Onlangs publiceerde Hans Vandevoorde zijn uitputtende studie De Spiegel van Achilleus, waarover ik hier al iets wist te berichten. Zijn boek is waarlijk adembenemend. Reden genoeg om vanavond met de auto naar Gent te rijden (waarom was het overal zo verschrikkelijk rustig?) en Hans aan de tand te voelen. Ik mocht op de rookstoel zitten, die Hans heeft gekregen van een van de dankbare nazaten van de overleden Van de Woestijne; een rookstoel waarop de dichter menig avond voor zich uit heeft zitten staren, en roken. Hier volgt het verslag van onze wederzijdse overpeinzingen.
CB: Hans, waarom toch Karel van de Woestijne onderwerp gemaakt van een zo uitputtende studie? Van de Woestijne is nu niet bepaald een dichter die in het brandpunt van de poëtische belangstelling staat.
HvdV: Dat Karel van de Woestijne aan eerherstel toe is, zal duidelijk zijn. De laatste studie van enige omvang dateert uit de jaren zeventig. Van de Woestijne is in mijn ogen, vooral door zijn late werk een dichter die dringend in de lijn moet worden geplaatst van Europese grootheden als Yeats en Rilke. In zijn werk klopt voor mij nog altijd een ritme dat over de tijd heen, over de soms ingewikkelde zinnen en archaïsmen heen, een dichter verraadt voor wie het dichten een natuurlijke functie was. Ik ken geen dichter van wie de gedichten zo vergroeid zijn met een adem (mijn adem als ik hem lees), zo lijfelijk zijn. Kortom: hij is een echt ‘dichterdier’ zoals Nijhoff hem noemde.
CB: Maar dan blijft de vraag: waarom?
HvdV: Aan de basis van mijn Van de Woestijne-studie ligt vanzelfsprekend een fascinatie voor de figuur, zijn tijd en het werk. Vroeger, toen ik nog gehersenspoeld was door het idee dat je op de universiteit meekreeg dat je een gedicht alleen maar als gedicht mocht benaderen, zwolg ik in zijn werk zoals ik mij nu wentel in barokmuziek van Caldara of Scarlatti. Sindsdien ben ik ook mateloos geboeid door zijn ambivalente persoonlijkheid en de manier waarop hij reageerde op zijn tijd. Dat zit al voor een deel in dit boek, maar het is toch eerst en vooral een nieuwe lezing van zijn werk. Zijn poëzie en zijn proza bulken van allegorieën, lang volgehouden beelden, zoals je die ook bijvoorbeeld bij Gorter in zijn Mei vindt. En zijn proza bulkt van de allegorische personificaties, bijvoorbeeld in het nog steeds – althans van naam - bekende De boer die sterft.
CB: Daar ben ik zeer benieuwd naar, naar de benaderingswijze vanuit de allegorie. Heb je daar expres voor gekozen, bij wijze van stellingname?
HvdV: De invalshoek van de allegorie is toevallig en niet. Aan het einde van de jaren tachtig dacht ik aan postmoderne theorievorming te moeten doen, als een soort Rodenko’tje in zakformaat de dichters te moeten begeleiden die ik in het tijdschrift Yang samenbracht.
CB: Foei toch. Maar... ga verder.
HvdV: We hadden toen een leesatelier over het in die tijd modieuze onderwerp van de allegorie. Het enige wat ik aan dat leesclubje overgehouden heb is een dégout van postmoderne theorieën en een vrouw met wie ik getrouwd ben. We lazen de allegoriegoeroes Paul de Man en Walter Benjamin, maar ook studies die vanuit de theorie over metaforen vertrokken. Ik werd daar heel confuus van. Het heeft me jaren gekost om uit die verwarring te geraken, die nog toenam naarmate ik steeds meer over middeleeuwse of zeventiende-eeuwse allegorie las.
CB: Hoe komt een mens een dergelijke crisis te boven?
HvdV: Op den duur begreep ik dat er een enorme spraakverwarring bestaat tussen (allegorische) personificaties en allegorieën die uitgewerkte metaforen zijn. De modieuze moderne theorieën zijn afgeleid van theorieën uit de tijd van de romantiek, die ontstaan waren uit een afkeer van de als ouderwets bevonden personificaties. Ik merkte dat theorieën waarin ik iets mee kon aanvangen van de oude retoriek afgeleid waren, die sindsdien onder meer door de Quintilianus-vertaling van Gerbrandy ook bij ons is gerehabiliteerd. Ik heb dan geprobeerd om een eigen kader te ontwikkelen waarin ik die oude retoriek en de hedendaagse metafooropvattingen kon stoppen, waarin ik ook allegorie, personificatie en symbool ten opzichte van elkaar kon scherpstellen en genres als fabel en parabel een plaats kon geven.
