Enkele weken geleden las ik in de Vlaamse kranten De Morgen en De Standaard dat Vlaams minister van cultuur Bert Anciaux met de stad Gent een convenant voor een nieuw cultuurcentrum heeft getekend. Dat cultuurspreidend centrum moet als intermediair fungeren tussen allerlei socio-culturele projecten en organisaties. Naar verluidt bij gebrek aan een écht cultuurcentrum in Gent. Zonder twijfel is dit een vaag geformuleerde, idealistische compensatie voor het misgelopen muziekforum in Gent. En dat terwijl natuurlijk ook Antwerpen en de Vlaamse gemeenschapscommissie in Brussel zo'n overeenkomst hebben verkregen.
Opmerkelijk is, naast deze politieke beslissing en de investering in wat gemeenzaam meer 'cultuurspreiding' heet, de keuze voor een nieuw cultuurcentrum. Centra en huizen tieren welig dezer dagen. De vraag is of er nu echt nog iets nieuws nodig is, dat als overlegstructuur moet dienst doen. Zitten die niet-bestaande cultuurcentra in Gent daar echt op de wachten? Cultuur moet blijkbaar alsmaar meer worden gecentraliseerd opdat de spreiding ervan optimaal resultaat zou opleveren. Centra moet elkaar versterken en met elkaar in overleg treden door de oprichting van een centrum. Centra in het kwadraat. Een lege doos, veel geld voor weinig meerwaarde. Maar wel met een nieuwe bestuursfunctie, die de politiek naar eigen goeddunken mag invullen.
Het is alle lezers van deze weblog natuurlijk bekend: in Gent huist sinds begin jaren tachtig een poëziecentrum. Opvallend, naast de klemtoon op weer eens dat 'centrum', is de anachronistische, misschien wel contraproductieve samenstelling van de verenigingsnaam. Maar in dit geval dekt de vlag de lading. Ik heb daar enkele maanden al op gewezen in enkele afleveringen van de tekst ‘Poëzie uitgeven in Vlaanderen’. Ik vat nog even samen en breid voor de belangstellende lezer mijn discussiepunt verder uit. Opdat de poëzie zo breed en zo laagdrempelig mogelijk moet worden verspreid, is ze in Vlaanderen ondergebracht in een cultuurspreidend centrum. Poëzie laat zich evenwel niet centraliseren, meer nog, dichters gaan er al lang vanuit dat hét centrum niet bestaat, dat het niets meer dan een zelf voorgehouden illusie is. Dat er niet zoiets als een centrale en dus - die implicatie ligt er voor sommigen in bestorven - algemeen aanvaarde waarheidsgedachte is, een 'schoon geheim' van de poëzie.
Dichters hebben geen nood aan een centrum, ook niet in de institutionele zin van het woord. Elke verenigingsgedachte is hen per definitie vreemd. En trouwens, waar ligt dat centrum? Toch niet in Gent. Een idee die de revue passeerde naar aanleiding van de weblogdiscussie over Thomas Vaessens’ Ongerijmd succes.
Het Fonds voor de Letteren (VFL) is in Vlaanderen verantwoordelijk voor de uittekening en de ondersteuning van een letterenbeleid. Voor dat beleid doet het onder meer een beroep op drie ‘focuspunten’, dat wil zeggen professionele verenigingen die zich richten op respectievelijk manifestaties (Het Beschrijf), kinder- en jeugdliteratuur (Villa Kakelbont) en poëzie (Poëziecentrum). Vroeger zat ook Behoud de begeerte in die poule. Dat betekent dat die verenigingen mee het letterenbeleid bepalen, een verantwoordelijkheid delen met het VFL, dat zij (mee) richting moeten geven aan een compartiment van het literair beleid, kortom dat zij als 'bruggenhoofd met het literaire veld' fungeren. En dat het VFL daar dus (relatief) veel gemeenschapsgeld voor veil heeft. Gezien die procentueel forse geldbesteding dragen zowel VFL als focuspunten een niet te miskennen verantwoordelijkheid.
Wat de uitbesteding van een poëziebeleid voor Vlaanderen betreft, in zoverre een beleidsplan voor de poëzie al mogelijk, wenselijk of haalbaar zou zijn, draagt dus ook het poëziecentrum een gedelegeerde verantwoordelijkheid (ten aanzien van VFL en de vele spelers van dat literaire veld). Dat is het verplicht ten aanzien van eenieder die met poëzie begaan is, in het ideale scenario dus elke belastingbetaler.
Een focuspunt voert een betoelaagd beleid, het heeft een visie, het is zich bewust van de impulsen die het kan geven aan de ontwikkeling, de bekendheid en de beeldvorming van literatuur.
