Voor wie het boek nog niet gelezen heeft: Thomas Vaessens stelt in Ongerijmd succes vast dat de wereld van de literatuur momenteel grondige verbouwingen ondergaat. Hij neemt waar dat het monopolie dat de zogenaamde ‘traditierijke literaire uitgeverijen’ claimden op de Nederlandse literatuur niet langer houdbaar is. Tot aan het einde van de vorige eeuw was het voor schrijvers en dichters zaak om zich een weg te banen naar deze gerenommeerde uitgeverijen die, zo schrijft Vaessens, ‘het centrum van de literatuur’ vormden. Rond dat centrum verzamelden zich de critici van de vaderlandse kwaliteitskranten om te doen wat er van hen verwacht werd: boeken recenseren. De vignetten van deze hoogliteraire huizen waren gaan gelden als kwaliteitskeurmerk. Literatuur zonder een dergelijk keurmerk kon a-priori niks wezen. Dat wisten de critici. Dat wist het publiek.
De meeste van deze traditierijke literaire uitgeverijen gingen er steeds vanuit dat zij het waren die de nieuwe avant-gardes presenteerden en tijdenlang leek het erop dat ze daartoe in staat waren. Totdat er in de jaren negentig van de vorige eeuw steeds meer ambitieuze schrijvers en dichters kwamen die hen links lieten liggen en hun werk via andere wegen bij het publiek brachten. Ze weken uit naar relatief nieuwe uitgeverijen, brachten zelf literaire tijdschriften uit, kozen voor literaire festivals als uitvalsbasis of gingen gebruik maken van het internet. Veel van deze aanstormende schrijvers en dichters gaven te kennen dat ze het traditionele literaire bestel erg saai vonden en dat ze er geen verwantschap mee voelden. Inhoudelijk bleken zij wars te zijn van wat zij noemden de hermetische, publieksonvriendelijke, experimentele etc. etc. teksten die ervoor gezorgd hadden dat er nog maar een handjevol mensen interesse kon opbrengen voor literatuur.
Vanuit de traditionele hoek kwam reactie. Ilja Leonard Pfeijffer, uitgegeven bij een traditierijk hoogliterair uitgevershuis (De Arbeiderspers), tegenwoordig criticus bij een traditionele kwaliteitskrant (NRC-handelsblad) en als dichter voornamelijk bezig met de avant-garde van de jaren vijftig, schreef het artikel 'De mythe van de Verstaanbaarheid' (Bzzlletin 274, 2000b, p. 74-87). Daarin veegt hij voor eens en voor altijd de vloer aan met al die dichters die niet meer van plan waren de traditionele rechte weg te bewandelen. Hij schrijft in dit artikel: ‘Vroeger ging het zo. Je werd puber, was vervuld van minachting voor de kortzichtigheid van je ouders en haat jegens de kale koopman die je buurman was en die je ontwikkeling als vrij denkend kunstenaar fnuikte door op de muren te bonzen als je piano speelde. Onbegrepen en overtuigd van het onbenul van deze wereld trok je je terug in je veste om Roland Holst te lezen en het duurde niet lang totdat je met hartenbloed verzen ging wrochten. Je stuurde er af en toe een op naar Maatstaf of De Gids en, hoewel je je oordeel over de geestelijke armoede van dit tijdsgewricht bevestigd zag, liet je je door de standaard afwijzingsbrieven niet ontmoedigen. En toen brak de dag aan van je kosmische triomf. Er werd een gedicht van je geplaatst in De Revisor. Vele jaren en afwijzingen later werden er wederom drie gedichten opgenomen in een belangrijk tijdschrift. En deze keer bleef het niet onopgemerkt. De Uitgever nam contact met je op. Je eerste bundel werd uitgegeven. Je was dichter.’ Vervolgens legt hij uit dat de weg van de dralende puber naar Maatstaf, De Gids, het belangrijke tijdschrift De Revisor en tot slot De Uitgever, nog steeds de enige juiste is. Al die nieuwlichters die van deze weg afdwalen moeten volgens hem niet serieus genomen worden. Het zijn podiumdichters en hun werk is podiumpoëzie. En podiumpoëzie is slecht.
Pfeijffers Morrisiaanse staaltje van territoriumafbakening was het eerste voorbeeld van hoe de traditionele literaire wereld omging met de veranderingen die op stapel stonden. De woorden ‘podiumdichter’ en ‘podiumpoëzie’ werden zelfs een begrip. Dichters die zich van geen kwaad bewust waren, konden van de ene dag op de andere gebeld worden met de vraag of ze als podiumdichter ergens een voordracht wilden gaan houden, naast een dichter die niet als podiumdichter bekend stond, opdat het publiek zelf ook eens kon horen dat teksten van podiumdichters inderdaad veel slechter waren dan teksten van ‘gewone’ dichters.
