrijfsopleiding niet zo gek veel nodig: computer, bureau, telefoon, fax, kopieerapparaat, dat is genoeg. En zelfs dat kopieerapparaat is niet echt noodzakelijk.’
Dus mogelijk verhuis je dat ook naar Bredevoort?
‘Ja, want omgekeerd is het begonnen. Ik had de poëzie in mijn garage, die werd te klein voor al die boeken. En het werd drukker met de opleidingen, dus toen ben ik een kantoorpand gaan huren. Als ik heel eerlijk ben, was dat kantoorpand eigenlijk vooral bedoeld om een goed onderdak voor de poëzie te bieden, eerder dan voor de bedrijfsopleidingen.’
Intussen heb je hoge verwachtingen van de vestiging van het poëziecentrum in Bredevoort.
‘Ik ga ervan uit dat ik in Bredevoort, vanwege de aanwezigheid van meer boeken, antiquariaten, een andere cultuur aantref dan in Geffen. Het was wel mooi om in Geffen te zitten, als vreemde eend in de bijt, in een boerendorp aan een klein industrieterreintje. In Bredevoort hoop ik wat makkelijker mensen te treffen die zin hebben om hun tijd te besteden aan en in het poëziecentrum. Ook wil ik er meer evenementen en workshops met of over dichters organiseren.’
Begeven de opleidingen van !nderdaad zich eigenlijk ook op het gebied van de poëzie?
‘Het zijn communicatietrainingen, managementvaardigheden, daar ligt de enige overeenkomst: het is ook taal. Maar ik geef geen trainingen waarbij poëzie op het program staat. Wel voorzie ik mijn facturen op de achterkant altijd van een gedicht. Ik vind het leuk om poëzie aan te treffen op onverwachte plaatsen. Ergens bij een bedrijf, in een stoffig archief, gaat op verzoek van de belastingdienst een accountant aan het werk. Hij bladert door oude facturen, en plotseling slaat hij een factuur om en wordt hij met een gedicht geconfronteerd… Eén keer heb ik een aantal factuurgedichten gebundeld, als afscheidscadeautje toen een van onze opdrachtgevers bij zijn bedrijf vertrok. Dat is dan natuurlijk een prachtig unicum! Nou ja, unicum, vanzelfsprekend maakte ik ook een exemplaar voor mezelf.’
Op welk punt veranderde je van bezitter van een indrukwekkende boekenkast in beheerder van het poëziecentrum?
‘Het begon als een eigen verzamelingetje, een plank wordt een kast, wordt twee kasten, een tafel erbij. Het werd langzaam te mooi om niet te delen, om niet te laten zien dat het er ís. Er zijn zulke schitterende bibliofiele uitgaven, in een oplage van tien of twintig en de kans dat jij die ooit te zien krijgt, is normaal gesproken heel klein, maar bij mij kan dat dus! Daarom, lezers van Awater: het ís er, wees welkom!’
Ooit bezoekers gehad waarbij het precies uitpakte zoals je missie het wil? Of juist het tegenovergestelde?
'Ik heb wel eens schoolklassen op bezoek, dat vind ik erg belangrijk. Leerlingen die een liefde voor poëzie bij zichzelf ontdekken of ontwikkelen, krijgen daar in de regel ontzettend weinig begeleiding op. Zo’n leerling zou eigenlijk met behoud van studiepunten een dag in het poëziecentrum moeten kunnen rondneuzen. Negatieve ervaringen heb ik gelukkig nog niet opgedaan. Wel heb ik eens iemand gehad die een paar gedichten van Hans Andreus heel mooi vond, en daar meer over wilde weten. Toen hij geconfronteerd werd met het hele oeuvre van Andreus en erachter kwam dat lang niet alles even goed was, sloeg hij om. Uiteindelijk wilde hij niets meer van hem lezen. Vind ik niet erg, ook dat maakt immers deel uit van iemands ontwikkeling.’
Vanaf medio oktober 2005 is het poëziecentrum onder de naam Poëziecentrum Nederland gevestigd in Bredevoort Boekenstad; Boek op 't Zand 25, 7126 BG Bredevoort. Bel of mail gerust voor een afspraak: 06-53856040 / poeziecentrum@planet.nl.
© Thomas Möhlmann, 2005. Eerder in min of meer gelijke woorden afgedrukt als twaalfde aflevering van de interviewreeks ‘Wat bezielt’, in: Poëzietijdschrift Awater, najaar 2005, jaargang 4, nummer 3, pp. 17-19.
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Geplaatst door: Karikotis | 21-9-07 om 11:36
Hello!
On what a cursor operates this forum works? I want to make WWW project about to useful meal and to make for a Web project a this script.
How to do search necessary?
I am necessary wish to find http://joanbender.freehostyou.com/afff99/scancat-gold.html
but I do not know as to do it.
I require your answer.
Geplaatst door: Pymnintilky | 7-2-08 om 0:43
spam spam spam
maar "useful meal" is wel geestig
Geplaatst door: Adriaan Krabbendam | 8-2-08 om 0:32