Wiel Kusters debuteerde in 1965, op achttienjarige leeftijd, met gedichten in het literaire tijdschrift Contour. Zijn debuut in boekvorm was Een oor aan de grond (1978). Sindsdien heeft hij een groot aantal gedichtenbundels gepubliceerd, waarvan Als kind moest ik een walvis eten (2002) en de samen met Huub Beurskens geschreven bundel In duizend kamers (2006) de meest recente zijn. Met Salamanders vangen en Het veterdiploma behoorde hij in de tweede helft van de jaren tachtig tot de vernieuwers van de poëzie voor kinderen. Hij publiceerde ook verhalen (De onweerzitting, 2000), bundels met essayistisch en kritisch proza (zoals Ik graaf, jij graaft. Aantekeningen over poëzie, 1995) en teksten voor theater (onder meer Passio diaboli, 1990, en Levend bewijs, 2005). Behalve aan een nieuwe gedichtenbundel (Zielverstand) werkt hij aan een biografie van de dichter Pierre Kemp, over wie hij al eerder publiceerde (Pierre Kemp, vroeg en laat, 1991 en Als een bezetene, maar dan veel lieflijker, 2006). Wiel Kusters is hoogleraar algemene letterkunde aan de Faculteit der Cultuurwetenschappen van de Universiteit Maastricht.
1. Met welk gedicht van uzelf zou u zich aan de lezers willen voorstellen?
Met het laatste dat ik in mijn leven geschreven zal blijken te hebben. Gesteld dat het een gedicht was dat me beviel. Omdat ik daar nog niet aan toe ben, kies ik uit Velerhande gedichten (1997):
Doodstil
Ik ging eens niet op reis,
bleef zitten in mijn stoel.
Mijn reis ging razendsnel.
Ik was nog niet vertrokken
of ik was al weer thuis.
Ik ging eens niet graag dood,
bleef zitten tot ik stierf.
Mijn dood was een soort dood.
Ik was nog niet geboren
of ik was nog steeds in leven.
2. Waarom poëzie?
Omdat poëzie antwoord geeft op nooit gestelde vragen. Nooit gestelde vragen zijn de beste.
3. Welke dichters behoren tot uw inspiratiebronnen? Zou u kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij uw eigen werk beïnvloeden?
Uit de Nederlandse poëzie: Gerrit Kouwenaar, Pierre Kemp, Jan Hanlo. Ze beïnvloeden mijn werk niet rechtstreeks, al heb ik voor mijn eerste twee bundels in technisch opzicht van Kouwenaar geleerd. Het is hun mentaliteit die me aantrekt of waarmee ik me verwant voel: Kouwenaars aardse metafysica; Kemps speelse ernst, zijn humor en zijn vermogen tot verwondering over de kleinste en ogenschijnlijk triviaalste dingen; Hanlo om de vrijheid die hij zich gunde om telkens weer anders te schrijven, de moed om vele stijlen te hanteren (er zijn van hem geen twee gedichten die op elkaar lijken).
4. Welk gedicht van een andere dichter zou u in de online bloemlezing der Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Dit gedicht van Pierre Kemp, uit 1929:
Uitbundigheid
Met korven om manen in te vangen,
met bussen vol gezangen,
met potten om lichten in te drogen
reis ik langs de ogen van het land.
Met dozen zonnen,
met klanken in tonnen
en glazen gedichten in iedere dwaze hand.
Waar ik mijn armen ook rek,
ik ben overal gek.
© Interview: Arnoud van Adrichem
© Foto: Tanneke Janssen
Lenze L. Bouwers
Reine de Pelseneer
Jabik Veenbaas
Hans van Willigenburg
Peter Swanborn
Leo Herberghs
Ton van 't Hof
Ton van Reen
Joris Miedema
Peter Drehmanns
Lammert Voos
Frits Criens
Rik Andreae
Jabik Veenbaas
Sacha Blé
Bernhard Christiansen
Delphine Lecompte
André van der Veeke
Gert de Jager
Hans van Willigenburg
Peter Knipmeijer
Maarten Das
Nanne Nauta
Onder redactie van Heytze en Breukers
Peter M. van der Linden
Jabik Veenbaas
Diverse auteurs
ACG Vianen
Rob Molin
Bart FM Droog
Lies Van Gasse
David Pefko; Het voorseizoen
Reacties