Pfeijffer heeft zich inmiddels van zijn artikel gedistantieerd omdat ook hem duidelijk geworden is dat zijn tweestromenland van goed en kwaad een gedroomd land blijkt te zijn. Thomas Vaessens is duidelijk minder territoriaal geënt en doet in zijn boek een aanmerkelijk betere poging om het Nederlandse literaire landschap in kaart te brengen. Hij stelt dat het literaire centrum van traditierijke literaire uitgeverijen met aanhangige critici steeds meer verdrongen wordt door wat Vaessens noemt literaire communities die zelf bepalen wat zij goed of slecht vinden. Nieuwe uitgeverijen, tijdschriften, websites, festivals vormen de kernen van dit soort communities. Zij hebben er de afgelopen jaren voor gezorgd dat er behoorlijk wat leven in de literaire brouwerij kwam en wisten dat jonge publiek op de been te brengen dat volgens de traditierijke literaire uitgeverijen en aanhangige critici had afgehaakt omdat het niet meer wilde of kon lezen (het woord ‘ontlezing’ raakte in zwang). De bekende vignetten spelen in deze communities een veel kleinere rol dan we gewend waren. De critici die hier aandacht aan besteden (en dat zijn zo meldt Vaessens nog steeds niet de critici van de kwaliteitskranten; zelfs naar de Nacht van de poëzie wordt nog immer een verslaggever gestuurd) staan open voor al het nieuwe dat ze voor de kiezen krijgen. En dat is lang niet altijd bagger, zoals Pfeijffer en de zijnen graag hadden gewild.
Vaessens verhaal is heel aannemelijk. Mede natuurlijk doordat met de komst van de pc en vervolgens internet het aloude uitgeversapparaat van vlak na de Tweede Wereldoorlog inmiddels hopeloos is verouderd. Wie nu de dertig gepasseerd is en er nog mee is opgegroeid ziet het vaak nog niet als een bijzonder omslachtig en kostbaar systeem, maar voor de aanstormende schrijvers en dichters die op dit moment in de banken van middelbare scholen zitten te oefenen, is het natuurlijk ondenkbaar dat ze om professional te kunnen worden de overstap moeten maken van hun literaire websites en weblogs naar jawel… de drukpers (Dat riekt al gauw naar de oude ambachten zoals wij dertigplussers die nog kennen van de Zuidlaardermarkt, de Waag te Alkmaar en de kippenmarkt van Waddinxveen), om vervolgens mee te maken hoe 80% van de geproduceerde boeken weer wordt verramsjt zoniet versnipperd in een van die versnipperfabrieken waarin miljoenen euro’s per jaar verdiend worden met het recyclen van literair papier. (Wat moeten de jongelui van nu dan met die lessen maatschappijleer waarin hen verteld wordt dat we zuinig moeten omgaan met het milieu?) Natuurlijk blijft de romantiek van het papier bestaan en zitten we over vijftig jaar ook nog lekker in een hoekje met een boekje, maar als die kids van nu minimaal zes weken moeten wachten op een afwijzing van een groep grijze meneren uit Amsterdam die zegt dat hun vignet het beste is, dan hebben ze heel snel zelf een logo in elkaar geflanst. En boeken in boekhandels? Boeken verkoop en koop je toch via het internet? Daar zoekt het toekomstige publiek, want daar is het aanbod volledig en zijn de prijzen lager.
Het zijn die aanstormende schrijvers en dichters die op dit moment in de banken op middelbare scholen zitten te oefenen, die over tien jaar het literaire landschap gaan bepalen. We zien de eerste contouren ontstaan. Thomas Vaessens brengt ze in beeld. Helaas weet ook hij in zijn boek zich nog niet helemaal te ontworstelen aan de territoriumstrijd van het oude literaire centrum, maar dat kan er ook mee te maken hebben dat hij daar zelf ostentatief in figureert als hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Desalniettemin weet hij in Ongerijmd succes een heel aardig beeld te schetsen van waar het in de Nederlandse literatuur naartoe lijkt te gaan: dat het er niet minder vrolijk op zal worden hoeft geen betoog, dat poëzie ondertussen en desondanks altijd een ernstige zaak zal blijven ook niet.
© Ronald Ohlsen, 2006
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Ja, precies. En Tom van 't Hof had van dergelijks vorig jaar al melding gemaakt:
http://decontrabas.typepad.com/dekleinezaal/2005/08/verdwijnende_in.html
Geplaatst door: Ruben van Gogh | 24-6-06 om 17:12