Poëziecentrum poogt door allerlei initiatieven en het opzetten van samenwerkingsverbanden met andere organisaties die rol van intermediair op zich te nemen. Alleen, het neemt die opdracht waar zonder een duidelijke beleidsvisie. Althans, ze is mij nooit echt duidelijk geworden. Als het maar poëzie is, van non-book en digitale poëzie tot de klassieke dichtbundels, maar dan meestal een ‘laagdrempelige’, gepopulariseerde doorslag van de veelheid die poëzie kan betekenen.
Ansichtkaart-poëzie. Die keuze voor de op ontroering en inleving gerichte middelmaat, voor het herkenbare, ligt natuurlijk bestorven in de naamgeving van de vereniging. Niet de marge, niet het verstorende of non-conformistische komt er aan bod, wel de grootste gemene deler, poëzie verdund als opsmuk voor een goedertieren bestaan. Erwin Mortier, de huidige Gentse stadsdichter, noemde die mentaliteit wel eens 'gezelligheidsfascisme'. Eufemistisch klinkt dat als gemakzucht, een gebrek aan lef, geen beleidsvisie. Maar dus vooral geen artistieke durf, en in dit concrete geval zeker géén belangeloze inzet voor de spreiding van poëzie in haar veelvoud. Poëzie is natuurlijk méér dan de platitude die Gedichtendag, Poëziecentrum en de media ons altijd weer voorspiegelen.
Het Poëziecentrum kreeg statutair een taak opgelegd: het zou een informatie-, documentatie- en studiecentrum (inclusief bibliotheek) voor Nederlandstalige poëzie en anderstalige poëzie in Nederlandse vertaling zijn. Hier en alleen op dit punt situeert zich zijn meerwaarde voor het literaire landschap, voor de belangstellende die documentatie zoekt over poëzie. In de loop der jaren heeft het echter steeds meer taken op zich genomen: de uitgave van dichtbundels en bloemlezingen (naast Poëziekrant), de organisatie van manifestaties, de uitstippeling van een poëzieroute, de aanstelling van de Gentse stadsdichter. Taken die niet tot de core business van het poëziehuis behoren, maar die het met gretigheid wel tracht te monopoliseren, waarmee het publiek wil werven. Onlangs las ik het nog in een krantenbericht ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van De Brakke Grond: je kan alles willen doen zodat je uiteindelijk niets doet.
Poëziecentrum stuurt een beperkt, bijwijlen anachronistisch beeld van poëzie de wereld in en het doet alsof er zoveel niet eens bestaat. Met name datgene wat ontregelend en problematiserend werkt, met name de discussie die het poëzieklimaat een dynamiek verleent. Een discussie die ook niet in academische kringen wordt gevoerd, niet op radio, televisie of in de kranten. Zelfs niet in de tijdschriften en maar zeer gedeeltelijk op weblogs. Er wacht Poëziecentrum een taak die het niet kan of niet wil op zich nemen. En dat is bijzonder jammer.
Als Poëziecentrum de eigen ambities wil uitbreiden, en begaan is met de veelvormige verschijningsvorm van hedendaagse poëzie, is het dus betreurenswaardig dat het geen discussie over (velerlei facetten van) poëzie mogelijk maakt. Dat het vanuit die veilige (of risicoloze) centrumgedachte alleen kiest voor de weinig zeggende middelmaat. Naar het voorbeeld van gelijkaardige organisaties in het buitenland (zoals Perdu in Amsterdam) zou het als denktank kunnen fungeren, en discussies over bijvoorbeeld de relevantie van poëzie in onze werkelijkheidbeleving kunnen stimuleren. Het zou uit zijn gesloten toren aan de Gentse Vrijdagmarkt kunnen komen, waar het zich verschanst achter een façade van kleinburgerlijke genoegzaamheid, en projecten rond het lezen van poëzie kunnen opzetten. En dus niet alleen om de vlag uit te hangen en een paar boekpresentaties te organiseren.
Zoals Dirk van Bastelaere recent in Knack nog opmerkte: het zou door didactische projecten jongeren anders kunnen leren lezen, niet op bevestiging gericht, maar op het andere, het vreemde, wat net buiten het al te vertrouwde ligt en ons door pregnante vragen met onszelf, met ons wereldbeeld en dus ook met de anderen en hun wereldbeelden confronteert. Wanneer neemt het poëziecentrum bijvoorbeeld geen initiatief met als bedoeling de ‘allochtone’ stem te laten horen, waarom moet het altijd zo belegen en duf zijn, en het romantische cliché van dé Vlaamse poëzie bevestigen? In plaats van steevast te opteren voor een clichébeeld van wat poëzie zou kunnen zijn, zou het de huidige stand van de poëzie en haar kritiek meer kunnen bevragen. Het kan als discussieforum een belangwekkende rol spelen in de bekendmaking van de veelheid die poëzie is.