CB: Deze zaken heb je in een boek over de allegorie bij Van de Woestijne gestopt. Ben je niet bang dat dit een te specifiek onderwerp is, en dat het boek nu alleen zal worden gelezen door een handvol kenners en door het gealfabetiseerde deel van de huidige redactie van Yang?
HvdV: De Spiegel is misschien in de ogen van sommigen een geleerd boek door de specifieke invalshoek van de allegorie,maar het is toch ook een soort summa, een encyclopedie, die door iedereen geraadpleegd kan worden die met de dichter Van de Woestijne, het fin de siècle in België en Nederland en de negentiende eeuw begaan is. Omdat ik aantoon dat tijdens de ‘lange’ negentiende eeuw de allegorie overal en door iedereen werd veroordeeld, terwijl het in de praktijk wemelt van de allegorieën. Kijk maar naar Baudelaire. Bovendien is het in mijn ogen een boek dat ook zijn betekenis kan hebben voor mensen die niet met literatuur bezig zijn. De theorie is immers behalve op de zeventiende-eeuwse literatuur ook toepasbaar op de zestiende-eeuwse renaissancekunst, of behalve op de middeleeuwse literatuur ook op de negentiende-eeuwse retrostijlen.
CB: Juist ja. Iets anders. Als je de naam Van de Woestijne tegenwoordig laat vallen, zijn er misschien tien mensen die weten dat het een dichter was, en van die tien denken er acht dat hij een weke, decadente, woordgeile fat was. Zelf vind ik hem wel een groot dichter, maar om nu te zeggen dat hij het tij mee heeft...
HvdV: Ik wilde met mijn boek een aantal mythes over de Gentse dichter doorprikken. Een van de voornaamste correcties is dat Van de Woestijne helemaal niet zo’n decadente en eenzelvige dichter is als het kaft van mijn boek andermaal suggereert. We wisten al uit zijn journalistieke kronieken voor de NRCdat hij veel belangstelling had voor politiek en cultuur, maar nu heb ik ook proberen aantonen dat in zijn gedichten een vitalistische ader klopt. Ik heb de dichter tevens weggehaald uit de al te christelijke interpretaties en getoond dat er een actuelere lectuur mogelijk is. Niet de tegenstelling tussen geest en lichaam, maar die tussen bewustzijn-natuur is het centrale probleem bij Van de Woestijne. Ik heb eveneens de late, mystieke lyriek en het proza proberen herwaarderen door te laten zien hoe modern ze zijn in hun beeldspraak. En daarvoor was de allegorie, die daar ‘ontploft’ lijkt, zeer geschikt. Wat ik natuurlijk bovenal wil is dat Van de Woestijnes poëzie opnieuw gelezen wordt. En dat lezers merken hoe er over dat werk heen zoveel prachtige gedichten liggen, soms heel eenvoudige, die nooit gebloemleesd worden.
CB: Geef daar eens een voorbeeld van.
HvdV: Dit gedicht bijvoorbeeld. Ik stel me voor dat het gaat over een jong meisje dat elke dag aan het huis van de dichter voorbijkomt:
Gij draagt een schoone vlechte haar
allangs uw lage leênen…
– Het is een trage dag voorwaar
van weiflen en van weenen.
Het is een lengende avond van
Mis-troosten en mis-prijzen.
’t Is of de dag niet sterven kan
en of geen nacht kan grijzen…
– Gij gaat mijn duister huis voorbij,
verlangenloos en rechte;
ik rade uw naakte, maegre dij;
ik zie uw donkre vlechte.
CB: Heel fraai. Je ziet haar inderdaad, en als het ware, voorbij komen. In je boek analyseer je het gedicht ‘Penthesilieia’. Hoe kwam je daar bij uit?
HvdV: Oorspronkelijk wou ik ook een hoofdstuk schrijven over Karel van de Woestijne en de vrouwen. Dat onderwerp bleek echter een studie apart te vragen. Algauw kwam ik bij het lange gedicht ‘Penthesilieia’ uit, en dit om verschillende redenen. Ten eerste lijkt de man-vrouwproblematiek er centraal te staan: Penthesileia snelt met haar Amazonen de Trojanen te hulp maar wordt door de Griekse held Achilleus in een tweegevecht gedood. De versies van het verhaal in de oudheid lopen soms sterk uiteen – in een ervan wordt Achilleus zelfs van necrofilie beschuldigd -. Ook de interpretaties van Van de Woestijnes gedicht zijn soms heel uitlopend: de ene geeft een psychoanalytische interpretatie, de andere gaat uit van Van de Woestijnes vermeende bisekseksualiteit. Het gedicht bood mij ook de mogelijk om Van de Woestijnes fascinatie voor Homerus uit te werken. Ten slotte waren er de verschillen met het door Komrij vertaalde toneelstuk van Heinrich von Kleist, een auteur die ik per se wilde lezen. Er bestaat immers zo’n beetje een Gentse ‘school’, met een nu vergeten charismatische professor, Herman Uyttersprot, een van de eerste grote Kleist-, Kafka- en Van Ostaijenspecialisten in België.