Samengevat: een vraagbaak, een denktank, een forum voor een levendige gedachtewisseling, voor maatschappelijke discussie. Maar het is geen van deze mijns inziens aantrekkelijke mogelijkheden. Als literaire institutie zou het haast vanzelf het nodige gezag of een voortrekkersrol verwerven in ons taalgebied. Maar het blijft dat sympathieke poëziehuis aan de samenvloeiing van Schelde en Leie, thans residerend in de schaduw van Jacob van Artevelde, begeesterd door een zelfverklaard goedgelovig missionaris van de poëzie.
Die keuze voor de luwte, en de zelfgenoegzaamheid van de eigen confessie, is niet alleen verankerd in de naamgeving maar zoals gezegd ook in de beleidsvisie.
Als die nieuwe Gentse convenant van Bert Anciaux gericht is op de samenwerking van cultuur- en gemeenschapscentra, dan hoop ik dat de intermediaire structuur vooral beleidsvisies met elkaar wil confronteren. En er dus geen smaakloze eenheidsworst te voorschijn komt. Dat er op zijn minst ook een beleid wordt gevoerd dat stimulerend is, dat dus dynamiek vertoont, dat zichzelf ook wel eens ter discussie durft te stellen. En dat vooral ontvankelijk is voor kritiek, en daar weet mee om te gaan op een opbouwende wijze. De huidige bestuursploeg van Poëziecentrum heeft hier nog veel te leren. Het is nu wachten tot 2009, en dan kan het poëziehuis nieuwe einders verkennen, nieuwe uitdagingen aangaan, en mogelijk een van de vermelde opties waarmaken.
Literatuur als cultureel fenomeen is méér dan een bevestiging van een algemeen aanvaard, in zichzelf verzonken maatschappelijk discours, een discours dat we ook met die ideologische (conservatieve) centrumgedachte kunnen verbinden. Hopelijk wordt het de volgende jaren een forum voor kritische vragen, voor brede maatschappelijke discussies, waarin literatuur meer dan een (zelf)legitimerende of ornamentele rol te vervullen heeft. Misschien moet het Poëziecentrum, als een van de VFL-focuspunten, meer vragen stellen, uit zijn toren afdalen en dichters, critici, lezers, ongeacht of ze zogenaamd 'autochtoon' of 'allochtoon' zijn, met hun zelfbeeld en werkelijkheidservaring confronteren. Maar daarvoor is een voor alle partijen relevante beleidsvisie nodig. Een die op diversiteit en overleg is gericht, en niet op het eigen grote gelijk. Of op de idee dat de kerk hoe dan ook altijd ergens in het midden moet liggen.
Een bondige samenvatting van deze beschouwing wordt binnenkort gepubliceerd in de Vlaamse krant De Morgen. De bevindingen en kritische commentaren waarop het opiniestuk is gebaseerd, zijn uitgeschreven in het uitvoerige essay dat vanaf volgende week op De Contrabas kan worden gelezen.
Met dank voor de suggesties aan alle beleidsverantwoordelijken, subsidiënten, dichters en critici die deze opiniebijdrage en het essay vooraf hebben becommentarieerd.
© Yves T’Sjoen
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Sinds ik vanochtend dit stukje las, krijg ik het woord “cultuurspreiding” niet meer uit mijn hoofd.
De ambtenaar die belast wordt met deze taak zie ik voor me als een in keurig kostuum gestoken heerschap die ter verfraaiing een artistiek sjaaltje draagt. Hij heeft het maar druk met het verspreiden van cultuur: Een paar schilderijtjes in het oosten van Gent, wat poëzie in het westen en misschien nog een mooi muziekstuk in het zuiden. Mocht hij onverhoopt echter ergens een te grote opeenhoping van cultuur aantreffen, zal hij niet aarzelen en tot onmiddellijke verspreiding overgaan.
Geplaatst door: Irene | 22-6-06 om 14:49
@ Irene
Ter verduidelijking: wat onze Vlaamse "beleidsverantwoordelijken" à la Anciaux, Leterme of Bourgeois onder cultuur verstaan is niet wat u er onder verstaat.
"Cultuurspreiding" is dus: een optreden van Kate Ryan of Laura Lynn hier, een Vlaams zangfeest daar en een horde vendelzwaaiers aan de horizon. Daarom heeft Gent een ècht cultuurcentrum nodig, niet zo'n elitaire ivoren torens als Vooruit, SMAK, Logos, KaG, Victoria enz. Ziet u het prentje?
Geplaatst door: marcel raman | 23-6-06 om 8:52
@ Marcel
Dank u voor de verduidelijking, zo zie je maar weer dat ik slecht op de hoogte ben van wat de beleidsverantwoordelijken in Vlaanderen onder cultuur verstaan.
Ik zie nu niet slechts het prentje, ik zie een heel stripverhaal.
Geplaatst door: Irene | 23-6-06 om 12:44