CB: ‘Penthesilieia’ lijkt me een gedicht dat de gemiddelde intellectueel van toen rauw op het dak zal zijn gevallen. Wacht, ik citeer er een representatief stuk uit:
PENTHESILEIA
25.
Zij staat, het aanzicht naakt als van een kind.
En hij, hij schrikt, 'of, plots-gereze', een maan
aan hem en in zijn aangezicht komt staan:
een spiegel waar hij zich verklaard in ziet;
zijn oogen, waar de zee haar licht in liet
en deze blikken, donker als de nacht;
zijn neus, nooit van een siddering door-voerd
en déze kleine neus, van aêm ontroerd;
zijn mond-hoek, als van bitterheid door-houwd
en hare lippen, als een bloeme ontvouwd.
Hij weet dat hij heel bleek moet zijn: zij bloost.
Zijn lokken schudt een woede; zij, ze koost
van lange vingren het sluike haar
dat los-gewoeld en lenig daalt aan haar.
Hij meet zijn grootte en ziet haar kleinheid staan.
Hij heeft begrepen en ze heeft verstaan.
Zijn vuist omsluit zijn zwaard; en zij, ze ziet
in hare hand de tweede spies. Zijn heup
door-draaft het tarten van haar stillen stand.
Zij: hare spies ontvalt aan hare hand.
(1924)
HvdV: ‘Penthesileia’ lijkt een gedicht zonder enige moraal, dat dus verafstaat van de traditionele allegorie. Maar het epische gedicht is in mijn ogen geen allegorie van de verhouding tussen man en vrouw maar een allegorie van een verlangde afscheid van het leven. Penthesileia laat zich gewillig afslachten door Achilleus, ze offert zich als het ware aan hem. Haar dood is een soort verkapte zelfmoord om Achilleus te sparen. Ze herkent zich in hem immers als in een spiegel, zoals ook hij zich in haar herkent. Ik suggereer dus dat Van de Woestijne zich identificeert met haar als verpersoonlijking van de dood en van zijn overleden moeder. Om die moeder was het mij te doen, want daar verwijst ook de opdracht van het boek naar.
CB: Met De Spiegel van Achilleus heb je een bijna thrillerachtig essay geschreven. Opzet en uitwerking zijn te vergelijken met die van Van Ostaijen tot heden van Buelens. Waarom lukt het de Belgen wel om dergelijke boeken te schrijven, en blijven de Nederlandse universitair aangestelden daar voorlopig bij achter? Net als de niet-universitair aangestelde essayisten, trouwens.
HvdV: Misschien om dezelfde redenen waarom in Vlaanderen de laatste tijd wel dikke encyclopedische thrillerachtige romans geschreven worden. Omdat we niet bang moeten zijn om onze ambitie te tonen. Wil ik in 640 bladzijden een monument voor mijn moeder oprichten, dan doe ik dat, met alle opofferingen van dien. Er is geen dagbladkritiek waarvan ik bang moet zijn dat ze mij afmaait, omdat die er gewoon niet meer is. Er zit ook niemand achter mij die elk jaar bepaalt dat ik mijn status moet bevestigen door weer een essaytje van 80 bladzijden op de markt te gooien. Ik heb niet eens een status. Eind dit jaar loopt mijn project op de universiteit af en ga ik misschien nog het laatste beproeven wat ik nog niet beproefd heb: ambtenaar worden bij het ministerie, zoals Van de Woestijne.
CB: Dat geeft mij dan reden tot nog een slotvraag. Hoe zou jij de situatie in het 'essyistieke veld' omschrijven? Schuw het grote woord niet...
HvdV: Mag ik die vraag voorlopig aan mij voorbij laten gaan? Ik volg essays heel slecht. Wil ik later nog wel eens op terugkomen, als ik geen dikke boeken meer schrijf.
CB: Daar hou ik ja aan. Daar staat die luie lummels – mijn woorden, hoor; en een enkele uitzondering zeker niet te na gesproken – tegen die tijd iets fraaisch te wachten. Dank voor dit gesprek.
Hans Vandevoorde, De spiegel van Achilleus, ISBN 90 77503 277, 640 pagina's, € 39,90
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Prachtig gedicht. Gij draagt een schone vlechte haar. Dat ga ik nu eens een paar dagen voor me uit lopen fluitsteren.
Geplaatst door: koenraad goudeseune | 22-6-06 om 20:30